< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aegon -zaak. Aandelenlease. Aansprakelijkheid voor hulppersonen. Wet op consumentenkrediet. Ontbreken WCK-vergunning. Geen schending zorgplicht.

Uitspraak



RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 181355 \ CV EXPL 05-5733

vonnis van de kantonrechter d.d. 1 augustus 2006

inzake

[eiseres],

hierna te noemen: [eiseres],

wonende te Baak,

eiseres,

procederende met voorwaardelijke toevoeging,

gemachtigde: mr. M.E. Bosman,

tegen

de besloten vennootschap Aegon Financiële Diensten B.V.,

hierna te noemen: Aegon,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

gemachtigden: mr. B.W.G van der Velden en mr. H.J. van der Baan.

Procesverloop

1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft [eiseres] gevorderd:

primair: 1. voor recht te verklaren dat de onderhavige overeenkomst onder nummer

60000290 nietig is dan wel vernietigd dan wel ontbonden is dan wel bij de

gevorderde uitspraak de onderhavige overeenkomst te vernietigen dan wel te

ontbinden;

2. Aegon te veroordelen aan [eiseres] te voldoen wat door haar gedurende de

looptijd van de effectenlease-overeenkomst is voldaan, te vermeerderen met de

wettelijke rente ingaande het tijdstip van betaling ervan, daarnaast kwijtschelding van

de restschuld zoals deze is ontstaan na het expireren van de overeenkomst;

subsidiair: 3. voor recht te verklaren dat Aegon ten opzichte van [eiseres] toerekenbaar tekort

is geschoten in de uitvoering van de onderhavige overeenkomst onder nummer

60000290 en dat Aegon deswege aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende

schade jegens [eiseres] en dat Aegon deze schade aan [eiseres] volledig dient te

vergoeden;

meer subsidiair:4. voor recht te verklaren dat Aegon onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte

van [eiseres] en dat Aegon deswege aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende

schade jegens [eiseres] en dat Aegon deze schade aan [eiseres] volledig dient te

vergoeden;

subsidiair en meer subsidiair: 5. voor recht te verklaren dat deze schadevergoeding als volgt

berekend moet worden:

a. alsnog kwijtschelding van de restschuld van [eiseres] alsmede van haar

gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten, zoals die aan het einde van de

onderhavige overeenkomst zijn ontstaan;

b. terugbetaling van het totaal van de gedurende de looptijd van de

effectenlease-overeenkomst door [eiseres] aan Aegon betaalde bedrag;

c. vergoeding aan [eiseres] van de wettelijke rente over het onder 5b bedoelde

bedrag, zulks vanaf de datum van betaling ervan,

met veroordeling van Aegon in de proceskosten.

Aegon heeft bij antwoord de vordering betwist.

Na repliek, dupliek en een akte uitlating producties is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Door [eiseres] en Aegon zijn producties in het geding gebracht.

Motivering

De feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.1. [eiseres] heeft op 5 september 2001 een ingevuld aanvraagformulier voor het RenteRetour Vliegwiel aan Aegon verzonden. Daarbij is als tussenpersoon/adviseur opgetreden B&O Financieel Advies. Op het aanvraagformulier staat een maandtermijn van

f. 100,-- ingevuld.

2.2. Aegon heeft een (concept-)overeenkomst gedateerd 7 september 2001 aan [eiseres] gezonden, welke overeenkomst [eiseres] heeft ondertekend en aan Aegon retour heeft gezonden. Daarmee hebben partijen een lease-overeenkomst gesloten onder de naam "RenteRetour Vliegwiel" onder nummer 60000290 (hierna te noemen de overeenkomst).

2.3. De overeenkomst bepaalt onder meer:

"1. Cliënt neemt van Aegon in lease, gelijk deze aan cliënt in lease verstrekt, de hierna te noemen deelnemingsrechten (…) in het Aegon Optimum Wereld Aandelen Fonds.

aankoop-/valutadatum: 07-09-2001

(…)

totaal aankoopbedrag (…) € 3.694,59 (f. 8.141,80)

toekomstige administratiekosten (…) € 817,20

totaal te betalen rente (…) € 3.656,97

totaal overeengekomen leasesom € 8.168,40 (f. 18.000,78)

2. De Vliegwiel-overeenkomst wordt aangegaan voor een vaste periode van 180 maanden (leaseperiode) te rekenen vanaf de aankoopdag van de participaties, behoudens tussentijdse opzegging.

3. De leasesom wordt terugbetaald in 180 gelijke termijnen van € 45,38 (f. 100,00).

(…).

4. Cliënt kan deze Vliegwiel-overeenkomst door schriftelijke opgave na 90 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder dat boeterente verschuldigd is, beëindigen, onder betaling of verrekening van het nog niet terugbetaalde deel van de hoofdsom. (…).

(…)

7. Aan het einde van de looptijd heeft cliënt de keuze om de deelnemingsrechten te verkopen of aan te houden op een geblokkeerde beleggingsrekening bij Aegon Bank N.V. op naam van cliënt. Als cliënt kiest om de deelnemingsrechten direct te verkopen, ontvangt cliënt een bonus in contanten van 5% van de totale betaalde rente uit hoofde van deze overeenkomst. Indien cliënt kiest voor het aanhouden van de deelnemingsrechten op een geblokkeerde beleggingsrekening bij Aegon Bank N.V. op zijn naam kan hij een hogere bonus opbouwen. De hoogte van de bonus is afhankelijk van het moment van verkoop van (een deel van) de deelnemingsrechten (…) Na 5 perioden van 12 maanden ontvangt cliënt een bonus van 100% van de totale betaalde rente uit hoofde van deze overeenkomst. (…).

(…)

10. De cliënt verklaart door ondertekening van deze overeenkomst bekend te zijn met de Bijzondere Voorwaarden Aegon RenteRetour Vliegwiel van Aegon zoals die zijn bijgeleverd, alsmede de toepasselijkheid daarvan op deze overeenkomst te aanvaarden. De cliënt verklaart tevens kennis te hebben genomen van deze overeenkomst, de bijbehorende Bijzondere Voorwaarden en de brochure, de inhoud hiervan volledig te hebben begrepen en volledig op de hoogte te zijn van de rechten en verplichtingen en de risico's verbonden aan het leasen van de deelnemingsrechten. De cliënt aanvaardt deze rechten en verplichtingen en risico's ten volle en verbindt zich hierbij geen verplichtingen op zich te nemen welke zijn financiële draagkracht te boven gaan. De cliënt staat ervoor in mogelijke uit deze overeenkomst voortvloeiende verliezen te kunnen dragen.".

2.4. [eiseres] heeft op 4 juli 2005 - naar aanleiding van een verzoek van haar om haar te informeren over de gevolgen van beëindiging van de overeenkomst - een pro-forma berekening van Aegon ontvangen. Op 6 juli 2005 heeft [eiseres], door ondertekening en terugzending van de antwoordcoupon, de overeenkomst beëindigd.

2.5. Aegon heeft [eiseres] op 11 juli 2005 een bevestiging van de beëindiging en een eindnota doen toekomen. Verkoop van de participaties resulteerde in een positief resultaat van € 250,88. Daarnaast was [eiseres] vanwege de voortijdige beëindiging van de overeenkomst een boeterente van € 599,02 verschuldigd. De verrekening van deze bedragen resulteerde in een door [eiseres] verschuldigd bedrag van € 348,14.

2.6. [eiseres] heeft bij brief van haar gemachtigde van 3 augustus 2005 de vernietiging danwel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen.

De standpunten van partijen

3. Voor de standpunten van partijen verwijst de kantonrechter kortheidshalve naar de gedingstukken met producties. Die standpunten zullen - voor zover van belang - hierna kort uiteengezet worden.

De beoordeling

tussenpersoon

4.1. [eiseres] stelt - onder verwijzing naar de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 - dat Aegon verantwoordelijk is voor de handelingen en uitlatingen van de tussenpersoon.

4.2. Aegon betwist dat [eiseres] zich kan beroepen op de uitlatingen van de tussenpersoon die door [eiseres] zelf is ingeschakeld en dus is opgetreden als haar adviseur. De tussenpersoon handelt in opdracht van de belegger en niet van de aanbieder. Ook de situatie waarin de tussenpersoon zich beperkt tot het bemiddelen bij het sluiten van de overeenkomsten tussen een belegger en een aanbieder van een effectenleaseproduct valt buiten de reikwijdte van artikel 6: 76 BW .

4.3. De kantonrechter is van oordeel dat, anders dan Aegon meent, er wel aanleiding is om - gelijk de Commissie van Beroep DSI heeft gedaan - bij beantwoording van de vraag of een effecteninstelling aansprakelijk is voor gedragingen van een hulppersoon die zij heeft ingeschakeld bij het tot stand komen van overeenkomsten als de onderhavige aansluiting te zoeken bij het bepaalde in art. 6:76 BW, te weten dat de schuldenaar die bij de uitvoering van een verbintenis gebruik maakt van andere personen, voor hun gedragingen op gelijke wijze aansprakelijk is als voor eigen gedragingen. Wanneer een effecteninstelling zich bij het aangaan van overeenkomsten van de bemiddeling van een tussenpersoon bedient, komen de gevolgen van gedragingen van deze tussenpersoon, tekortkomingen daaronder begrepen, op gelijke wijze voor rekening van de opdrachtgever als de gevolgen van zijn eigen gedragingen en tekortkomingen. Hierbij is niet van belang of de tussenpersoon al dan niet kan worden beschouwd als vertegenwoordiger van de opdrachtgever. Het gaat erom dat de bemiddeling geschiedt ten voordele van de opdrachtgever; nadelige gevolgen van gedragingen van de tussenpersoon behoren dan niet te worden afgewenteld op de wederpartij, maar dienen voor risico te komen van de opdrachtgever.

In het onderhavige geval heeft Aegon gebruik gemaakt van de diensten van B&O Financieel Advies als cliëntenremisier, die daarmee naar het oordeel van de kantonrechter de belangen van Aegon heeft behartigd. Dat B&O Financieel Advies, zoals Aegon heeft betoogd, is opgetreden als adviseur van [eiseres] is niet gebleken.

Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de als cliëntenremisier aangeduide tussenpersoon bij het totstandkomen van de overeenkomst heeft bemiddeld in opdracht en ten gunste van Aegon. Aegon dient daarom voor de gedragingen van deze tussenpersoon op gelijke wijze in te staan als voor eigen gedragingen.

dwaling

5.1.1. [eiseres] heeft bij dagvaarding gesteld dat zij onjuiste informatie heeft ontvangen althans dat zij onvoldoende is geïnformeerd omtrent de inhoud en de consequenties van de overeenkomst. Zij heeft wel de brochure van Aegon betreffende het onderhavige product ontvangen, maar zij is op geen enkele wijze door de tekst van de brochure, de overeenkomst en de bijzondere voorwaarden gewezen op de mogelijkheid dat haar inleg volledig verloren zou kunnen gaan en dat zij er zelfs een schuld aan zou kunnen overhouden. Het had op de weg van Aegon gelegen om [eiseres] uitvoerig omtrent de aan de overeenkomst verbonden risico's voor te lichten. [eiseres] is daarentegen door de cliëntenremisier voorgehouden dat de onderhavige overeenkomst een spaarproduct betrof. Deze spaarvorm kon wel een rendement van 15% behalen en de op de overeenkomst te behalen winst kon na 7,5 jaar verzilverd worden.

Bij een juiste voorstelling van zaken voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst zou [eiseres] de onderhavige overeenkomst niet gesloten hebben.

5.1.2. Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] betwist de brochure te hebben ontvangen. Voorts heeft [eiseres], voor zover vereist, met een beroep op artikel 6: 236k BW de vernietigbaarheid van artikel 10 van de overeenkomst ingeroepen.

5.2. Aegon stelt dat [eiseres] bij het aangaan van de overeenkomst beschikte over de (concept)overeenkomst, de bijzondere voorwaarden en de brochure over het RenteRetour Vliegwiel. Onder verwijzing naar artikel 10 van de overeenkomst heeft Aegon aangevoerd dat [eiseres] haar bekendheid met het informatiemateriaal heeft bevestigd bij ondertekening van de overeenkomst.

Aegon heeft uitvoerig betoogd dat de kenmerken en de risico's van het RenteRetour Vliegwiel voldoende blijken uit dit informatiemateriaal.

Van een onjuiste voorstelling van zaken is volgens Aegon dan ook geen sprake. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat aandelenkoersen dalen en stijgen.

Aegon heeft er voorts op gewezen dat bij het RenteRetour Vliegwiel - behoudens bij tussentijdse beëindiging - het risico van een restschuld niet bestaat, omdat de lening gedurende de looptijd van de overeenkomst door de maandelijkse betaling geleidelijk wordt afgelost. Na het verstrijken van de looptijd van 15 jaar kan de belegger dus in ieder geval geen restschuld overhouden. Daarnaast bestaat bij het RenteRetour Vliegwiel de mogelijkheid om de betaalde rente terug te verdienen. Indien de belegger de participaties na het einde van de looptijd van het RenteRetour Vliegwiel niet direct verkoopt, maar nog vijf jaar aanhoudt, ontvangt hij/zij de gehele over de door Aegon verstrekte lening betaalde rente retour, terwijl hij/zij de lening ook al heeft afbetaald. Per saldo houdt hij/zij dan altijd een positief saldo over, bestaande uit de waarde van de participaties op dat moment.

[eiseres] heeft zelf, door de tussentijdse beëindiging onnodig een "restschuld" gecreëerd en de contractueel verschuldigde boete verbeurd.

5.3. De kantonrechter is van oordeel dat het door [eiseres] gedane beroep op dwaling niet kan slagen en overweegt daartoe het volgende.

5.3.1. [eiseres] heeft bij dagvaarding uitdrukkelijk gesteld dat zij van de tussenpersoon een brochure betreffende het RenteRetour Vliegwiel heeft ontvangen. In de dagvaarding is ook uit die brochure geciteerd. Daarnaast staat in de door [eiseres] ondertekende overeenkomst onder artikel 10 uitdrukkelijk vermeld dat cli ënte (i.c. [eiseres]) verklaart kennis te hebben genomen van onder meer de brochure. De kantonrechter zal dan ook voorbij gaan aan het nadien opgeworpen verweer van [eiseres] dat zij de brochure niet heeft ontvangen. Eveneens zal het beding op vernietigbaarheid van artikel 10 van de overeenkomst op grond van artikel 6: 236k BW worden gepasseerd, nu het hier geen beding in de algemene voorwaarden betreft.

5.3.2. De brochure is door Aegon bij conclusie van repliek in het geding gebracht. Nadere bestudering van die brochure levert het volgende op. De brochure maakt onder meer melding van:

- "Beleggen met weinig geld en de rente retour",

- "Met Aegon RenteRetour Vliegwiel hoeft u niet langer over een eigen beginkapitaal te beschikken om toch te kunnen beleggen. (…) U betaalt slechts een bescheiden bedrag per maand aan aflossing, rente en administratiekosten (…). Dus in principe leent u geld, waarmee u door te beleggen kapitaal opbouwt en vervolgens uw betaalde rente retour krijgt." en voorts

- "U legt een vast maandbedrag in en als tegenprestatie financiert Aegon voor u een flink aantal participaties in het Aegon Optimum Wereld Aandelen Fonds," alsmede

- "Beleggen in effecten is niet zonder risico's. Er is altijd het risico van een koersdaling. (…). Met het RenteRetour Vliegwiel gaat u een lening aan om te beleggen. Hiermee loopt u het risico dat bij een tussentijdse beëindiging een schuld overblijft die u op dat moment uit eigen middelen moet voldoen. Beleggen in welke vorm dan ook, brengt risico's met zich mee."

en tenslotte onder de belangrijkste voordelen:

"Na twintig jaar alle betaalde rente retour (…),

Vanaf de eerste dag volledig profijt over het hele voor u belegde kapitaal,

Aegon belegt voor u in het Aegon Optimum Wereld Aandelen Fonds." .

Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat voor [eiseres] - ook al begreep zij de constructie van de aandelenlease wellicht niet (geheel) - voldoende kenbaar kon zijn dat er sprake was van het lenen van geld, het betalen van rente en het beleggen in aandelen. Deze informatie blijkt naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam uit de desbetreffende brochure.

Naast de informatie verstrekt in de brochure, zijn in de overeenkomst diverse bepalingen opgenomen, waaruit blijkt dat het hier ging om een lening die zou worden aangewend om participaties in het Aegon Optimum Wereld Aandelenfonds te kopen. In het bijzonder wijst de kantonrechter er op dat is vermeld dat [eiseres] een bedrag van € 3.656,97 betaalde aan rente. Het is een feit van algemene bekendheid dat banken rente in rekening brengen over een geldschuld.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het door Aegon verstrekte informatiemateriaal voor de gemiddelde oplettende lezer voldoende informatie bevat omtrent de aard van de overeenkomst en de eventuele daaraan verbonden financiële gevolgen.

Het verweer van [eiseres] dat haar is voorgehouden dat het ging om een vorm van sparen zal daarbij als ongegrond worden gepasseerd. [eiseres] heeft zelf bij dagvaarding aangegeven dat de tussenpersoon haar heeft voorgehouden dat door tegenvallende koersen van de onderliggende aandelen de opbrengst bij beëindiging van de overeenkomst kon tegenvallen. Tegen de achtergrond van die informatie acht de kantonrechter niet aannemelijk dat [eiseres] in de veronderstelling verkeerde dat het om een vorm van sparen ging.

5.3.3. Overigens is het gehele verweer van [eiseres] gebaseerd op een onjuiste uitleg van de overeenkomst. [eiseres] beroept zich op de risico's van een restschuld en verlies van haar inleg. Bij het RenteRetour Vliegwiel is de aflossing van de hoofdsom echter begrepen in de termijnbetalingen. Dit betekent dat [eiseres] na voldoening van de maandtermijnen, niet geconfronteerd kon worden met een schuld die de opbrengst van de aandelen oversteeg (de zogenaamde restschuld). Dit in tegenstelling tot vele andere aandelenlease-producten, waarbij dit risico wel aanwezig was. Bovendien kon [eiseres], indien zij na het verstrijken van de looptijd van 15 jaar de participaties op een geblokkeerde rekening zou zetten, de rente uiteindelijk volledig terug ontvangen.

Op [eiseres] rustte een onderzoeksplicht. Indien zij twijfelde over de strekking van de overeenkomst, had dit voor haar aanleiding moeten zijn daarover nadere vragen te stellen. Dat zij dit heeft gedaan is gesteld noch gebleken.

Voor zover er aan de zijde van [eiseres] al sprake mocht zijn geweest van dwaling omtrent de aard van de overeenkomst en de mogelijk daaraan verbonden risico's, dan dient dit voor haar rekening te blijven.

5.3.4. Het beroep van [eiseres] op vernietigbaarheid van de overeenkomst wegens dwaling faalt en de bijbehorende vordering zal derhalve worden afgewezen.

misbruik van omstandigheden

6.1.1. [eiseres] stelt voorts dat er sprake is van misbruik van omstandigheden. Zij heeft er daarbij op gewezen dat in deze zaak de professionele instelling en een onervaren consument tegenover elkaar staan: [eiseres] is door haar onervarenheid bewogen tot het aangaan van de overeenkomst. Op Aegon rustte de precontractuele zorgplicht om [eiseres], gezien haar onkunde, onervarenheid en lichtzinnigheid, te behoeden voor overhaaste stappen. De overeenkomst is veel te lichtvaardig tot stand gekomen en Aegon had [eiseres] voor de gevolgen ervan moeten waarschuwen.

6.1.2. [eiseres] betwist de stelling van Aegon dat de vordering tot vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden is verjaard. De vordering tot vernietiging verjaart drie jaar nadat de invloed van de misbruik van omstandigheden opgehouden heeft te bestaan. Pas vlak voor of op het moment dat [eiseres] de overeenkomst heeft vernietigd werd voor [eiseres] duidelijk dat er sprake was van misbruik van omstandigheden door Aegon.

6.2. Aegon betwist dat is voldaan aan de vereisten van misbruik van omstandigheden.

Zelfs indien er wel sprake zou zijn van misbruik van omstandigheden, dan geldt dat de vordering tot vernietiging is verjaard.

6.3. Van misbruik van omstandigheden is sprake wanneer iemand, die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Dat er aan de zijde van [eiseres] sprake was van bijzondere omstandigheden waarmee Aegon bekend was en waardoor [eiseres] tot het aangaan van de overeenkomst zou zijn bewogen, is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. Het enkele feit dat [eiseres] onervaren was op het gebied van beleggingen en desondanks toch de overeenkomst met Aegon is aangegaan, brengt niet met zich mee dat Aegon misbruik van de onervarenheid van [eiseres] heeft gemaakt. Bovendien is niet gebleken waarom Aegon [eiseres] van het aangaan van de overeenkomst had moeten weerhouden. De kantonrechter verwijst hierbij naar hetgeen onder rechtsoverweging 9.3.3. wordt overwogen.

Dit verweer van [eiseres] zal dan ook als ongegrond worden gepasseerd.

Wet op het consumentenkrediet

7.1. Volgens [eiseres] voldoet de overeenkomst aan de strekking van de Wck en dient zij te worden beschouwd als een geldkrediet in de zin van artikel 1 aanhef en onder a, 1 en d Wck en zijn de bepalingen van de Wck van toepassing. [eiseres] betwist dat de overeenkomst onder de uitzondering voor effectenbelening als bedoeld in artikel 4 lid 1 aanhef en onder h Wck valt.

Volgens [eiseres] heeft Aegon gehandeld in strijd met artikel 9 van de Wck door het onderhavige product zonder de daarvoor benodigde vergunning aan [eiseres] te verstrekken. Het niet tijdig voorhanden hebben van de benodigde Wck-vergunning brengt ingevolge artikel 3: 40 lid 2 BW met zich mee dat de overeenkomst nietig is.

Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] aangevoerd dat de overeenkomst niet voldoet aan/in strijd is met het bepaalde in de artikelen 26, 28, 33 sub b onder 1, 33 sub c en 30 lid 3 en 37 lid 1 Wck.

7.2.1. Aegon heeft gemotiveerd aangevoerd dat het RenteRetour Vliegwiel niet onder de definitie van krediettransactie in de zin van artikel 1 onder a Wck valt. Er is geen sprake van het ter beschikking stellen van een geldsom, het verschaffen van het genot over een roerende zaak of het verlenen van een dienst. Aegon heeft ter toelichting van haar stelling voorts verwezen naar de Memorie van Toelichting bij de Wet financiële dienstverlening (Wfd).

Voor het geval dit anders zou zijn, valt het RenteRetour Vliegwiel onder de uitzondering voor effectenbelening in artikel 4 lid 1 onder h Wck.

Ook kan er geen sprake van zijn dat het RenteRetour Vliegwiel door toepassing van de Europese richtlijn aangaande consumentenkrediet (richtlijn 87/102) onder de Wck valt.

7.2.2. Wanneer de Wck wel van toepassing wordt geacht, dan heeft Aegon de Wck niet overtreden, aangezien zij voldoet aan de door artikel 9 Wck gestelde inhoudelijke eisen. Aegon beschikt over een vergunning uit hoofde van de Wet toezicht effectenverkeer (Wte). Hierdoor is de bescherming en het toezicht geregeld. Een Wck-vergunning zou geen toegevoegde waarde hebben. Bovendien is op overtreding van artikel 9 Wck geen civielrechtelijke sanctie gesteld, zodat de vermeende overtreding ook niet tot nietigheid over vernietigbaarheid kan leiden.

7.2.3. Aegon betwist voorts dat zij de overige door [eiseres] genoemde bepalingen van de Wck heeft overtreden, althans dat zulks tot nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst zou leiden.

7.3. In navolging van de rechtbank te Arnhem in haar uitspraak van 16 februari 2005 overweegt de kantonrechter als volgt.

7.3.1. Het RenteRetour Vliegwiel valt naar het oordeel van de kantonrechter binnen de reikwijdte van de definitie van “geldkrediet”: “iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de eerste partij (de kredietgever) aan de tweede partij (de kredietnemer) een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de tweede partij aan de eerste partij een of meer betalingen doet”. Aegon stelt immers een geldsom aan de consument ter beschikking, waarmee hij aandelen “least”, wat wil zeggen dat hij met de aandelen voor zijn risico belegt op de beurs. Het RenteRetour Vliegwiel valt daarmee ook binnen de reikwijdte van het overkoepelende begrip “krediettransactie”.

7.3.2. De enige aarzeling die zou kunnen rijzen, vormt de Memorie van Toelichting bij de definitie van “geldkrediet”, omdat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze vorm van krediet is beperkt tot die kredietovereenkomsten, waarbij de kredietgever daadwerkelijk geld ter beschikking stelt aan de kredietnemer. Bij het RenteRetour Vliegwiel gebeurt dat strikt genomen niet, omdat Aegon met het geleende geld namens de consument de aandelen koopt. Aan dit onderdeel van de Memorie van Toelichting komt geen doorslaggevende betekenis toe, omdat deze stamt uit een tijd, dat het RenteRetour Vliegwiel nog niet bestond en de wetgever er toen geen rekening mee kon houden.

7.3.3. Kwalificatie van het RenteRetour Vliegwiel als “geldkrediet” sluit wel goed aan bij de navolgende passage uit dezelfde Memorie van Toelichting:

“Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren” (Bijl. TK 19 785 (1986–1987) nr. 3 p. 68).

7.3.4. Het gaat om de economische werkelijkheid en ook om de strekking van het RenteRetour Vliegwiel. Beide gezichtspunten leiden naar het oordeel van de kantonrechter tot de slotsom dat het RenteRetour Vliegwiel als geldkrediet een krediettransactie in de zin van de Wck is. Dat is onmiskenbaar ook het niet uitgesproken oordeel van de Minister van Financiën in zijn brief aan de Tweede Kamer van 6 juli 1998 en in zijn toelichting van 16 juli 2001 op de wet tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en Wck, waaruit de volgende passage wordt geciteerd:

“Het tweede lid van artikel 4 is op twee punten aangepast. In de eerste plaats zijn door de toevoeging van de verwijzing naar onderdeel h van het eerste lid ook de transacties waarbij kredietverlening gecombineerd wordt met belening van ter beurze genoteerde effecten, bijvoorbeeld aandelenlease-constructies, onder de reikwijdte van de informatieplicht gebracht. (...)” (Bijl. TK 27 869 (2000–2001) nr. 3 p. 3).

In de opvatting van de Minister van Financiën is de Wck niet op het RenteRetour Vliegwiel van toepassing, omdat zij valt onder de uitzondering van art. 4 lid 1 sub h Wck. Dat impliceert dat hij RenteRetour Vliegwiel wel beschouwt als een krediettransactie in de zin van art. 1 aanhef en onder a Wck.

7.3.5. De Memorie van Toelichting bij de Wet financiële dienstverlening (Wfd) (TK 29 507 (2003-2004), nr. 3, p 71) leidt niet tot een ander oordeel. Blijkens de MvT zijn de effectenleaseproducten voor wat het kredietelement betreft expliciet onder de reikwijdte van het wetsvoorstel gebracht. Naar het oordeel van de kantonrechter betekent dit dat de effectenleaseproducten daarvoor al impliciet onder de definitie van het krediet vielen. Dat de wetgever met die toevoeging een verandering in de reikwijdte van de definitie in de Wfd heeft willen brengen ten opzichte van de definitie van de Wck, volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet uit de MvT. Volgens de MvT is niet bedoeld om een verschil aan te brengen in de reikwijdte. Er is slechts iets expliciet toegevoegd.

7.3.6. De Wck dient ter omzetting van de Richtlijn. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat in zo’n geval de nationale rechter het nationale recht zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan art. 249 3e alinea EG-Verdrag te voldoen (zie laatstelijk HvJ EG 5 oktober 2004, C-397/01 Pfeiffer NJB 2005, nr. 63). Verder heeft de wetgever beoogd met de vaststelling van de Wck een regeling tot stand te brengen die volledig beantwoordt aan de bedoelingen van de Richtlijn. De bewoordingen en het doel van de Richtlijn brengen mee dat het RenteRetour Vliegwiel binnen de reikwijdte van de Richtlijn valt. De bewoordingen van art. 1 aanhef en onder a Wck leiden tot dezelfde conclusie, evenals de passage in de Memorie van Toelichting, waaruit volgt dat niet zozeer de juridische constructie als wel de economische werkelijkheid prevaleert. De rechtbank kent daarom bij haar uitlegging van art. 1 aanhef en onder a Wck geen doorslaggevend gewicht aan de iets beperkter lijkende toelichting op de definitie van “geldkrediet”.

7.4. Voorts overweegt de kantonrechter - in navolging van de kantonrechter te Den Haag in de uitspraak van 2 mei 2006 (zaak/rolnr. 533431/05-22446) - als volgt.

7.4.1. Naar het oordeel van de kantonrechter valt de overeenkomst niet onder de uitzondering van artikel 4 lid 1 onder h Wck. In het onderhavige geval was immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van belening van effecten van Aegon, reeds omdat volgens de voorwaarden de onderhavige participaties niet eerder dan aan het einde van de looptijd eigendom zouden worden van [eiseres]. Ook uit de memorie van toelichting op de Wck (kamerstukken II 1986-1987, 19785, nr. 3, blz. 40/41), waarin - kort samengevat - wordt gesteld dat de regering wat betreft de effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de Wck te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige waarin van belening geen sprake is. Uit de beantwoording van Kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), blijkt van een hiertegenover staande opvatting dat aandelenlease-constructies onder de uitzondering van artikel 4 lid 1 onder h Wck vallen. Deze opvatting kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de Wck, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenlease-constructies mede inhouden dat de kredietnemer aan de kredietgever zekerheid versterkt op aandelen die hem (de kredietnemer) in eigendom toebehoren.

7.5.1. Nu vast is komen te staan dat de Wck op de onderhavige overeenkomst van toepassing is, staat tevens vast dat Aegon over een vergunning als bedoeld in artikel 9 Wck diende te beschikken. Aegon erkent geen Wck vergunning te hebben, doch meent dat dit niet meebrengt dat de overeenkomst nietig of vernietigbaar is.

De kantonrechter is van oordeel dat uit de systematiek van de Wck volgt dat het sluiten van een onder het bereik van de Wck vallende kredietovereenkomst zonder te beschikken over de vereiste vergunning, de overeenkomst niet nietig of vernietigbaar maakt, maar slechts leidt tot strafbaarheid van de kredietinstelling. In de Wck is immers telkens nauwkeurig aangegeven welke afwijkingen van de bepalingen leiden tot nietigheid dan wel vernietigbaarheid. Daarentegen kent die wet geen bepaling die inhoudt dat het ontbreken van de vergunning leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van de kredietovereenkomst, doch wordt het sluiten van kredietovereenkomsten zonder vergunning in artikel 69 Wck strafbaar gesteld.

7.5.2. Anders dan [eiseres] stelt brengt schending van de verplichtingen zoals neergelegd in artikel 9 Wck geen nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst met zich mee. Het toepassingsgebied van artikel 3: 40 lid 2 BW is beperkt. Voor de toepasselijkheid van artikel 3: 40 lid 2 BW is namelijk vereist dat de wetsbepaling in een wet in formele zin staat, van dwingend recht is en het verrichten (de totstandkoming) van de rechtshandeling verbiedt. De Wck verbiedt echter het sluiten van een overeenkomst als de onderhavige niet en heeft ook niet de strekking de geldigheid van de zonder vergunning gesloten overeenkomsten aan te tasten. Het niet naleven van de daarin opgenomen regels, levert naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen grond op voor nietigheid of vernietigbaarheid.

7.5.3. Ten aanzien van de artikelen 26, 28, en 30 lid 3 van de Wck overweegt de kantonrechter dat de wetgever aan de schending van deze bepalingen kennelijk welbewust evenmin een civielrechtelijke sanctie heeft verbonden. Dit brengt mee dat schending van deze wetsbepalingen evenmin leidt tot nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de overeenkomst. Deze stellingen van partijen betreffende schending van de artikelen 26, 28, 30 lid 3 en 37 lid 1 Wck behoeven dan ook geen nadere bespreking.

7.5.4. Ten aanzien van artikel 33 sub b onder 1 Wck is de kantonrechter met Aegon van oordeel dat er in casu geen sprake is van schending van dit artikel, n u [eiseres] eerst het product heeft gekozen. Vervolgens is ten behoeve van het product een financiering afgesloten.

Tevens is de kantonrechter met Aegon van oordeel dat artikel 7 van de Bijzondere Voorwaarden geen schending van artikel 33 sub c Wck oplevert, nu een betalingsachterstand van de maandtermijnen na ingebrekestelling impliceert dat er een totale betalingsachterstand is van tenminste twee termijnen. Overigens brengt schending van deze bepaling geen nietigheid van de gehele overeenkomst met zich mee.

Ten aanzien van de gestelde schending van artikel 37 jol artikel 33 sub e Wck overweegt de kantonrechter dat de verschuldigdheid van boeterente geen afbreuk doet aan de bevoegdheid tot vervroegde aflossing, zodat ook dit verweer ten onrechte is opgeworpen.

7.6. Hetgeen in de voorgaande rechtsoverwegingen is overwogen, leidt tot het oordeel dat [eiseres] niet met succes op grond van de Wck de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de overeenkomst kan inroepen.

Wet identificatie bij dienstverlening

8.1. Voorts heeft [eiseres] aangevoerd dat Aegon heeft nagelaten overeenkomstig de Wet identificatie bij dienstverlening, de identiteit van [eiseres] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst vast te stellen. Deze wet heeft een element van openbare orde. Dit brengt met zich mee dat de overeenkomst ingevolge artikel 3: 40 lid 2 BW nietig is.

8.2. Aegon heeft, onder verwijzing naar artikel 4 lid 3 sub c Wid, aangevoerd dat zij niet gehouden is om [eiseres] om een nummer en/of kopie van een geldig identificatiebewijs te vragen. Bovendien heeft de Wid niet de strekking om de geldigheid van een daarmee in strijd gedane rechtshandeling aan te tasten.

8.3. Ten aanzien van artikel 2 van de Wet identificatie bij dienstverlening verwijst de kantonrechter naar hetgeen is overwogen ten aanzien van overtreding van de Wck: de wetgever heeft aan de schending van deze bepalingen kennelijk welbewust geen civielrechtelijke sanctie verbonden. Dit brengt mee dat schending van deze wetsbepalingen evenmin leidt tot nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de overeenkomst. Deze stellingen van partijen betreffende schending van artikel 2 van de Wet identificatie bij dienstverlening behoeft dan ook geen nadere bespreking.

schending zorgplicht/Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (NR)

9.1. Volgens [eiseres] is Aegon opgetreden als vermogensbeheerder.

Aegon is, aldus [eiseres], bij de totstandkoming van de overeenkomst en gedurende de looptijd daarvan, de op haar rustende informatieverplichting, saldibewakingsplicht en het know your customer beginsel niet nagekomen. Door schending van deze beginselen heeft Aegon gehandeld in strijd met de zorgverplichting die in het algemeen van een effecteninstelling ten opzichte van haar beleggers mag worden verwacht.

Voorts heeft [eiseres] uitvoerig betoogd dat Aegon heeft gehandeld in strijd met de artikelen 28, 33 en 27 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (NR).

Hierdoor is de overeenkomst nietig op grond van artikel 3: 40 lid 2 BW . Voor zover vereist heeft [eiseres] de vernietigbaarheid van de overeenkomst ingeroepen.

[eiseres] stelt voorts dat het handelen van Aegon niet alleen een toerekenbare tekortkoming maar tevens een onrechtmatige daad jegens [eiseres] oplevert.

9.2.1. Aegon stelt voorop dat [eiseres] een eigen verantwoordelijkheid heeft bij de aankoop van financiële producten. Zij verwijst daarbij naar het wetsvoorstel voor de Wet financiële dienstverlening.

Voorts heeft Aegon aangevoerd dat het RenteRetour Vliegwiel geen risicovol product is en dat het risico beperkt en voorzienbaar is. Het risico voor de belegger blijft beperkt tot het aankoopbedrag van de participaties en de administratiekosten. Het risico bij tussentijdse beëindiging is beheersbaar. De belegger kan - behoudens betalingsonmacht - zelf bepalen welk moment hij uitkiest voor de beëindiging. [eiseres] heeft er zelf voor gekozen de overeenkomst tussentijds te beëindigen. De eventuele gevolgen daarvan dienen dan ook voor haar rekening te komen.

Bij gebreke aan een substantieel en onvoorzien risico, bestond voor Aegon geen noodzaak, laat staan verplichting om onderzoek te doen naar de financiële positie van [eiseres]. Een meer verstrekkende onderzoeksplicht wordt uitsluitend aangenomen voor zover de aanbieder de belegger, in het licht van zijn persoonlijke omstandigheden, had moeten weerhouden van het aangaan van de overeenkomst. Aegon betwist dat deze zorgplicht ook voor het RenteRetour Vliegwiel zou gelden. [eiseres] heeft zich bij het sluiten van de overeenkomst verplicht om gedurende 15 jaar maandelijks een bedrag van € 45,38 te betalen, wat niet als een onverantwoord risico kan worden beschouwd.

Ook betwist Aegon de gehoudenheid tot onderzoek naar de beleggingservaring van [eiseres]. [eiseres] kon uit het informatiemateriaal afleiden op welke wijze werd belegd en tussentijdse beleggingsbeslissingen konden niet worden genomen.

9.2.2. Tenslotte heeft Aegon gemotiveerd aangevoerd dat de bepalingen uit de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer niet verbindend zijn, omdat artikel 11 Wet toezicht effectenverkeer (Wte) niet de wettelijke grondslag biedt voor het stellen van regels inzake het optreden van de effecteninstellingen jegens cliënten.

9.3.1. Eerst staat ter beoordeling het verweer van Aegon, dat de NR onverbindend is. Terzake geldt het volgende.

De overeenkomsten zijn aangegaan ten tijde van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat de toenmalige Stichting Toezicht Effectenverkeer (hierna: STE) bevoegd was tot het uitvaardigen van deze regeling. Hiervan gaat de kantonrechter dan ook uit.

Blijkens de considerans van de Wte is deze wet in 1995 opnieuw vastgesteld in verband met, voor zover hier van belang, de uitvoering van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141).

De ratio van de Wte wordt, geplaatst in het kader van deze richtlijn, onder andere bepaald door de op Europeesrechtelijk niveau gevoelde noodzaak beleggers bescherming te bieden tegen risico’s van beleggingen in effecten. In dit licht bezien overschrijdt artikel 24 Bte als bepaling ter uitvoering van artikel 11 lid 1 Wte niet de grenzen van het bepaalde in artikel 11 lid 1 aanhef en onder a en d Wte, op grond waarvan Aegon zich als effecteninstelling moet houden aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels ten aanzien van, voor zover hier van belang, deskundigheid en betrouwbaarheid en aan het publiek te verstrekken informatie.

Artikel 24 Bte legt aan Aegon verplichtingen op waarmee wordt beoogd te waarborgen dat zij deskundig en betrouwbaar optreden jegens hun cliënten en stelt artikel 24 Bte regels over aan het publiek te verstrekken informatie.

Artikel 28 NR is een krachtens artikel 24 Bte door de STE gestelde regel in de zin van artikel 24 Bte. Artikel 28 NR houdt, voor zover hier van belang, in:

“Een effecteninstelling wint in het belang van haar cliënten informatie in betreffende hun financiële positie, hun ervaring met beleggingen in financiële instrumenten en hun beleggingsdoelstellingen, voor zover dit redelijkerwijs relevant is bij de uitvoering van de door de effecteninstelling te verrichten diensten.”

Hiermee valt artikel 28 NR binnen het bereik van artikel 24 Bte in verbinding met artikel 11 Wte, bezien in het licht van genoemde richtlijn. De verplichting die artikel 28 NR aldus aan Aegon oplegt, vloeit immers, in samenhang beschouwd met hetgeen hiervoor is vermeld omtrent de ratio van de Wte, rechtstreeks voort uit de eis dat zij zich als effecteninstelling houdt aan regels ten aanzien van deskundigheid en betrouwbaarheid en aan het publiek te verstrekken informatie teneinde van overheidswege te waarborgen dat aan beleggers bescherming wordt geboden tegen risico’s van beleggingen.

Het voorgaande betekent dat het verweer dat artikel 28 NR onverbindend is, niet opgaat.

9.3.2. Het beroep van [eiseres] op schending van de op Aegon rustende zorgplicht kan echter geen doel treffen.

Bij de beantwoording van de vraag in welke mate Aegon gehouden was onderzoek te doen naar de omstandigheden van [eiseres] en daarmee rekening diende te houden, overweegt de kantonrechter dat in beginsel een financiële instelling zoals Aegon – als bij uitstek professioneel en deskundig op dit terrein – jegens particuliere, niet professionele, cliënten zoals [eiseres], tot een bijzondere zorgplicht is gehouden in geval van mogelijke grote risico's verbonden aan aandelenleaseconstructies.

In het onderhavige geval is van dergelijke risico's evenwel geen sprake. Immers: blijkens de overeenkomst is het risico voor [eiseres] ertoe beperkt dat zij aan het einde van de looptijd, op welk moment de leasesom geheel is afgelost, blijft zitten met waardeloze aandelen en daardoor geen enkel geldelijk gewin zal ondervinden. Of dit risico zich zou hebben voltrokken, zou overigens pas in 2016 kunnen worden beoordeeld. Voorts is van belang dat zij door aan het einde van de looptijd nog vijf jaar te wachten alvorens de participaties te verkopen, het volledige rentebedrag ad € 3.656,97 geheel terugbetaald had kunnen krijgen, zodat ten aanzien van de rente evenmin van een risico sprake was.

Dat [eiseres] zich thans geconfronteerd ziet met een restschuld, is niet het gevolg van het gestelde risicovolle karakter van de overeenkomst maar van de tussentijdse beëindiging door [eiseres]. Deze restschuld is gebaseerd op beurskoersen ten tijde van de beëindiging. Hierbij wordt nog opgemerkt dat Aegon aan [eiseres] een pro forma eindafrekening heeft gestuurd, zodat zij ervan op de hoogte was welk bedrag haar in rekening zou worden gebracht bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst.

9.3.4. Ten aanzien van het beroep van [eiseres] op artikel 28 NR, merkt de kantonrechter op dat het inwinnen van informatie betreffende de financiële situatie, de beleggingsdoelstelling en de beleggingservaring van de belegger op grond van deze bepaling slechts kan worden gevergd indien de persoonlijke omstandigheden van [eiseres] Aegon, indien zij daarvan had kennis gedragen, [eiseres] ervan had behoren te weerhouden de overeenkomst aan te gaan. Daarvan is niet gebleken. In de precontractuele fase ging het slechts om de vraag of [eiseres] in staat was de overeengekomen (bescheiden) maandtermijnen, die gedurende de looptijd steeds gelijk zouden blijven, te voldoen. Het was aan [eiseres] om te beoordelen of zij tot die betalingen in staat was. [eiseres] werd door de overeenkomt niet op onverantwoorde wijze blootgesteld aan de gevolgen van koersverliezen.

9.3.5. [eiseres] heeft gesteld dat zij ten tijde van het aangaan van de overeenkomst werkeloos was en dat haar netto inkomen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst

f.1.542,60 (€ 700,--) per maand bedroeg. Op basis van die gegevens heeft [eiseres] de beslissing genomen om de RenteRetour Vliegwiel overeenkomst met Aegon aan te gaan. Niet is gesteld of gebleken dat haar financiële situatie nadien is gewijzigd, waardoor zij niet meer aan de overeengekomen betalingsverplichting zou kunnen voldoen.

9.3.6. Geoordeeld wordt dat de voorschriften van art. 28 lid 3 en 4 NR op het onderhavige product niet van toepassing zijn. Zoals ook uit de Toelichting op de NR blijkt, zijn deze voorschriften gegeven voor financiële instrumenten waaruit toekomstige verplichtingen kunnen voortvloeien, zoals het schrijven van (ongedekte) opties die voor de belegger het risico met zich meebrengen dat aandelen op expiratiedatum tegen een onvoorzien hoge koers moeten worden ingekocht. Bij het RenteRetour Vliegwiel doen deze risico’s zich niet voor. Weliswaar wordt de omvang van de restschuld bepaald door de waarde van de aandelen op de afloopdatum van het contract, maar dat is geen verplichting uit enig financieel instrument waar deze bepalingen uit de NR voor geschreven zijn.

9.3.7. [eiseres] heeft naar het oordeel van de kantonrechter ten onrechte gesteld dat de overeenkomst geen regeling inzake de aansprakelijkheid van de effecteninstelling en van haar cliënten bevat. Gelijk Aegon heeft gesteld blijkt zulks uit de overeenkomst en de Bijzondere Voorwaarden.

Het verweer van [eiseres] dat in de overeenkomst geen verklaring is opgenomen dat [eiseres] kennis heeft genomen van de informatie en dat zij zich bewust is van de risico's, kan de kantonrechter niet volgen. Een en ander staat immers uitdrukkelijk in artikel 10 van de overeenkomst vermeld.

De stelling dat de artikelen 25 en 36 Besluit toezicht effectenverkeer (Bte) en 27 NR anderszins zouden zijn geschonden, heeft [eiseres] niet nader onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbij zal gaan.

9.3.8. Ten aanzien van het beroep op schending van artikel 33 NR verwijst de kantonrechter naar hetgeen zij heeft overwogen met betrekking tot het door [eiseres] gedane beroep op dwaling. Uit de stukken van het RenteRetour Vliegwiel blijkt dat [eiseres] in belangrijke mate kon beoordelen of die constructie in beginsel geschikt was om aan haar beleggingsoogmerk te voldoen. Het bedrag waarvoor in effecten werd geïnvesteerd, de aard van die effecten en de duur van de investering waren immers voor [eiseres] op voorhand volledig kenbaar.

9.3.9. Geoordeeld wordt dat derhalve van een toerekenbare tekortkoming dan wel een onrechtmatige daad zijdens Aegon geen sprake is en mitsdien zal de vordering tot schadevergoeding, wat er van de gestelde schade ook zij, worden afgewezen.

voor het overige

10.1. De overige stellingen en weren van partijen kunnen na het voorgaande onbesproken blijven.

10.2. Het bovenstaande leidt er toe dat alle vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

de proceskosten

11. [eiseres] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Aegon begroot op € 450,-- wegens salaris.

Aldus gewezen door mr. G.H. Varekamp-Vos, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 augustus 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 41


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature