< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Het geschil betreft uitsluitend nog de vraag of de door belanghebbende aan F doorberekende bedragen de vergoeding vormen voor door belanghebbende jegens F verrichte belaste prestaties.

Uitspraak



BELASTINGKAMER

Nr. 01/02005

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

UITSPRAAK

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tweede meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van die dienst, die met ingang van 1 januari 2003 ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op haar bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslag en boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 19 december 2000 onder aanslagnummer 00.00.000.F.01.9506 over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van fl. 92.715,=. Tegelijkertijd is aan belanghebbende ter zake van deze naheffingsaanslag bij beschikking een boete opgelegd van fl. 9.271,=.

Na tijdig door belanghebbende tegen die naheffingsaanslag en die beschikking gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur -na belanghebbende op 5 april 2001 op de voet van het bepaalde in artikel 7:2 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) over haar bezwaar te hebben gehoord- bij in één geschrift vervatte uitspraken van 27 juni 2001 de naheffingsaanslag en de boete verminderd tot onderscheidenlijk fl. 76.594,= en fl. 7.659,=.

1.2. Tegen deze uitspraken is belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de Griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van fl. 450,= (€ 204,20).

De Inspecteur heeft het beroep bij verweerschrift bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer A te Y, directeur van belanghebbende, mevrouw mr. B, belastingadviseur te C, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw mr. D, verbonden aan het vorengenoemde onderdeel van de rijksbelastingdienst.

Belanghebbende heeft tijdens deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de vijf bij deze pleitnota behorende bijlagen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Vaststaande feiten

Blijkens de stukken van het geding en de verklaringen van partijen tijdens het onderzoek ter zitting staat tussen partijen het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is met ingang van 13 september 1993 ingeschreven in het bij artikel 3 van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf ingestelde en door de Sociaal-Economische Raad gehouden register van tussenpersonen. Haar activiteiten bestaan met name uit het optreden als assurantietussenpersoon voor truckdealers en transportbedrijven. De directie van belanghebbende bestaat uit de heer A voornoemd en de heer E.

2.2. Bij notariële akte van juni 1999 is F B.V. opgericht. De (middellijke) aandeelhouders van belanghebbende zijn tevens aandeelhouder van F B.V.; daarnaast is ook een derde voor 25% aandeelhouder van F B.V.. De bedrijfsactiviteiten van F (B.V. i.o.) zijn omstreeks april 1998 aangevangen. Zij is met ingang van augustus 1998 ingeschreven in het onder 2.1 bedoelde register van assurantietussenpersonen. Haar activiteiten bestaan met name uit het optreden als assurantietussenpersoon voor transportbedrijven. Haar directeur is de heer A.

2.3. In het jaar 1998 beschikte F B.V. i.o. in het geheel niet over eigen personeel, terwijl zij c.q. F B.V. (beiden hierna aan te duiden als: F) in het eerste kwartaal van 1999 over één en in het tweede en derde kwartaal van 1999 over drie werknemers beschikte. Mede in verband hiermede maakte F in de periode april 1998 tot en met 30 september 1999 gebruik van het kantoor, het personeel en de overige faciliteiten van belanghebbende. In dit kader verrichtten werknemers van belanghebbende ten behoeve van F activiteiten op het gebied van directievoering, buitendienst, verkoop binnendienst, afhandeling van schades, polisadministratie en systeembeheer/administratie. De desbetreffende, volgens verschillende methodieken berekende personeelskosten zijn door belanghebbende zonder winstopslag doorberekend aan F. Daarnaast heeft belanghebbende aan F bedragen doorberekend ter zake van huisvesting, kantoorbenodigdheden, afschrijving van vaste activa, telefoon/fax, porti, fotokopieën enz. (in de stukken ook wel aangeduid als overhead).

Met betrekking tot deze doorberekende kosten heeft belanghebbende aan F geen omzetbelasting in rekening gebracht. Ook heeft belanghebbende te dezer zake geen omzetbelasting aangegeven en/of voldaan.

2.4. De onder 2.3 vermelde werknemers van F hebben ook werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende verricht. De aan deze werkzaamheden toe te rekenen loonkosten van deze werknemers zijn door F zonder winstopslag doorberekend aan belanghebbende.

2.5. Bij brief van 10 november 1998 hebben belanghebbende en F aan de Inspecteur verzocht om hen op de voet van het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) als één ondernemer aan te merken. Bij beschikking van 31 maart 1999 heeft de Inspecteur dit verzoek afgewezen. Het tegen deze afwijzing door belanghebbende en F gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak van 13 juli 1999 eveneens afgewezen. Deze uitspraak staat onherroepelijk vast.

2.6. Naar aanleiding van de bevindingen bij een in zijn opdracht bij belanghebbende ingesteld onderzoek naar de naleving van de wettelijke bepalingen op het gebied van de omzetbelasting, heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende ter zake van de onder 2.3 vermelde doorberekening van personeels- en overheadkosten omzetbelasting is verschuldigd. In verband daarmede heeft hij belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd, welke, na bezwaar, is berekend als volgt: 17,5/117,5 x (fl. 383.331,= doorberekende personeelskosten plus fl. 130.951,= doorberekende overheadkosten is) fl. 514.282,= is, afgerond, fl. 76.594,=.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Nadat de Inspecteur zich in zijn verweerschrift op het standpunt heeft gesteld dat achteraf bezien de boete ten onrechte is opgelegd en belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting, in afwijking van het gestelde op pagina 5, onder 3.3, van de motivering van het beroepschrift van 1 oktober 2001, uitdrukkelijk heeft verklaard in deze procedure niet alsnog aanspraak te maken op pro rata aftrek van voorbelasting, betreft het geschil uitsluitend nog de vraag of de onder 2.3 bedoelde, door belanghebbende aan F doorberekende bedragen de vergoeding vormen voor door belanghebbende jegens F verrichte belaste prestaties.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zij voert daartoe primair aan dat tussen haar en F een zodanige mate van verwevenheid bestaat dat geen sprake kan zijn van door haar jegens F in het economische verkeer verrichte prestaties. Subsidiair is belanghebbende van oordeel dat haar onder 2.3 bedoelde, ten behoeve van F verrichte activiteiten zijn aan te merken als diensten van een verzekeringstussenpersoon als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet en derhalve zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

De Inspecteur is van oordeel dat de vorenvermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Naar zijn mening zijn belanghebbende en F weliswaar in zekere mate met elkaar verweven, doch zijn zij desalniettemin beiden voor de omzetbelasting als zelfstandige ondernemer aan te merken, strekten de door belanghebbende ten behoeve van F verrichte activiteiten ter wille van de daarmede gemoeide economische belangen en zijn deze derhalve verricht in het economische verkeer en is op deze activiteiten de door belanghebbende ingeroepen vrijstelling niet van toepassing.

3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waaronder de onder 1.3 vermelde pleitnota, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Gelet op de sterke mate van verwevenheid tussen belanghebbende en F, zijn de litigieuze activiteiten van belanghebbende niet verricht in het economische verkeer maar binnen de eigen kring. Niet wordt gesteld dat belanghebbende en F zodanig met elkaar zijn verweven dat zij als een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet zijn aan te merken.

De in de bezwaarfase verdedigde stelling dat sprake is van rechtstreeks voor gemene rekening gemaakte kosten, wordt niet gehandhaafd.

Uitdrukkelijk wordt verklaard dat in afwijking van het gestelde op pagina 5, onder 3.3, van de motivering van het beroepschrift van 1 oktober 2001, in deze procedure niet alsnog aanspraak wordt gemaakt op pro rata aftrek van voorbelasting.

Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb . Uitsluitend wordt aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de aan belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief.

De Inspecteur

De onderhavige activiteiten van belanghebbende bestonden uitsluitend uit het door haar aan F ter beschikking stellen van personeel en faciliteiten, waarna F met behulp van dat personeel en die faciliteiten zelf diensten als tussenpersoon verrichtte.

Geen aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van proceskosten.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de bestreden uitspraken en tot vernietiging van de naheffingsaanslag en van de boetebeschikking.

De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep voor wat betreft de boete, tot vernietiging van de uitspraak inzake de boete en van de boetebeschikking, en tot ongegrondverklaring van het beroep voor het overige.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of tussen belanghebbende en F een zodanige mate van verwevenheid bestaat dat geen sprake kan zijn van door belanghebbende jegens F in het economische verkeer verrichte prestaties.

4.2. Het Hof stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting heeft verklaard dat niet wordt gesteld dat zij en F zodanig met elkaar zijn verweven dat zij als een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet zijn aan te merken. Bovendien heeft de Inspecteur het door belanghebbende en F bij brief van 10 november 1998 gedane verzoek om op de voet van evenvermelde bepaling als één ondernemer te worden aangemerkt, bij onherroepelijk vaststaande uitspraak van 13 juli 1999 afgewezen.

4.3. Uit de vaststaande feiten volgt weliswaar dat tussen belanghebbende en F verwevenheid bestaat op het gebied van aandeelhouders en directie en dat zij ten aanzien van dezelfde of een aanverwante doelgroep dezelfde economische activiteiten verrichten, doch dit een en ander neemt niet weg dat belanghebbende en F van elkaar te onderscheiden entiteiten zijn die elk zelfstandig economische activiteiten verrichten. Niet kan derhalve worden gezegd dat F tot de eigen kring van belanghebbende behoort. Nu bovendien de onder 2.3 bedoelde, door belanghebbende ten behoeve van F verrichte activiteiten strekten ter wille van de daarmede gemoeide economische belangen, zijn deze activiteiten aan te merken als te zijn verricht in het economische verkeer.

4.4. Met betrekking tot de onder 4.1 vermelde vraag is het gelijk derhalve aan de zijde van de Inspecteur. Alsdan betreft het geschil vervolgens de vraag of de onder 2.3 bedoelde, door belanghebbende ten behoeve van F verrichte prestaties zijn aan te merken als diensten van een tussenpersoon als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet.

4.5. Met betrekking tot deze vraag heeft de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting gesteld dat de evenbedoelde prestaties uitsluitend bestonden uit het door belanghebbende aan F ter beschikking stellen van personeel en faciliteiten en dat F met behulp van dat personeel en die faciliteiten zelf diensten als tussenpersoon verrichtte.

4.6. Belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van het Hof onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat evenvermelde stelling van de Inspecteur onjuist is. Dit laatste brengt met zich dat de onder 4.4, tweede volzin, vermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord.

4.7. Gelet op het vorenstaande is het beroep voor wat betreft de nageheven belasting ongegrond, terwijl het beroep gelet op het in de eerste zinsnede van 3.1 vermelde standpunt van de Inspecteur gegrond is voor wat betreft de opgelegde boete.

5. Proceskosten en griffierecht

5.1. In de omstandigheid dat het beroep (gedeeltelijk) gegrond is, vindt het Hof, nu bijzondere omstandigheden niet zijn gesteld of gebleken, aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Belanghebbende heeft uitsluitend aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van de haar in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief. Het Hof stelt deze kosten vast op 2 (punten wegens proceshandelingen) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is € 966,=. Nu de onderhavige zaak in de zin van artikel 3 van evengenoemd besluit samenhangt met de bij het Hof onder nr. 01/02006 aanhangige zaak inzake F B.V., in welke zaak het Hof heden eveneens uitspraak doet, zal het Hof in elk van deze beide zaken een proceskostenvergoeding toekennen van 1/2 x € 966,= is € 483,=.

5.2. De omstandigheid dat het beroep (gedeeltelijk) gegrond is, brengt, gelet op het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb , met zich dat aan belanghebbende het door haar voor deze zaak betaalde griffierecht ad fl. 450,= (€ 204,20) dient te worden vergoed.

6. Beslissing

Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als volgt:

Het Hof

* verklaart het beroep ongegrond voor wat betreft de nageheven belasting en gegrond voor wat betreft de opgelegde boete;

* vernietigt de uitspraak inzake de boete, alsmede de boetebeschikking;

* veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 483,=;

* gelast dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht ad fl. 450,= (€ 204,20) wordt vergoed; en

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten en het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan op 23 juni 2006 door J.A. Meijer, voorzitter, P. Fortuin en G.D. van Norden, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 23 juni 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature