< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verzoek aan DNB als rechtsopvolger van de PVK om informatie uit hoofde van de Wet Bpf en de Wet Bpf 2000. Geen wettelijke grondslag voor informatieverstrekking. Geen besluit.

Uitspraak



RECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: BC 05/1629-HAM1

Uitspraak

in het geding tussen

[Eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

De Nederlandsche Bank N.V., verweerster,

gemachtigde mr. A.J. Haasjes, advocaat in dienst van verweerster.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 4 maart 2005 heeft verweerster het bezwaar van eiser tegen de brief van de Pensioen- & verzekeringskamer (hierna: PVK) van 5 oktober 2004, houdende weigering informatie te verstrekken omtrent door haar gedane mededelingen op grond van artikel 9 van de Richtlijnen voor vrijstelling van deelneming in een bedrijfspensioenfonds wegens bijzondere pensioenvoorzieningen (hierna: de Richtlijnen), niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 12 april 2006 beroep ingesteld.

Verweerster heeft bij brief van 25 april 2006 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2006. Eiser is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is namens verweerster verschenen mr. G.J. Bosma, werkzaam bij verweerster.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge de artikelen 1 en 2 van de op 30 oktober 2004 in werking getreden Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer (hierna: Fusiewet) is de PVK opgegaan in verweerster en oefent verweerster alle taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens enige wet aan de PVK zijn toegekend. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Fusiewet worden bij de PVK aanhangige bezwaarschriften, in de stand waarin zij zich bevinden, verder behandeld en afgedaan door verweerster.

Artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt:

“1. Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

2. Het eerste lid is mede van toepassing op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die door een bestuursorgaan worden betrokken bij de uitvoering van zijn taak, en op instellingen en daartoe behorende of daarvoor werkzame personen die een bij of krachtens de wet toegekende taak uitoefenen.”.

Artikel 1a van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) luidt als volgt:

“1. Deze wet is van toepassing op de volgende bestuursorganen:

a. Onze Ministers;

b. de bestuursorganen van provincies, gemeenten, waterschappen en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie;

c. bestuursorganen die onder de verantwoordelijkheid van de onder a en b genoemde organen werkzaam zijn;

d. andere bestuursorganen, voor zover niet bij algemene maatregel van bestuur uitgezonderd.

2. In afwijking van het eerste lid, onder d, is deze wet op de krachtens die bepaling uitgezonderde bestuursorganen van toepassing voorzover het gaat om het verstrekken van milieu-informatie.”.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob , zoals die bepaling luidde tot 1 januari 2001, is - voorzover hier van belang - als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Nationale ombudsman onderscheidenlijk artikel 1a, onderdeel d, van de Wob , uitgezonderd: de Verzekeringskamer, voor zover belast met werkzaamheden die voortvloeien uit onderscheidenlijk verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (hierna: de Wet Bpf).

In de huidige tekst van artikel 1, onder c, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob is de Verzekeringskamer vervangen door de PVK en is de Wet Bpf vervangen door de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000).

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Bpf kan de Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Minister) het deelnemen in het bedrijfspensioenfonds voor alle of bepaalde groepen van bedrijfsgenoten verplichtstellen.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder II, letter l, van de Wet Bpf zal - voorzover hier van belang - in geen geval een verzoek als in artikel 3, eerste lid, bedoeld worden ingewilligd, indien de statuten en reglementen van het fonds geen bepalingen inhouden betreffende de gevallen, waarin en de voorwaarden, waaronder bedrijfsgenoten aan het bedrijfspensioenfonds niet behoeven deel te nemen, dan wel van bepaalde verplichtingen ten opzichte van het bedrijfspensioenfonds kunnen worden vrijgesteld.

Ingevolge artikel 5, derde lid, van de Wet Bpf, zoals die bepaling luidde tot 1 januari 1998, stelt de Minister met betrekking tot het bepaalde in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder II, letter l, van de Wet Bpf richtlijnen vast.

Ingevolge artikel 8 van de Richtlijnen, die tot 26 april 1998 golden, is een beslissing op een verzoek om vrijstelling of waarbij een vrijstelling wordt ingetrokken, met redenen omkleed. Een afschrift van de beslissing wordt door het bedrijfspensioenfonds toegezonden aan de betrokkene en aan de Verzekeringskamer.

Artikel 9 van de Richtlijnen luidt als volgt:

“1. Tegen een beslissing, als bedoeld in artikel 8, kunnen bezwaren worden ingebracht bij de Verzekeringskamer binnen dertig dagen nadat de betrokkene de beslissing heeft ontvangen. Tegelijk met deze beslissing stelt het bedrijfspensioenfonds de betrokkene schriftelijk in kennis van het bepaalde in de vorige volzin.

2. De Verzekeringskamer stelt het bedrijfspensioenfonds en degenen, die bezwaren hadden ingebracht, in kennis met haar oordeel omtrent die bezwaren.”.

Ingevolge artikel 5, derde lid, van de Wet Bpf, zoals die bepaling luidde vanaf 1 januari 1998 is op 26 april 1998 de Vrijstellingsregeling Wet Bpf ingevoerd. De Vrijstellingsregeling Wet Bpf voorziet niet in een bezwaarprocedure bij de verzekeringskamer als voorzien in de Richtlijnen.

Ingevolge artikel 16 van de Wet Bpf kan door de Minister in bijzondere, individuele gevallen voorwaardelijk of onvoorwaardelijk en al of niet voor een bepaalde tijd vrijstelling worden verleend van het bepaalde bij de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 5, tweede lid. De Verzekeringskamer verstrekt de Minister desgevraagd de ter zake benodigde inlichtingen.

De Wet Bpf 2000, welke wet op 1 januari 2001 in de plaats is gekomen van de Wet Bpf, voorziet evenmin in besluitvorming van de PVK terzake vrijstellingen van deelneming. Die bevoegdheid is ingevolge artikel 13 van de Wet Bpf 2000 opgedragen aan de bedrijfstakpensioenfondsen, waarbij de criteria zijn neergelegd in het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000.

Ingevolge artikel 17 van de Wet Bpf 2000 :

1. berust het toezicht op de uitvoering van de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9, eerste en tweede lid van de Wet Bpf 2000 , bij de PVK;

2. kan de Minister met betrekking tot de uitvoering van die bepalingen aan de PVK aanwijzingen van algemene aard geven betreffende de uitoefening van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taak.

Ingevolge artikel 18e van de Wet Bpf is in afwijking van artikel 8:7 van de Awb voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd. Artikel 25 van de Wet Bpf 2000 bevat een zelfde bevoegdheidsbepaling.

2.2. Feiten die als vaststaand worden aangenomen

Eiser heeft bij brief van 2 juli 2004 de PVK verzocht om informatie omtrent de wijze waarop bedrijfs(tak)pensioenfondsen en de PVK als toezichthouder zijn omgegaan met zogenoemde gelijkwaardigheidsonderzoeken in het kader van verzoeken om vrijstelling van verplichte deelneming aan een bedrijfs(tak)pensioenfonds.

Bij brief van 15 juli 2004 heeft de PVK eiser bericht dat voorzover hij beschikt over de verzochte informatie een geheimhoudingsplicht heeft en dat mogelijk de Vereniging van bedrijfstakpensioenfondsen dan wel individuele verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen de gevraagde inlichtingen kunnen verstrekken.

Bij brief van 6 september 2004 heeft eiser in reactie op de brief van de PVK van 15 juli 2004 gesteld dat hij kennis wenst te nemen van alle mededelingen die door de Verzekeringskamer op grond van het tweede lid van artikel 9 van de Richtlijnen in het verleden zijn uitgebracht. Voorts is aangegeven dat eiser anderszins kennis wenste te nemen van publicaties, schriftelijke standpunten en beleidsregels van de PVK betreffende de genoemde gelijkwaardigheidsproblematiek, zowel voor als na 26 april 1998.

Bij brief van 5 oktober 2004 heeft de PVK gesteld dat de verzochte informatie omtrent in het verleden uitgebrachte mededelingen in het kader van artikel 9 van de Richtlijnen niet aan eiser verstrekt kunnen worden. Verweerder heeft daarbij gewezen op artikel 2:5 van de Awb en artikel 31 van de Pensioen- en verzekeringswet zoals die bepaling luidde tot 1 januari 1994.

Bij brief van 13 oktober 2004 heeft eiser bezwaar aangetekend tegen de brief van de PVK van 5 oktober 2005. Bij brief van gelijke datum heeft eiser de PVK bericht dat zijn brieven van 2 juli en 6 september 2004 tevens moeten worden beschouwd als verzoeken om openbaarmaking uit hoofde van de Wob.

Bij brief van 24 november 2004 heeft verweerster eiser bericht dat zij ingevolge de Fusiewet de brieven van eiser verder in behandeling zal nemen, dat verweerster - als rechtsopvolgster van de PVK - ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob uitgezonderd is van de plicht tot openbaarmaking van de door eiser verzochte gegevens, dat er ook overigens geen plicht tot openbaarmaking geldt, dat wel algemene informatie kan worden verstrekt conform de bijlage bij deze brief, en dat eiser wordt verzocht aan te geven of hij zijn bezwaar tegen de brief van 5 oktober 2004 handhaaft.

Bij brief van 10 december 2004 heeft eiser verweerster gemotiveerd bericht zijn bezwaarschrift en zijn verzoek uit hoofde van de Wob te handhaven.

Bij brief van 22 december 2004 heeft verweerster eiser bericht hem niet te hebben verzocht zijn Wob-verzoek in te trekken, omdat dit verzoek reeds is afgehandeld met de brief van 24 november 2004, en dat het bezwaarschrift in behandeling zal worden genomen.

Met het bestreden besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar.

2.3. Standpunten van partijen

Verweerster heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de brief van 5 oktober 2004 niet op enig rechtsgevolg is gericht nu voor verweerster - als rechtsopvolger van de PVK - geen wettelijke plicht bestaat tot het openbaar maken van de verzochte informatie. Er kon dan ook geen op publiekrechtelijk rechtsgevolg gerichte beslissing op het verzoek om informatie worden genomen.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij slechts informatie wenst terzake de gelijkwaardigheidsbeoordeling, zonder dat die tot individuele gevallen herleidbaar is (bijvoorbeeld door te anonimiseren) en dat verweerster met de brief van 5 oktober 2004 wel degelijk op het verzoek om inlichting een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen.

2.4. Beoordeling

Met betrekking tot haar bevoegdheid kennis te nemen van het beroep overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende.

Verweerster is gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 oktober 2005 (AB 2006/21) een orgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb . Zij kan in het kader van de haar toegekende bevoegdheden besluiten nemen als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb .

Indien verweerster uit hoofde van haar publiekrechtelijke taakstelling wordt verzocht informatie te verstrekken, zal een afwijzing van een dergelijk verzoek, indien een wettelijke grondslag valt aan te wijzen tot het verstrekken van informatie, als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, tweede zinsdeel, van de Awb worden aangemerkt.

Indien een dergelijke wettelijke grondslag tot informatieverstrekking ontbreekt en artikel 2:5 van de Awb zich verzet tegen het verstrekken van de verzochte gegevens - zoals in casu het geval is - zal het verstrekken van informatie, alsook het weigeren informatie te verstrekken, niet als een op publiekrechtelijk rechtsgevolg gerichte beslissing kunnen worden aangemerkt, maar als een feitelijk handelen of nalaten.

Naar vaste jurisprudentie dient de reactie van een bestuursorgaan op een bezwaarschrift in beginsel zelf wel als een besluit als bedoeld in artikel 7:1, tweede lid, van de Awb worden aangemerkt, ook indien de brief waartegen het bezwaar zich richt zelf niet op rechtsgevolg is gericht.

Indien verweerster echter wordt geadresseerd inzake een kwestie die uitdrukkelijk buiten haar competentie als bestuursorgaan ligt, zal zij naar het oordeel van de rechtbank geen beslissing op bezwaar kunnen nemen. Te denken valt hier aan de uitsluiting van de PVK als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, aanhef en onder d, van de Wob ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob (oude en nieuwe tekst) voor wat betreft haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wet Bpf en de Wet Bpf 2000.

Een dergelijke uitzondering doet zich naar het oordeel van de rechtbank in onderhavig geval niet voor. Het bezwaar was hier gericht tegen de wijze waarop de PVK gebruik heeft gemaakt van de hem door eiser toebedachte bevoegdheden hem informatie te verstrekken waarover de PVK bij of krachtens de Wet Bpf en/of de Wet Bpf 2000 de beschikking had. Uit verweersters brief van 22 december 2004 volgt dat verweerster meende het Wob-verzoek reeds te hebben afgehandeld, zodat het bestreden besluit uitsluitend ziet op de weigering inlichtingen uit hoofde van de Wet Bpf en/of de Wet Bpf 2000 zelf te verstrekken. De rechtbank houdt het er derhalve voor dat verweerster als rechtsopvolger van de PVK bevoegd was terzake een beslissing op bezwaar te nemen, ongeacht of de brief van 5 oktober 2004 zelf als een besluit kwalificeert.

Gelet op artikel 18e van de Wet Bpf en artikel 26 van de Wet Bpf 2000 zal de rechtbank zich derhalve bevoegd achten kennis te nemen van het beroep tegen het bestreden besluit.

Uit hetgeen de rechtbank zojuist heeft overwogen volgt voorts dat verweerster het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen wettelijk voorschrift valt aan te wijzen op grond waarvan de PVK verplicht danwel bevoegd was de verzochte informatie te verstrekken, althans daaromtrent een besluit te nemen. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of eiser als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb moet worden aangemerkt.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hamaker.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2006.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature