< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Deze zaak betreft een verzoek ex art. 237 lid 4 BW tot het begroten van nakosten die verbonden zijn aan de uitspraak van een tussen verzoeker en verweerder gewezen vonnis en daarvoor een bevelschrift af te geven. De kantonrechter oordeelt dat een bevelschrift tot betaling van nakosten zal worden gegeven.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

sector kanton

BEVELSCHRIFT ex artikel 237 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WEHKAMP B.V.,

gevestigd te Zwolle,

verzoekster,

gemachtigde: M.G. de Jong, gerechtsdeurwaarder te Arnhem,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. J.H. Beek, advocaat te Capelle aan den IJssel.

Partijen worden hierna aangeduid als Wehkamp respectievelijk [verweerder].

1. De processtukken en het procesverloop

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 13 februari 2006, heeft Wehkamp verzocht de na de uitspraak van het vonnis tussen partijen d.d. 10 juli 2003 gevallen kosten overeenkomstig artikel 237 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te begroten en daarvoor een bevelschrift af te geven.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend strekkende tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van Wehkamp in de kosten van het geding.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 april 2006. Namens Wehkamp is verschenen dhr. W. Kistemaker en namens [verweerder] is verschenen mr. J.H. Beek voornoemd. Beide partijen zijn gehoord. Van de zijde van Wehkamp is ter zitting een overzicht betreffende de na de uitspraak verrichte werkzaamheden overgelegd.

Met partijen is ter zitting afgesproken de zaak pro forma tot 1 januari 2007 aan te houden in verband met de inmiddels in gang gezette landelijke afstemming.

Bij schrijven van 18 mei 2006 heeft mr. J.H. Beek verzocht uitspraak te doen, aangezien partijen bedoelde afstemming niet willen afwachten. De kantonrechter gaat van dit laatste uit.

2. De vaststaande feiten

2.1 Bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam d.d. 10 juli 2003 (477231 CV EXPL 03-15507; verder aan te duiden als: het vonnis) is [verweerder] bij verstek veroordeeld tot betaling van hetgeen in de inleidende dagvaarding, betekend op 28 april 2003, van hem werd gevorderd. Tevens is [verweerder] daarbij veroordeeld in de proceskosten, vastgesteld op € 232,70 aan verschotten en € 135,- aan gemachtigdensalaris.

2.2 Op 11 augustus 2003 is het vonnis aan [verweerder] betekend. Daarbij is bevel gedaan om aan de inhoud van het vonnis te voldoen. [verweerder] heeft aan dit bevel geen gevolg gegeven.

2.3 Nadat op 14 mei 2004 beslag is gelegd onder de werkgever van [verweerder], heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen de na de uitspraak gevallen kosten.

3. Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 Wehkamp heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat het bedrag aan na de uitspraak gevallen kosten dient ter dekking van de kosten van haar gemachtigde van het lichten en bestuderen van het vonnis, overleg met haar over het vonnis en incasso van het bedrag van de kostenveroordeling. Ter zitting heeft Wehkamp een chronologisch overzicht van de in de onderhavige zaak na de uitspraak door haar gemachtigde verrichte werkzaamheden overgelegd. Zij geeft aan dat het hier kosten betreft die niet ingevolge artikel 237 lid 4 Rv bij het vonnis zijn bepaald.

3.2 Wehkamp begroot de na de uitspraak gevallen kosten op € 67,50 (de helft van het in het vonnis gehanteerde tarief van het gemachtigdensalaris) en stelt dat dit een algemeen aanvaard forfaitair tarief is.

4. Het verweer

[verweerder] heeft zich verzet tegen betaling van de gestelde kosten. Hij heeft ten verwere aangevoerd dat sprake is van een nodeloze verhoging van de executiekosten, nu alle kosten van de deurwaarder na het vonnis worden doorberekend. [verweerder] stelt dat onduidelijk is wat moet worden verstaan onder het lichten van het vonnis, dat overleg met de cliënt niet noodzakelijk is en dat de incasso van de proceskosten parallel loopt met die van de hoofdsom en de rente. Het feit dat er in termijnen wordt betaald is afgedekt door artikel 3 van het Besluit Tarieven Ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders , aldus [verweerder].

5. De beoordeling

5.1 Ingevolge artikel 237 lid 4 Rv dienen op het onderhavige verzoek van Wehkamp de na de uitspraak ontstane kosten te worden begroot door de rechter die het vonnis heeft gewezen. Het vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.F.L.M. van der Grinten, doch als zodanige rechter wordt in ruimere zin beschouwd de kantonrechter te Rotterdam.

Wehkamp is in haar verzoek ontvankelijk, nu zij de partij is in het voordeel van wie de kostenveroordeling in het vonnis is uitgesproken.

5.2 Voormeld vonnis bevat geen titel voor het executeren van nà de uitspraak doch vóór executie ontstane kosten in verband met werkzaamheden ter incasso buiten de procedure (de zogeheten nakosten, die doorgaans betrekking zullen hebben op de kosten van betekening van het vonnis aan de wederpartij en op het nasalaris van de gemachtigde). Noch veroordeling in de buitengerechtelijke kosten noch veroordeling in de proceskosten levert de daartoe vereiste titel op. De nakosten zijn op het moment van de uitspraak niet bekend, omdat niet bekend is welke incassowerkzaamheden verricht dienen te worden, zodat deze nakosten niet in het vonnis bepaald kunnen worden.

Voorts maken deze nakosten, anders dan [verweerder] lijkt te menen, geen deel uit van de executiekosten. Voor de executiekosten geldt een afzonderlijke verhaalsregeling, die erop neerkomt dat die kosten uit de bruto-opbrengsten van de executie worden voldaan.

Nakosten als bedoeld in artikel 237 Rv zijn juist de kosten die gemoeid zijn met de pogingen van de winnende partij om in der minne, dus zonder executiemaatregelen, betaling van het haar toegewezen bedrag te verkrijgen.

5.3 Bij beoordeling van de vraag of er aanleiding bestaat voor toekenning van nasalaris in kantonzaken, stelt de kantonrechter voorop dat die vraag in zijn algemeenheid ontkennend beantwoord moet worden. Zoals ook in de literatuur algemeen wordt aanvaard (vide onder meer G. Wind “nasalaris” in Executief 2003 nr. 6 p. 93 e.v.) is in de hedendaagse incassopraktijk een verregaande mate van standaardisering en automatisering bereikt. Derhalve is er in het moderne incassobedrijf, waarin kantonzaken behandeld worden, in zijn algemeenheid geen sprake van werkzaamheden die toekenning van nasalaris zouden kunnen rechtvaardigen. Werkzaamheden verband houdende met het ontvangen van een vonnis, het mededelen aan en het bespreken van de inhoud met de cliënt en de voorbereiding door de gemachtigde van de betekening en executie van dat vonnis, kunnen voorts naar het oordeel van de kantonrechter niet worden aangemerkt als zodanig reële en noemenswaardige diensten dat deze als factoren voor nakosten in aanmerking genomen kunnen worden, nog daargelaten de vraag of die werkzaamheden niet onder de proceskosten moeten worden gebracht, waarvoor bij het vonnis al een vergoeding is toegekend aan Wehkamp.

5.4 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de kantonrechter af dat de gemachtigde van Wehkamp in dìt geval daadwerkelijk de gestelde werkzaamheden die nakosten met zich brengen, heeft uitgevoerd, omdat het hier werkzaamheden betrof die voldoende substantieel zijn om het geldelijk beloop van de bijbehorende nakosten bij bevelschrift te begroten. Ter zitting is gebleken - en [verweerder] heeft dat niet bestreden - dat de nakosten voornamelijk zijn ontstaan doordat de getroffen betalingsregeling niet is nagekomen.

5.5 De kantonrechter zal de kosten begroten volgens een forfaitair tarief, overeenkomend met een half salarispunt van het in het vonnis toegepaste liquidatietarief, ongeacht het aantal verrichtingen, met een maximum te begroten bedrag van € 100,-.

In het vonnis is een liquidatietarief van € 135,- toegepast, hetgeen een te begroten kostenbedrag van € 67,50 oplevert.

5.6 De kantonrechter acht geen termen aanwezig om de ene partij de proceskosten van de andere partij te laten vergoeden.

6. De beslissing

De kantonrechter:

begroot de kosten gevallen na de uitspraak als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv in de zaak met zaaknummer 477231 CV EXPL 03- 15507 op € 67,50 (zegge: zevenenzestig euro en vijftig cent) en beveelt de tenuitvoerlegging hiervan;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.L. van Zetten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature