< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/72 22 december 2006

20312 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, B en C, te D, appellante van een tuchtuitspraak met kenmerk TPVV 40/2005 van 20 december 2005 van het Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees, Kamer primaire sector (hierna: tuchtgerecht).

Gemachtigde: A.

1. De procedure

Bij voormelde tuchtuitspraak heeft het tuchtgerecht beslist op het verzet van appellante tegen zijn uitspraak van 20 september 2005 en deze uitspraak bevestigd. In laatstgenoemde uitspraak heeft het tuchtgerecht aan appellante een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en artikel 13 van de Verordening Bestrijding Ziekte van Aujeszky 2002.

Bij brief van 20 januari 2006, bij het College binnengekomen op 24 januari 2006, heeft appellante beroep ingesteld tegen die tuchtbeslissing.

Bij telefax van 30 januari 2006 en bij brieven van 16 februari 2006 en 24 juli 2006 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de stukken doen toekomen aan het College.

Bij brief van 10 februari 2006 heeft appellante het College nadere stukken toegezonden.

Op 15 september 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigde van appellante niet is verschenen. Namens het Productschap Vee en Vlees is mr. R.B.R. Henke verschenen.

2. Het wettelijk kader

De Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wet turbo) bepaalde ten tijde hier van belang:

“Artikel 3

De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van de artikelen 105 en 113 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie , die op de overtreding van verordeningen van een lichaam kunnen worden gesteld, zijn:

(...)

2e. geldboete;

(...)

Artikel 5

1. Het bedrag van de geldboete is tenminste € 2.

2. Het hoogste bedrag van de geldboete wordt bij verordening bepaald en is niet hoger dan € 450.

3. In de instellingsverordening als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de wet kan worden bepaald, dat het lichaam op overtreding van daarbij aangewezen verordeningen een hogere geldboete dan € 450 kan stellen. In geen geval zal het bedrag der geldboete hoger zijn dan € 4 500.”

Op 1 april 2004 is de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 (hierna: Wet turbo 2004) in werking getreden. Daarin is onder meer bepaald:

“Artikel 2

1. De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie , die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:

a. (…);

b. geldboete;

c. (…);

d. (…).

Artikel 4

1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2,- en ten hoogste € 4500,-.

(…)

Artikel 4 7

1. Op de behandeling van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige tuchtzaken blijft de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie van toepassing.

2. Naar aanleiding van overtredingen die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet, kunnen slechts de tuchtrechtelijke maatregelen bepaald in de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie worden opgelegd.”

In de Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2002 (hierna: Verordening 2002) is, ten tijde en voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 2

1. Iedere ondernemer is verplicht de op zijn vestiging aanwezige varkens te doen enten tegen de Ziekte van Aujeszky overeenkomstig het voor de betrokken diersoorten en de te onderscheiden gebieden door een door het bestuur vastgesteld entschema.

(...)

Artikel 3

(…)

3. De ondernemer is verplicht, binnen 14 dagen nadat de entingen, bedoeld in artikel 2, verricht zijn, het daartoe bestemde exemplaar van de in het eerste lid bedoelde vaccinatiebon aan de door het bestuur aangewezen dienst toe te

zenden. De ondernemer is gekweten van de in de vorige zin bedoelde verplichting indien de betrokken dierenarts de vaccinatiebon, binnen 14 dagen nadat de entingen, bedoeld in artikel 2, verricht zijn, naar de dienst heeft

gezonden.

(…)

Artikel 1 3

1. Overtreding van de in deze verordening gestelde verbods- en gebodsbepalingen is een strafbaar feit.

Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tevens tuchtrechtelijke maatregelen gesteld.

De tuchtrechtelijke maatregelen bedoeld in lid 2 zijn:

a. (…)

b. een geldboete van ten hoogste 4.500 Euro, (…)

c. (…).”

Met ingang van 24 september 2004 is Verordening 2002 gewijzigd, en is artikel 13 komen te luiden:

“Artikel 1 3

Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld.

De tuchtrechtelijke maatregelen bedoeld in het eerste lid zijn:

(…)

een geldboete;

(…)

(…)”

Het Besluit vaststelling entschema verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2002 bepaalde ten tijde hier van belang onder meer:

“Artikel 2

Als entschema bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2002 , wordt voor heel Nederland het navolgende entschema vastgesteld:

(…)

II. vleesvarkens:

dienen tweemaal als volgt te worden geënt:

- eerste enting in de periode van de 10e tot de 16e levensweek;

- tweede enting vier weken na de eerste enting.

(…)

Artikel 3

Indien betrokken ondernemer in het bezit is van het Aujeszky-vrij certificaat, bedoeld in het Besluit Aujeszkyvrij certificaat 1993 van de Stichting Gezondheidszorg voor Dieren, dient een vleesvarken, in afwijking van het in het vorige artikel genoemde entschema, slechts één maal te worden geënt, en wel in de periode van de 10e tot de 16e levensweek.”

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de in artikel 15 Wet turbo 2004 bedoelde schriftelijke verklaring van de voorzitter van het productschap, gedateerd 8 augustus 2005, is voor de omschrijving van de feiten waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel werd gevraagd verwezen naar het berechtingsrapport, opgemaakt op 21 juni 2005 door E. In het berechtingsrapport zijn bedoelde feiten als volgt geformuleerd:

“Het niet laten enten van varkens op zijn vestiging tegen de Ziekte van Aujeszky conform een door het bestuur van het Productschap Vee en Vlees vastgesteld entschema en/of het niet binnen 14 dagen nadat de vaccinaties zijn verricht het daartoe bestemde ondertekende exemplaar van de vaccinatiebonnen toe te zenden aan de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren.”

Deze feiten leveren volgens het berechtingsrapport overtredingen op van de artikelen 2, eerste lid, en 3, eerste en derde lid, Verordening 2002. Deze overtredingen zijn blijkens het rapport in de periode van 25 maart 2004 tot en met 24 februari 2005 begaan. In die periode zijn blijkens het rapport 2.700 vleesvarkens opgelegd, terwijl van ten minste 1.678 stuks vleesvarkens geen vaccinatiebonnen aanwezig waren. Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft het tuchtgerecht bewezen verklaard dat appellante de volgende feiten heeft begaan: “het niet enten van vleesvarkens tegen de Ziekte van Aujesky.”

Het bewezen verklaarde levert naar het oordeel van het tuchtgerecht overtreding op van artikel 2, eerste lid, Verordening bestrijding ziekte van Aujeszky 2002 in verbinding met artikel 2, onder II, Besluit Vaststelling entschema Ziekte van Aujeszky 2002. Wegens deze overtreding heeft het tuchtgerecht appellante een geldboete opgelegd van € 1.900.

4. Het standpunt van appellante

Appellante voert aan dat het berechtingsrapport geen juiste weergave bevat van de feiten. De vleesvarkens vertoonden ernstige reacties na het enten. De problemen zijn door de dierenarts onderhands en in overleg met de gezondheidsdienst bekeken en men heeft geprobeerd tot een oplossing te komen. Het uitvalspercentage van 3 % dat in het berechtingsrapport wordt genoemd strookt niet met de werkelijkheid en ook niet met het overzicht van F dat bij het berechtingsrapport was gevoegd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat appellante niet heeft ontkend dat zij voor wat betreft 1.678 van de 2.700 in de periode van 25 maart 2004 tot en met 24 februari 2005 opgelegde varkens niet heeft voldaan aan de verplichting de op haar vestiging aanwezige varkens tegen de Ziekte van Aujeszky te doen vaccineren.

5.2 Appellante heeft gesteld dat gezondheidsproblemen bij deze varkens eraan in de weg hebben gestaan aan deze verplichting te voldoen. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een Verslag bedrijfsonderzoek/patiëntenonderzoek van een aan Groepspraktijk Dierenartsen G verbonden dierenarts overgelegd. Daarmee is naar het oordeel van het College niet aangetoond dat in de periode dat appellante niet aan de entverplichting heeft voldaan sprake was van een door een dierenarts of andere deskundige vastgestelde ziekte of gebrek op grond waarvan toediening van het vaccin aan deze varkens niet geïndiceerd was. Het verslag vermeldt slechts dat bij oudere dieren iets van een kuchje en bij jongere dieren weinig bijzonderheden vielen te constateren. Het verslag is bovendien op 15 juni 2005 gedateerd, bijna vier maanden na het verstrijken van de hier in geding zijnde periode.

5.3 Tevens heeft appellante erop gewezen dat het berechtingsrapport ten onrechte melding maakt van een uitvalpercentage van 3. Uit het door haar overgelegde Ophaaloverzicht kadavers en vaten-materiaal over het eerste kwartaal van het kalenderjaar 2005 van F B.V. leidt appellante, door het daarin vermelde aantal van 99 in de periode van 4 januari 2005 tot en met 29 maart 2005 opgehaalde kadavers met vier te vermenigvuldigen, af dat er op haar vestiging op jaarbasis 396 varkens moeten zijn uitgevallen. Afgezet tegen een, volgens haar, gemiddeld aantal op de vestiging aanwezige varkens van 1.500, levert dit in appellantes berekening een uitvalpercentage van 9 op.

5.4 Het College merkt op dat in het berechtingsrapport geen uitvalpercentage wordt genoemd. Bijlage I van het rapport maakt melding van in totaal 86 in de periode van 25 maart 2004 tot en met 25 februari 2005 ter destructie naar F B.V. afgevoerde kadavers. Het door appellante aangevoerde vormt voor het College onvoldoende aanleiding aan de juistheid van de in de bijlage opgenomen gegevens te twijfelen. Appellante heeft haar cijfers niet aan de hand van ondersteunende gegevens onderbouwd. Hierdoor valt niet na te gaan of de veronderstellingen die aan appellantes berekening ten grondslag liggen en de conclusies die zij daaruit heeft getrokken juist zijn. Bovendien heeft appellante niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze deze cijfers tot een uitvalpercentage van 9 in de betrokken periode moeten leiden. Aangenomen dat dit gemiddelde juist is, zegt een aantal van 1.500 op de vestiging aanwezige varkens bijvoorbeeld weinig over het aantal varkens dat op jaarbasis op de vestiging aanwezig is geweest.

5.5 Uit het door appellante overgelegde Ophaaloverzicht van F B.V. valt op te maken dat van de 86 in de periode van 25 maart 2004 tot en met 25 februari 2005 afgevoerde kadavers er 39 in de laatste twee maanden van die periode bij appellantes vestiging zijn opgehaald. Bij gebrek aan ondersteunende informatie is ook dit gegeven onvoldoende om conclusies te trekken ten aanzien van de door appellante gestelde gezondheidsproblemen dan wel ten aanzien van de gestelde onjuistheid van de aan de vaststelling van de hoogte van de opgelegde boete ten grondslag liggende gegevens met betrekking tot uitval van varkens op appellantes vestiging in de betrokken periode.

5.6 Het College overweegt dat ingevolge de Wet turbo 2004 en de Verordening 2002 voor overtreding van deze verordening een boete van maximaal € 4.500,- kan worden opgelegd. Op grond van de ten tijde van belang kennelijk door het tuchtgerecht gehanteerde richtsnoeren gold voor overtreding van artikel 2 van de Verordening een boete van € 0,57 per niet gevaccineerd varken, welk bedrag is gerelateerd aan de besparing als gevolg van het achterwege laten van de vaccinatie. Het aldus verkregen bedrag wordt vermenigvuldigd met een factor 2, teneinde het bestraffende karakter te onderstrepen.

Het College acht de hoogte van de opgelegde boete, gezien de ernst en de omvang van de overtreding passend en geboden.

5.7 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de bestreden boete op goede gronden is gehandhaafd. Het beroep is dan ook ongegrond.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.A. van der Ham en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

w.g. C.M. Wolters w.g. C.G.M. van Ede


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature