< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Blijvend gehele weigering WW-uitkering en bovenwettelijke uitkering vanwege verwijtbare werkloosheid.

Uitspraak



06/4608 WW

06/4554 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant 1) en

2. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: appellant 2)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 juni 2006, 05/1908 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[Betrokkene]

en

appellanten

Datum uitspraak: 22 november 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de voormalige werkgeefster van betrokkene de [werkgeefster], medegedeeld niet aan het geding tussen appellant 1 en betrokkene te zullen deelnemen.

Desgevraagd hebben appellant 2 en betrokkene ieder een reactie ingezonden op de uitspraak van de Raad van 3 mei 2007, 05/4625 AW, LJN BA5275.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2007. Appellant 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Krijgsman, werkzaam bij het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen. Appellant 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties B.V. Namens betrokkene is verschenen mr. H.C. Lenaerts, advocaat te Breda.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was als leerkracht werkzaam bij het [College], dat per 1 januari 2003 is opgegaan in het [naam College]. Na een aantal ontwikkelingen ten gevolge van een tevergeefse interne sollicitatie door betrokkene in 2001 naar de functie van coördinator Zorg Schoolbreed is een conflict-situatie met haar werkgeefster ontstaan, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een zogeheten ontbindingsverzoek van de werkgeefster bij de kantonrechter. Bij beschikking van 29 april 2004 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen betrokkene en haar werkgeefster met ingang van 1 juni 2004 ontbonden, onder toekenning van een vergoeding van € 63.500,-- bruto aan betrokkene.

1.2. Op 11 mei 2004 heeft betrokkene bij appellant 1 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en bij appellant 2 een aanvraag om een uitkering ingevolge het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BBWO) ingediend. Bij besluit van 20 juli 2004 heeft appellant 1 de WW-uitkering per 1 juni 2004 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd omdat betrokkene verwijtbaar werkloos wordt geacht, doordat zij zich niet voldoende heeft ingespannen voor re-integratie en niet alles heeft gedaan om haar baan te behouden. Bij besluit van eveneens 20 juli 2004 heeft appellant 2 de bovenwettelijke uitkering om dezelfde reden blijvend geheel geweigerd. Bij besluit van 13 mei 2005 (het bestreden besluit) hebben appellanten hun genoemde besluiten na door betrokkene gemaakt bezwaar gehandhaafd. Appellant 1 heeft daarbij overwogen dat betrokkene artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW op zich van toepassing heeft doen worden doordat van haar, in ieder geval vanaf de poging van de heer [R.] van het [naam College] om samen met betrokkene te onderzoeken of herplaatsing binnen één van de andere afdelingen met een andere afdelingsdirectie tot de mogelijkheden behoorde, meer bereidheid tot het zoeken naar een oplossing had mogen worden verwacht en zij, door het verwerpen van de in een gesprek op 22 mei 2003 geboden opties voor een functie als docente bij de afdeling welzijn of als medewerker bij de dienst studentenzaken in het vak orthopedagogiek, een (mogelijke) kans op werk heeft laten schieten. Om dezelfde reden heeft appellant 2 zijn standpunt om de bovenwettelijke uitkering blijvend geheel te weigeren in bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellanten een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe is overwogen dat appellanten hebben nagelaten om nader te onderzoeken in hoeverre de op 22 mei 2003 aangeboden functieopties voldoende concreet waren, of en op welke wijze deze aan betrokkene zijn aangeboden en of en in hoeverre betrokkene de aangeboden functies ongemotiveerd heeft verworpen, zoals door de werkgever gesteld. Indien er vanuit zou moeten worden gegaan dat de functies voldoende concreet waren en deze betrokkene ook zijn aangeboden, hebben appellanten volgens de rechtbank evenmin onderzocht of de functies als passend voor betrokkene kunnen worden gekwalificeerd. Gelet hierop heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellanten bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de vereiste zorgvuldigheid in acht hebben genomen en dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, zodat dit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1. Appellanten hebben het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat het ontslag en de daaruit voortvloeiende werkloosheid in onderlinge samenhang bezien, hoofdzakelijk zijn te wijten aan het gedrag en de opstelling van betrokkene. In dat kader wordt verwezen naar het totale feitencomplex, zoals verwoord in het bestreden besluit, dit in tegenstelling tot de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank volgens appellanten slechts één aspect van de aan betrokkene verweten gedragingen heeft beoordeeld, te weten het niet accepteren van twee door haar werkgever aangeboden functies.

3.2. Betrokkene heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Bij de beoordeling van het bestreden besluit is de rechtbank er naar het oordeel van de Raad terecht van uitgegaan dat appellant 1 aan dit besluit ten grondslag heeft gelegd dat van betrokkene meer bereidheid had mogen worden verwacht bij het zoeken naar een oplossing en dat zij in dat kader door het verwerpen van twee aangeboden functies de (mogelijke) kans op werkhervatting heeft laten schieten. In hoger beroep heeft appellant 1 het hierover gegeven oordeel door de rechtbank niet bestreden, maar een uitbreiding gegeven aan de gronden waarop het bestreden besluit berust door hierbij ook de gedragingen van betrokkene te betrekken die vooraf zijn gegaan aan het beweerdelijk gedane aanbod van de functies op 22 mei 2003 en die tot de vertrouwensbreuk met de werkgever zouden hebben geleid. Die uitbreiding van de grondslag acht de Raad niet aanvaardbaar, nu appellant in het bestreden besluit uitdrukkelijk heeft aangegeven het eens te zijn met het oordeel van de kantonrechter dat geen der partijen in overwegende mate aan de vertrouwensbreuk schuld heeft. Naar ook door de gemachtigde van appellant 1 ter zitting is erkend, heeft de rechtbank zich derhalve terecht beperkt tot beoordeling van de gronden waarop het bestreden besluit berust en zal, aangezien dat oordeel op zichzelf niet wordt bestreden, in zoverre uitvoering dienen te worden gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. In dat kader merkt de Raad op dat appellant 1 daarbij tevens aandacht zal dienen te besteden aan de wettelijke grondslag van het bestreden besluit evenals aan de vraag of de aan betrokkene aangeboden functies passend zijn in het licht van de omstandigheid dat de bedrijfsarts betrokkene in juli 2003 arbeidsongeschikt heeft geacht voor werkhervatting bij het [naam College].

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbende op de WW-uitkering, dient te worden bevestigd.

4.3. Ten aanzien van het besluit van appellant 2 tot het blijvend geheel weigeren van de BBWO-uitkering overweegt de Raad het volgende.

4.4. Op 1 juli 2003 is het Besluit van 16 mei 2003, Stb. 2003, 233, tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WEB en intrekking en wijziging van diverse andere besluiten in verband met verdere decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming in de BVE-sector in werking getreden.

Ingevolge artikel IV van dit Besluit is het BBWO aangepast in die zin dat, kort samen-gevat, werknemers uit de BVE-sector geen betrokkene meer zijn in de zin van artikel 1 van het BBWO . Ter zitting is gebleken dat partijen het er inmiddels over eens zijn, hetgeen ook voor de Raad vast staat, dat betrokkene, omdat zij geen betrokkene is in de zin van artikel 1 van het BBWO , om die reden jegens appellant 2 geen aanspraak kan maken op een BBWO-uitkering.

4.5. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de BBWO-uitkering, zij het op andere gronden, terecht door de rechtbank is vernietigd.

De Raad ziet aanleiding, met vernietiging van de aan appellant 2 gegeven opdracht tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover betrekking hebbend op de BBWO-uitkering, in stand worden gelaten.

4.6. Partijen stellen zich op het standpunt dat de werkgeefster als uitvloeisel van de privaatrechtelijke arbeidsvoorwaarden de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie moet toepassen, hetgeen voor betrokkene een mogelijke privaatrechtelijke aanspraak op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering biedt. De Raad vertrouwt erop dat appellant 2 de aanvraag van betrokkene ter verkrijging van een dergelijke bovenwettelijke werkloosheidsuitkering zal doorzenden naar de werkgeefster van betrokkene.

5. De Raad ziet aanleiding appellanten met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden in het geding met betrekking tot de WW-uitkering begroot op € 322,- wegens kosten van rechtsbijstand en in het geding met betrekking tot de BBWO-uitkering op € 483,- eveneens wegens kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aan appellant 2 gegeven opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 13 mei 2005, voor zover betrekking hebbende op de BBWO-uitkering, in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 483,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 428,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.R.S. Bacon.

HD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature