< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/384 3 juni 2008

20330 Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant van een tuchtuitspraak van 23 april 2007 van het Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen (hierna: tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij uitspraak van 23 april 2007 met zaaknummer C heeft het tuchtgerecht beslist op het verzet van appellant tegen de uitspraak van het tuchtgerecht van 30 november 2006 en deze uitspraak bevestigd waarbij aan appellant een geldboete van € 1.500,-- is opgelegd.

Bij brief van 28 mei 2007, bij het College binnengekomen op 30 mei 2007, heeft appellant beroep ingesteld tegen de tuchtuitspraak van 23 april 2007.

Bij brief van 25 juni 2007 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 8 april 2008. Appellant is in persoon verschenen. Voorts zijn ter zitting verschenen E.R. Kleijwegt en ir. ing . A. Waterink, beiden werkzaam bij het Hoofdproductschap Akkerbouw (hierna: HPA).

2. Het wettelijk kader

De Verordening HPA bestrijding Phytophthora infestans bij aardappelen 2003 (hierna: verordening) luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Artikel 3

Het is de ondernemer verboden om zich van niet-uitgeplante aardappelen of afval van aardappelen te ontdoen, tenzij hij zodanige maatregelen heeft getroffen dat zich aan deze niet-uitgeplante aardappelen of afval van aardappelen geen stengels met blad kunnen ontwikkelen.

Artikel 8

Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld. (…) "

De Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Artikel 2

1. De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie , die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:

(…)

b. geldboete;

(…)

Artikel 4

1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2,- en ten hoogste € 4500,-.

(…) "

3. De tuchtuitspraken

In de uitspraak van 30 november 2006, waartegen appellant verzet heeft gedaan, heeft het tuchtgerecht als volgt overwogen. In de omgeving waar de overtreding is geconstateerd worden veel aardappelen geteeld zodat het besmettingsrisico groot is. Het tuchtgerecht stelt vast dat sprake is van recidive wat als een strafverhogende omstandigheid wordt aangemerkt. Aan appellant is een geldboete van € 1.500,-- opgelegd vanwege overtreding van artikel 3 verordening.

Bij de bestreden uitspraak van 23 april 2007 heeft het tuchtgerecht overwogen dat het verzetschrift geen nieuwe feiten of omstandigheden geeft die leiden tot een andere beslissing dan de uitspraak van 30 november 2006.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij gedurende twee jaar uit het arbeidsproces is geweest in verband met overspannenheid en drie jaar lang een uitkering voor 50% van het UWV heeft genoten. Gedurende de drie jaren heeft appellant twee vervangers op zijn bedrijf gehad. Daar beiden niet goed in staat waren de zaken te behartigen, zijn er enige tientallen opslagplanten blijven staan. Appellant acht de reactie van het HPA overdreven.

5. De beoordeling van het hoger beroep

Het College stelt vast dat appellant de overtreding van artikel 3 van de Verordening HPA bestrijding Phytophthora infestans bij aardappelen 2003 niet heeft bestreden. Gezien het dienaangaande gestelde in het berechtingsrapport staat overtreding van genoemde bepaling derhalve vast.

Het College overweegt dat de stelling van appellant dat niet hij maar zijn vervanger ten tijde van zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid verantwoordelijk is voor de overtreding van artikel 3 van de verordening niet kan leiden tot het door appellant beoogde doel, aangezien hetgeen een dergelijke door hem ingeschakelde vervanger doet of nalaat in beginsel voor rekening en risico van appellant dient te blijven. Er zijn door appellant geen feiten of omstandigheden genoemd op grond waarvan in dit geval anders zou moeten worden geoordeeld. Derhalve kan het door appellant gestelde verzuim van zijn vervanger geen verontschuldiging opleveren voor het begaan van de overtreding.

Het College overweegt voorts ook overigens geen aanleiding te zien tot verlaging van de opgelegde boete. De enkele stelling dat de boete overdreven is op grond van de door appellant gestelde omstandigheid dat opslagplanten in een gewas meer schade zouden toebrengen aangaande Phytophthora, acht het College niet toereikend.

Gegeven de ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder deze plaats heeft gevonden, met name de omstandigheid dat appellant in 2005 reeds vier maal in strijd met hetzelfde voorschrift heeft gehandeld, acht het College de door het tuchtgerecht opgelegde boete passend en geboden.

Uit het bovenstaande volgt dat het beroep van appellant ongegrond is.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M. van Duuren en mr. F.H.M. Possen, in tegenwoordigheid van mr. S. van Noordt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008.

w.g. B. Verwayen w.g. S. van Noordt


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature