Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 30 augustus 2004 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) aan appellante sub 1 (hierna: de Stichting) een subsidie verleend voor het jaar 2005 voor de uitvoering van activiteiten in het kader van het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg van in totaal € 98.295,12.

Uitspraak



200602623/1.

Datum uitspraak: 24 januari 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de stichting "Stichting Thuiszorg Groot Rijnland", gevestigd te Leiden,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/65 van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 februari 2006 in het geding tussen:

appellante sub 1

en

appellant sub 2.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2004 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) aan appellante sub 1 (hierna: de Stichting) een subsidie verleend voor het jaar 2005 voor de uitvoering van activiteiten in het kader van het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg van in totaal € 98.295,12.

Bij besluit van 20 december 2004 heeft het college het daartegen door de Stichting gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 februari 2006, verzonden op 27 februari 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de Stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 december 2004 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2006, en de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2006, hoger beroep ingesteld. De Stichting heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 16 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 mei 2006 heeft de Stichting van antwoord gediend.

Bij brief van 28 juni 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 11 oktober 2006 heeft de Stichting nadere stukken ingezonden. Bij brief van 13 oktober 2006 heeft het college nadere stukken ingezonden. Deze stukken zijn aan de wederpartijen toegestuurd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2006, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. F. Spijker, advocaat te Leiden, en [gemachtigden], werkzaam bij de Stichting, is verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 3a, eerste lid, van de Wet collectieve preventie volksgezondheid (hierna: de Wet), zoals deze luidde ten tijde hier van belang, draagt de gemeenteraad (thans: het college) eveneens zorg voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg.

   Ingevolge artikel 3a, tweede lid, van de Wet draagt de gemeenteraadraad ter verwezenlijking van het eerste lid in ieder geval zorg voor:

a. het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van jeugdigen en van gezondheidsbevorderende en -bedreigende factoren;

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Tijdelijke regeling specifieke uitkering jeugdgezondheidszorg (hierna: de Regeling), zoals deze luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze Regeling verstaan onder het uniform deel van het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit jeugdgezondheidszorg (hierna: het Besluit).

   Ingevolge artikel 2 van de Regeling verstrekt de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedurende de uitkeringsjaren 2003 tot en met 2007 aan de gemeenten jaarlijks een uitkering voor de uitvoering van het uniform deel van het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg.

   Ingevolge artikel 1 van het Besluit wordt in dit besluit verstaan onder:

b. de wet: de Wet collectieve preventie volksgezondheid;

c. het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg: de in artikel 3a, tweede lid, van de wet genoemde taken.    

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit bestaat het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg uit een uniform deel en een maatwerkdeel.

   Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit omvat het uniform deel van het basistakenpakket de in paragraaf 2 van dit besluit beschreven werkzaamheden, welke aan alle jeugdigen worden aangeboden.

2.2.    Gemeenten ontvangen van het rijk een uitkering, als bedoeld in artikel 2 van de Regeling, voor de uitvoering van het uniform deel van het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg. Voor het jaar 2005 bedroeg deze uitkering voor de gemeente Zoeterwoude € 120.393,00.

   De Stichting heeft, voor zover hier van belang, een aanvraag bij het college ingediend voor een subsidie van € 120.393,00 voor de uitvoering van activiteiten in het kader van het uniform deel van het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg 0 tot 4-jarigen. Bij besluit van 30 augustus 2004 heeft het college, voor zover hier van belang, aan de Stichting een subsidie verleend van € 92.531,12 voor de totale kosten van de producten voor Zoeterwoude, zoals vermeld in de productbegroting 2005. Het college heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat hij een deel groot € 27.861,88 van de uitkering die de gemeente van het rijk heeft ontvangen, wenst te besteden aan het uniform deel van de jeugdgezondheidszorg van 4 tot 19-jarigen. Bij de beslissing op bezwaar van 20 december 2004 heeft het college dit besluit gehandhaafd.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat het college de vrijheid heeft de uitkering te besteden aan het basistakenpakket jeugdzorg voor alle jeugdigen en dat deze vrijheid niet op voorhand is ingeperkt door een bij de Stichting door het college gewekt vertrouwen dat van die vrijheid geen gebruik zou worden gemaakt. De rechtbank heeft evenwel het beroep van de Stichting gegrond verklaard, omdat het college, door voorbij te gaan aan de door de Stichting gegeven onderbouwing van de begroting over 2005, niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het verlenen van de subsidie ter hoogte van de gemiddelde kostprijs per kind per gemeente in de regio Zuid-Holland Noord in plaats van de kostprijs per kind voor de gemeente Zoeterwoude.

2.4.    De Stichting betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in beginsel de vrijheid heeft de uitkering op grond van de Regeling ook ten behoeve van de jeugdgezondheidszorg voor de groep van 4 tot 19-jarigen aan te wenden. Daartoe voert zij aan dat doorslaggevende betekenis toekomt aan de totstandkomingsgeschiedenis van de Regeling, waaruit volgens de Stichting blijkt dat het de bedoeling is geweest de uitkering volledig in te zetten voor de 0- tot 4-jarigen, nu het doel van de Regeling is om bekostiging voor die groep, die voorheen via de Algemene wet bijzondere ziektekosten werd bekostigd, door de gemeente te laten plaatsvinden.      

2.4.1.    De Regeling is vastgesteld in het kader van de overgang van financiering van de jeugdgezondheidszorg uit de AWBZ naar financiering van die zorg via de gemeenten, al dan niet via het gemeentefonds, om zo de gemeenten de regie te geven over de jeugdgezondheidszorg in het kader van de, onder meer bij wet, aan de gemeenten met betrekking tot de jeugdgezondheidszorg toebedeelde taken. Uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling, gelezen in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit, volgt dat het uniform deel van het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg, zoals bedoeld in de Regeling, werkzaamheden omvat die aan alle jeugdigen worden aangeboden. De uitkering, bedoeld in artikel 2 van de Regeling, ziet derhalve op alle jeugdigen. In de toelichting op de Regeling zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de uitkering slechts bedoeld is voor de 0- tot 4-jarigen. Dat volgens de Stichting uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Regeling blijkt dat het de bedoeling is geweest de uitkering volledig in te zetten voor de 0- tot 4-jarigen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is, gelet op de tekst van de Regeling en de toelichting daarop, terecht tot het oordeel gekomen dat het college in beginsel de vrijheid heeft de uitkering op grond van de Regeling ook ten behoeve van de jeugdgezondheidszorg voor de groep van 4- tot 19-jarigen aan te wenden. Het betoog faalt derhalve.

2.5.    De Stichting betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen, omdat de jaren 2003 en 2004, waarin de Stichting wel de gehele uitkering heeft ontvangen, anders dan het jaar 2005, door het college zijn aangemerkt als overgangsjaren.

2.5.1.    De gemeenten van de regio Zuid-Holland Noord, waaronder Zoeterwoude, hebben in het kader van de verschuivingen in de jeugdgezondheidszorg een Stuurgroep integrale Jeugdgezondheidszorg (hierna: de Stuurgroep) opgericht. Het college heeft - na een oproep daartoe van de Stuurgroep - de jaren 2003 en 2004 beschouwd als overgangsjaren, waarin de werkzaamheden van de Stichting niet worden gesubsidieerd op basis van een productbegroting, maar de Stichting de gehele uitkering ontvangt, teneinde haar in de gelegenheid te stellen haar werkwijze aan te passen aan de nieuwe wijze van bekostiging. Vast staat dat de Stuurgroep niet bevoegd was namens het college toezeggingen te doen, zodat de Stichting aan de oproep van de Stuurgroep ook het jaar 2005 te beschouwen als overgangsjaar, niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat zij in het jaar 2005 de gehele uitkering als subsidie zou ontvangen. Nu het college naar aanleiding van de oproep van de Stuurgroep ook niet de toezegging heeft gedaan dat hij het jaar 2005 als overgangsjaar beschouwd, is in zoverre evenmin sprake van een door het college bij de Stichting gewekte gerechtvaardigde verwachting. Het betoog slaagt niet.

2.6.    Het college betoogt - samengevat weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gemeente niet in redelijkheid zijn beleidsvrijheid heeft kunnen gebruiken om de subsidieverlening te bepalen op de door hem berekende kostprijs van het uniform deel van het basistakenpakket over 2005.

2.6.1.    Dit betoog faalt. Vooropgesteld moet worden dat het college niet gehouden is de aanvraag van de Stichting zonder meer te honoreren. De rechtbank heeft evenwel terecht overwogen dat het college niet zonder nader onderzoek en nadere motivering voorbij heeft kunnen gaan aan de door de Stichting gegeven onderbouwing van de begroting over 2005. De kostprijsberekening die de Stichting in haar aanvraag heeft gehanteerd, zoals vermeld in de daarbij gevoegde productbegroting 2005, is gebaseerd op een regionale aanpak in de regio Zuid-Holland Noord. Daarbij is niet uitgegaan van de werkelijke kosten van jeugdzorg per kind in de afzonderlijke gemeenten, maar van gemiddelde kosten van jeugdzorg per kind op basis van alle kosten voor de jeugdzorg van alle deelnemende gemeenten tezamen. Het college heeft de subsidie niet in redelijkheid kunnen baseren op de totale werkelijke kosten van de producten voor de gemeente Zoeterwoude, zoals vermeld in de productbegroting 2005, zonder daarbij ook uit te gaan van de werkelijke kosten van de jeugdzorg per kind in Zoeterwoude. Het college heeft zich daarbij ook niet op het standpunt kunnen stellen dat het mocht uitgaan van de bij de aanvraag overgelegde productbegroting en dat het aan de Stichting was de consequenties van de gewijzigde financieringsstromen in de tariefstelling te verwerken, nu het college niet tevoren heeft aangegeven dat bij de verlening van de subsidie, anders dan in de subsidiejaren 2003 en 2004, zou worden uitgegaan van de werkelijke totale kosten van de producten voor de gemeente Zoeterwoude. Bij verlening van de subsidie op grond van de werkelijke kosten had het college de Stichting kunnen verzoeken een begroting in te dienen gebaseerd op de werkelijke kosten voor de jeugdzorg per kind in Zoeterwoude. Nu het college dit heeft nagelaten en ook niet heeft gemotiveerd waarom zij in afwijking van de aanvraag is uitgegaan van de totale productkosten voor Zoeterwoude op basis van de gemiddelde kindprijs, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college niet in redelijkheid aldus op de aanvraag heeft kunnen beslissen en dat het besluit in zoverre ook onvoldoende is gemotiveerd.

2.7.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Het college dient ten aanzien van de Stichting op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders tot vergoeding van bij de Stichting in verband met de behandeling van het hoger beroep van het college opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zoeterwoude aan de Stichting onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Groenendijk

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007

362


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature