< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Eigen vervoer ex art. 1.1.g Wet goederenvervoer over de weg. HR verwerpt beroep met verwijzing naar conclusie AG o.m. inhoudend: De gebezigde bewijsmiddelen houden in dat met de vrachtauto geen vervoerswerkzaamheden voor verdachtes onderneming verricht behoefden te worden, dat de vrachtauto met chauffeur toen is uitgeleend aan een transporteur, dat het onderhavige vervoer geschiedde voor derden en voorts dat dit vervoer wordt afgerekend (waaraan niet afdoet dat de betaling doorgaans geschiedde met gesloten beurzen, omdat verdachte en de transporteur elkaar over en weer diensten verleenden) met de transporteur aan wie de vrachtauto met chauffeur door de verdachte is uitgeleend. In het voorgaande ligt reeds besloten dat ‘s hofs oordeel dat i.c. geen sprake was van eigen vervoer ex art. 1.1.g WGW, te weten vervoer met vrachtauto's van goederen, uitsluitend bestemd voor of afkomstig van eigen onderneming of bedrijf, onjuist noch onbegrijpelijk is: de vrachtauto werd immers uitgeleend omdat er t.b.v. verdachtes onderneming geen vervoer behoefde te worden verricht. Daarom maakt de omstandigheid dat in het onderhavige geval sprake zou zijn geweest van een vriendendienst of collegiale inleen dat niet anders. Het blijft immers vervoer voor derden tegen betaling. Daar komt bij dat noch aan de tekst van de wet noch aan de parlementaire stukken enige aanwijzing kan worden ontleend dat incidenteel beroepsvervoer in het kader van collegiale inleen of vriendendienst tot "eigen vervoer" zou moeten worden gerekend. Gelet op het doel van de wet, het voorkomen van oneerlijke concurrentie, ligt dat ook niet voor de hand. Voorts is ’s hofs oordeel dat niet is voldaan aan de criteria van art. 39 Besluit goederenvervoer over de weg omdat het gaat om vervoer verricht voor een derde niet met verdachte verweven onderneming, evenmin onjuist of onbegrijpelijk. Het vervoer geschiedde niet voor rekening van verdachtes onderneming maar voor rekening van een derde. Anders zou er immers voor verrekening als in de verklaring van X beschreven geen reden zijn. Voorts vormde het vervoer blijkens de gebezigde bewijsmiddelen juist geen onderdeel van het totaal van de bedrijfsactiviteiten van verdachtes onderneming: er was blijkens de gebezigde bewijsmiddelen voor de vrachtwagen geen werk.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



13 juni 2006

Strafkamer

nr. 01793/05 E

LR/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 21 februari 2005, nummer 21/004401-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 11 september 2003 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5, eerste lid, Wet goederenvervoer over de weg , begaan door een rechtspersoon " veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,- euro.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.P. Vroegh, advocaat te Hoofddorp, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede en het derde middel

4.1. De middelen keren zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat sprake was van 'eigen vervoer' als bedoeld in art. 1, eerste lid onder g, van de Wet goederenvervoer over de weg.

4.2. De middelen falen op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaten-Generaal onder 14 tot en met 20.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 juni 2006.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature