Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Strafontslag. Door betrokkene contant geïnde, niet afgedragen, administratieve sancties

Uitspraak



04/4437 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 juli 2004, 02/553 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Midden (hierna: Korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 1 juni 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.W. van Heumen hoger beroep ingesteld.

De Korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Heumen, voornoemd. De Korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Haverkamp, werkzaam bij de politieregio Gelderland-Midden.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als mentor-coördinator Basis Politie Zorg binnen de unit Arnhem Zuid van de politieregio Gelderland-Midden.

1.2. Bij brief van 26 april 2001 heeft de Korpsbeheerder appellant zijn voornemen kenbaar gemaakt hem met toepassing van artikel 76 en artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen.

1.2.1. De Korpsbeheerder heeft hierbij melding gemaakt van een viertal door appellant contant geïnde administratieve sancties als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV), te weten twee op zondag 30 juli 2000, één op zondag 13 augustus 2000 en één op zondag 26 november 2000. Met betrekking tot deze inningen heeft de Korpsbeheerder appellant het volgende onder de aandacht gebracht:

1. Appellant heeft bij deze inningen gehandeld in strijd met het eerste lid van artikel 31 van de WAHV, op grond van welke bepaling appellant slechts kan vorderen dat het bedrag van de administratieve sanctie terstond zal worden voldaan indien hij tot de bevinding komt dat de bestuurder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft dan wel geregistreerd staat voor het niet voldoen van een hem eerder overeenkomstig deze wet opgelegde administratieve sanctie.

2. Appellant heeft voorts gehandeld in strijd met artikel 4 van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 (BAHV) door de betaling op straat te laten plaatsvinden en niet op een politiebureau of een door de Korpschef ingestelde tijdelijke plaats van betaling.

3. Appellant heeft in strijd met zijn verplichtingen aan geen van de vier bekeurden een gedagtekend en ondertekend bewijs van betaling (kwitantie) uitgereikt.

4. Appellant heeft, hoewel hij bekend was met de terzake geldende procedures, in geen van deze vier gevallen het originele exemplaar van de “aankondiging van beschikking” (bekeuring) ter registratie aangeboden bij de betrokken afdeling Financiën. Voorts heeft hij in drie gevallen geen mutatie van de geïncasseerde gelden opgemaakt in het Bedrijfsprocessensysteem (BPS). Van de op 13 augustus 2000 geïnde sanctie heeft appellant dit wel gedaan, echter pas op 20 augustus 2000; daarbij heeft de Korpsbeheerder erop gewezen dat de bekeurde reeds op 13 augustus 2000 naar de meldkamer van de politieregio had gebeld met vragen over de gang van zaken bij de bekeuring.

5. De vier geïnde bedragen van in totaal f 1.230,- (€ 558,15) zijn niet afgedragen bij de afdeling Financiën.

1.2.2. De Korpsbeheerder heeft hieromtrent in zijn brief van 26 april 2001 nader opgemerkt dat appellant door geen kwitanties uit te schrijven, de betalingen niet te registreren en door niet, althans niet behoorlijk, zorg te dragen voor afdracht van de gelden aan de afdeling Financiën, zich kennelijk aan alle toezicht op zijn handelen heeft willen onttrekken. Door signalen van buitenaf is de Korpsbeheerder er toch van op de hoogte gekomen. In de gegeven omstandigheden acht hij het niet aannemelijk dat appellant voornemens was de ontvangen gelden daadwerkelijk af te dragen. Naar zijn mening heeft appellant zich schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Voor de integriteit en de betrouwbaarheid van de politie is van zeer groot belang dat de burgers erop kunnen vertrouwen dat politieambtenaren bij het uitoefenen van hun bevoegdheden de wettelijk vastgelegde procedures volgen en dat met aan die ambtenaren betaalde bedragen overeenkomstig de voorschriften wordt gehandeld, aldus de Korpsbeheerder.

1.3. Bij besluit van eveneens 26 april 2001 heeft de Korpsbeheerder appellant, onder verwijzing naar de door hem niet afgedragen gelden als onder 1.2.1., ad 5, bedoeld, medegedeeld dat een bedrag van f 1.230,- zal worden ingehouden op zijn salaris van mei 2001.

1.4. Nadat appellant bij brief van 22 mei 2001 zijn zienswijze betreffende het voornemen tot strafontslag aan de Korpsbeheerder had doen toekomen, is deze laatste bij besluit van 4 juli 2001 overgegaan tot het met onmiddellijke ingang opleggen van dit ontslag aan appellant.

1.5. Bij besluit van 28 januari 2002 heeft de Korpsbeheerder onder meer overeenkomstig het advies van de Bezwarencommissie Politieregio Gelderland-Midden de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 26 april 2001 en 4 juli 2001 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, beslissende op het beroep van appellant tegen het besluit van 28 januari 2002, dit besluit, voorzover hier van belang, in stand gelaten.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Met betrekking tot de grief van appellant dat het primaire ontslagbesluit van 4 juli 2001 onbevoegd is genomen, stelt de Raad vast dat het bestreden besluit van 28 januari 2002 door de Korpsbeheerder zelf is genomen. Gelet hierop kan in het midden blijven of genoemd primair besluit bevoegdelijk is genomen, aangezien volgens vaste jurisprudentie van de Raad (zie CRvB 10 oktober 2002, LJN AE8966, TAR 2003, 39) een aan het primaire besluit klevend bevoegdheidsgebrek geacht kan worden te zijn geheeld indien de beslissing op bezwaar op correcte wijze door of namens het bevoegde orgaan is genomen.

3.2. Appellant heeft voorts gesteld dat de Korpsbeheerder in strijd met het eerste lid van artikel 79 van het Barp heeft gehandeld door hem niet al in december 2000, kort nadat de door hem op 26 november 2000 bekeurde persoon zich met vragen over die bekeuring tot de politieregio had gewend, gelegenheid te hebben gegeven tot het afleggen van verantwoording. De Raad kan hierin niet met appellant meegaan. Uit voornoemde bepaling volgt dat de ambtenaar gelegenheid moet hebben zich te verantwoorden indien het bevoegd gezag voornemens is hem een straf op te leggen. Over het tijdstip waarop deze gelegenheid dient te worden gegeven is niets bepaald, al zal dit uiteraard moeten geschieden alvorens het ontslag wordt opgelegd. De Raad gaat ervan uit dat de Korpsbeheerder aan deze bepaling toepassing heeft willen geven door bij de bekendmaking van zijn strafvoornemen appellant uit te nodigen schriftelijk zijn zienswijze naar voren te brengen. In zijn schriftelijke zienswijze heeft appellant aangegeven gebruik te willen maken van de mogelijkheid deze zienswijze voorzover nodig nog mondeling toe te lichten. Door appellant deze mogelijkheid niet te bieden heeft de Korpsbeheerder niet overeenkomstig de laatste volzin van het eerste lid van artikel 79 van het Barp gehandeld. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad hierin aanleiding het bestreden besluit te vernietigen nu niet valt in te zien dat appellant hierdoor in zijn belangen is geschaad. Hij heeft immers een zeer uitvoerige schriftelijke zienswijze ingediend en heeft zich in de bezwaarprocedure nog verder schriftelijk en mondeling kunnen verantwoorden.

3.3. Thans overgaande tot een inhoudelijke beoordeling van het strafontslag overweegt de Raad dat vaststaat dat appellant in strijd met wettelijke voorschriften heeft gehandeld als onder 1.2.1., ad 1 en 2, vermeld. De stelling van appellant dat hij in afwijking van de regels heeft gehandeld omdat hij daaraan uit een oogpunt van een effectief sanctiebeleid voordelen zag verbonden, verdient geen steun; uiteraard is het appellant niet toegestaan om naar eigen inzicht van die wettelijke voorschriften af te wijken.

3.4. De Raad acht voorts genoegzaam aangetoond dat appellant in geen van de vier gevallen een kwitantie heeft uitgeschreven. Niet alleen heeft elk van de vier bekeurde personen verklaringen in deze zin afgelegd maar ook is voldoende komen vast te staan dat in de betrokken kwitantieboekjes, die zich steeds op het politiebureau bevinden, niet één of meer kwitanties ontbreken die door appellant kunnen zijn uitgeschreven. Het systeem dat wordt gebruikt om dit bij te houden, acht de Raad met de Korpsbeheerder sluitend. Bovendien is namens appellant in de nadere motivering van zijn bezwaar, gedateerd

9 augustus 2001, in feite erkend dat hij geen kwitanties heeft uitgeschreven.

3.5. Verder staat vast dat appellant in drie van de vier betrokken gevallen geen mutatie in het BPS heeft ingevoerd. Weliswaar bestond hiertoe geen formele verplichting maar het was wel zeer gebruikelijk. In andere gevallen heeft appellant dit zelf ook gedaan. Wat het vierde in geding zijnde geval betreft is niet gebleken dat appellant eerder dan op 20 augustus 2000 een mutatie heeft ingevoerd. Gezien het onder 1.2.1., ad 4 (slot), vermelde is geenszins ondenkbaar dat appellant hiertoe door de omstandigheden gedwongen, is overgegaan.

3.6. Ten slotte merkt de Raad op dat appellant geenszins voor een goede afdracht van de door hem geïnde gelden heeft gezorgd. Naar hij (nader) heeft verklaard, heeft hij deze gelden gedeponeerd in de kluis op het politiebureau van de unit Arnhem Zuid. Vrijwel alle politieambtenaren beschikten over een sleutel van deze kluis zodat het volgens appellant zeer wel mogelijk is dat de gelden daaruit zijn ontvreemd. De Raad is van oordeel dat indien appellant de gelden inderdaad in die kluis zou hebben gedeponeerd, gelet op de hem bekende risico’s van hem had kunnen worden verwacht dat hij erop had toegezien dat de gelden uiteindelijk bij de afdeling Financiën terecht kwamen. Appellant heeft dit naar eigen zeggen evenwel niet gedaan. Daarnaast is van belang dat, voorzover de Korpsbeheerder bekend, nooit voorwerpen uit de kluis van de unit Arnhem Zuid zijn gestolen. Het is dan wel opmerkelijk dat de onderhavige drie stortingen, die appellant in deze kluis zou hebben gedaan niet zijn te traceren. Van de mogelijkheid om de gelden af te storten op het districtsbureau aan de Beekstraat te Arnhem, waardoor de vereiste afdracht zou zijn gewaarborgd, heeft appellant in geen van deze gevallen om hem moverende, voor de Raad niet overtuigend geworden, redenen geen gebruik gemaakt.

3.7. Op grond van hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen is hij van oordeel dat het geheel van de appellant verweten gedragingen en nalatigheden, in onderling verband gezien, als zeer ernstig plichtsverzuim moet worden aangemerkt. Appellant heeft het vertrouwen dat de Korpsbeheerder in hem moest kunnen stellen ernstig beschaamd en ook afbreuk gedaan aan het beeld van een betrouwbaar en integer politiekorps waar het publiek op mag rekenen.

3.8. De Raad acht geen grond aanwezig voor het oordeel dat de appellant opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag als onevenredig moet worden aangemerkt.

Waar appellant zich op het gelijkheidsbeginsel heeft beroepen merkt de Raad nog op dat geen van de door hem genoemde gevallen, die alle vanwege de Korpsbeheerder zijn onderzocht, met het zijne op één lijn zijn te stellen. Zo gaat het merendeels om gevallen waarvan de omstandigheden dichter in de buurt komen van de omstandigheden waaronder contante inning op grond van het eerste lid van artikel 31 van de WAHV is toegestaan. Voorts was in minstens één geval de politieambtenaar, anders dan appellant, niet goed op de hoogte van de geldende voorschriften. Vooral heeft echter betekenis dat in geen van die gevallen zich een combinatie van onjuiste gedragingen voordeed als in dit geval; met name was geen sprake van onregelmatigheden met betrekking tot de afdracht van de geïnde gelden.

3.9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ten aanzien van de handhaving van het strafontslag niet slaagt.

Nu appellant geen zelfstandige grieven heeft geuit ten aanzien van de gehandhaafde inhouding van een bedrag van f 1.230,- op zijn salaris, slaagt het hoger beroep ook op dit onderdeel niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook, voorzover aangevochten, te worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

HD

06.05

Q


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature