< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Recht op vrijstelling legesheffing voor woningbouwcorporatie.

In geschil is of eiseres - een woningbouwcorporatie - recht heeft op vrijstelling van legesheffing op grond van artikel 88 Woningwet in verbinding met artikel 34 Besluit woninggebonden subsidies (BWS) 1995. De rechtbank stelt vast dat artikel 88 Woningwet per 1 januari 2000 niet langer (mede) de wettelijke basis is voor het BWS 1995. Met ingang van die datum berust het BWS 1995 immers uitsluitend op het eerste lid van artikel 9 IWSV. Nu geen andere algemene maatregel van bestuur met als wettelijke basis artikel 88 Woningwet van kracht is geworden, kan met ingang van 1 januari 2000 kan dan ook niet meer voldaan worden aan het vereiste dat de legesvrijstelling uitsluitend geldt voor zover die stukken betrekking hebben op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven categorieën van woningen, standplaatsen of woonwagens.

Uitspraak



Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/4867 HUISV

tussen:

Stichting De Alliantie, tevens handelende onder de naam De Dageraad, statutair gevestigd te Hilversum,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. J.H.S. van Doesburg,

en:

de heffingsambtenaar van het Stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door A. Dirkse.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 3 oktober 2006 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 15 augustus 2006, verzonden 25 augustus 2006 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 6 september 2007.

2. OVERWEGINGEN

Op 25 mei 2004, 29 juni 2004, 9, 18 en 19 november 2004, 16 december 2004 en 8 augustus 2005, heeft (de rechtsvoorganger) van eiseres een reguliere bouwvergunning aangevraagd ten behoeve van werkzaamheden aan woningen aan de Jacob van Lennepkade en de Borgerstraat te Amsterdam.

In verband hiermee heeft verweerder bij de primaire besluiten van respectievelijk 14 juni 2004, 20 juli 2004, 16 november 2005, 1 december 2004, 1 december 2004, 19 januari 2005 en 20 oktober 2005 op basis van de Legesverordening Stadsdeel Oud-West 1999 (hierna: Legesverordening) vastgesteld dat eiseres voor het in behandeling nemen van de bouwvergunningen een bedrag van € 19.509,30 leges verschuldigd is. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiseres stelt primair dat verweerder de leges heeft opgelegd in strijd met de wettelijke legesvrijstelling die gold tot 27 december 2005 voor het treffen van voorzieningen aan woningen van een sociale verhuurder. Zij verwijst daartoe naar artikel 88, eerste lid, van de Woningwet in verbinding met artikel 34, eerste lid, van het Besluit woninggebonden subsidies 1995 (hierna: BWS 1995).

Verweerder stelt zich op het standpunt dat ingevolge artikel 9 van de (met terugwerkende kracht) per 1 januari 2000 in werking getreden Invoeringswet Wet stedelijke vernieuwing (hierna: IWSV) vrijstelling van legesheffing niet langer van toepassing is.

De rechtbank overweegt als volgt.

In geschil is of eiseres recht heeft op vrijstelling van legesheffing op grond van artikel 88 Woningwet in verbinding met artikel 34 BWS 1995. De hoogte van de in rekening gebrachte legesbedragen is niet in geschil.

Bij de beoordeling van het beroep overweegt de rechtbank, in aansluiting op de uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 januari 2006 (LJN: AV0521), nevenzittingsplaats Haarlem, als volgt.

Artikel 88 (deel uitmakend van hoofdstuk V ) van de Woningwet luidt:

1. Alle stukken, opgemaakt ter uitvoering van de afdelingen 4 en 5 van dit hoofdstuk, voor zover die stukken betrekking hebben op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven categorieën van woningen, standplaatsen of woonwagens, zijn vrij van legesheffing, van de kosten van legalisatie en van griffiekosten.

2. De in het eerste lid bedoelde vrijdom van legesheffing geldt niet ten aanzien van bij de in dat lid bedoelde algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van legesheffing. Bij die algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 34, eerste lid, van het Besluit luidt:

1. De vrijdom van legesheffing, van de kosten van legalisatie en van griffiekosten ten aanzien van stukken als bedoeld in artikel 88 van de Woningwet, is van toepassing op door sociale verhuurders te verhuren woningen waarvan de geraamde kosten van het verkrijgen in eigendom niet hoger zijn dan ƒ 186.000,-, woonwagens en standplaatsen, ten aanzien waarvan toepassing wordt gegeven aan artikel 22, alsmede op woningen, beheerd door een sociale verhuurder, waaraan voorzieningen worden getroffen waarvan de kosten meer bedragen dan € 22.689,01. Het in de eerste volzin eerstgenoemde bedrag kan bij ministeriële regeling worden gewijzigd, indien daartoe aanleiding bestaat wegens wijziging van de prijzen in verband met het bouwen van woningen.

Uit vorenstaande bepalingen in samenhang gelezen volgt dat voor toepassing van de legesvrijstelling aan twee vereisten moet zijn voldaan. In de eerste plaats moet het gaan om stukken die zijn opgemaakt ter uitvoering van de afdelingen 4 en 5 van hoofdstuk V van de Woningwet. In de tweede plaats geldt de legesvrijstelling uitsluitend voor zover die stukken betrekking hebben op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven categorieën van woningen, standplaatsen of woonwagens.

Op 1 januari 2000 is de IWSV in werking getreden. Artikel 9 van de ze wet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven met betrekking tot de uitbetaling en de besteding van de financiële middelen en de subsidies, bedoeld in artikel 8, alsmede over de verslaglegging met betrekking tot die besteding. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorts regels gegeven met betrekking tot de gevallen waarin Onze Minister zodanige financiële middelen die zijn verleend in verband met de ontwikkeling van bouwlocaties, kan verhogen.

(...)

6. Na de inwerkingtreding van deze wet berusten het Besluit woninggebonden subsidies 1995 en het Besluit locatiegebonden subsidies uitsluitend op het eerste lid van dit artikel.

In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel IWSV is onder meer het volgende vermeld:

Artikel 9

Bestaande algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen blijven ingevolge artikel 8 van toepassing op de ingevolge de artikelen 81, eerste lid, en 82, eerste lid, van de Woningwet , zoals deze leden luidden op 31 december 1999, verstrekte financiële middelen en subsidies.

(...)

Voor het doorsubsidiëren van uiterlijk op 31 december 1999 verleende of vastgestelde financiële middelen kunnen voornoemde algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen nog wel van belang zijn. Omdat de basis voor de bestaande algemene maatregelen van bestuur vervalt, is om te voorkomen dat deze algemene maatregelen van bestuur automatisch - van rechtswege - ook vervallen een nieuwe basis nodig om die maatregelen onder de vertrouwde namen (Besluit woninggebonden subsidies 1995, BWS 1995, en Besluit locatiegebonden subsidies, BLS) te kunnen laten voortbestaan. Die basis is opgenomen in het zesde lid van dit artikel. Door de ze nieuwe grondslag voor de bedoelde bestaande algemene maatregelen van bestuur kunnen ook zo nodig na inwerkingtreding van de Wet stedelijke vernieuwing wijzigingen worden aangebracht in met name de regels met betrekking tot de uitbetaling, de besteding en de verslaglegging van deze ‘oude subsidies’ (het eerste lid). Anders dan in par. 3.7 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel stedelijke vernieuwing is aangegeven, worden BWS 1995 en BLS dus niet ingetrokken, maar blijven deze uitsluitend ten behoeve van de bestaande subsidies van kracht.

(...)

Na de inwerkingtreding van de Wsv is derhalve artikel 9 van dit wetsvoorstel de basis voor het BLS en het BWS 1995, die beide uitsluitend nog van belang zijn voor op 31 december 1999 al verleende subsidies, en zijn de artikelen 81 en 82 van de Woningwet de grondslagen voor eventuele nieuwe subsidies voor andere activiteiten dan stedelijke vernieuwing, die echter wel betrekking moeten hebben op het wonen. (TK 1999-2000, 27 160, nr. 3. p. 9 en 10)

De rechtbank stelt vast dat artikel 88 Woningwet per 1 januari 2000 niet langer (mede) de wettelijke basis is voor het BWS 1995. Met ingang van die datum berust het BWS 1995 immers uitsluitend op het eerste lid van artikel 9 IWSV. Nu geen andere algemene maatregel van bestuur met als wettelijke basis artikel 88 Woningwet van kracht is geworden, kan met ingang van 1 januari 2000 kan dan ook niet meer voldaan worden aan het hiervoor onder 4.2. genoemde tweede vereiste dat de legesvrijstelling uitsluitend geldt voor zover die stukken betrekking hebben op bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven categorieën van woningen, standplaatsen of woonwagens.

Ingevolge artikel 8 IWSV is het BWS 1995 per 1 januari 2000 (uitsluitend) nog van toepassing op per 31 december 1999 reeds toegekende budgetten. Uit de omstandigheid dat het BWS 1995 nog jaarlijks werd geactualiseerd, noch uit de omstandigheid dat in de door eiseres aangehaalde Nota ‘Mensen, wensen, wonen’ het bestaan van een legesvrijstelling wordt genoemd, kan worden afgeleid dat de legesvrijstelling op grond van artikel 88 van de Woningwet in de voor dit geschil relevante jaren nog van toepassing was. Zoals ook uit de hiervoor geciteerde passage van de memorie van toelichting van het wetsvoorstel IWSV blijkt, is het BWS 1995 slechts voor het doorsubsidiëren van uiterlijk op 31 december 1999 verleende of vastgestelde financiële middelen van toepassing gebleven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres op grond van de geldende regelgeving geen recht heeft op legesvrijstelling.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren.

Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 1 oktober 2007 door mr. J.P. Smit, voorzitter en mrs. C.G. Meeder en W. den Ouden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier

de voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer).

Afschrift verzonden op:

DOC: B


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature