Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 19 februari 2003 heeft appellant het verzoek van [verzoeker] tot openbaarmaking van het integrale dossier aangaande het huidige onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) in het Vlietlandziekenhuis te Schiedam afgewezen.

Uitspraak



200503197/1.

Datum uitspraak: 22 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. WOB 04/1090 van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2005 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2003 heeft appellant het verzoek van [verzoeker] tot openbaarmaking van het integrale dossier aangaande het huidige onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) in het Vlietlandziekenhuis te Schiedam afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2004 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 februari 2005, verzonden op 2 maart 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 augustus 2005 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

Bij brief van 28 oktober 2005 heeft appellant de in het geding zijnde documenten overgelegd. Ten aanzien van die documenten heeft hij hierbij om geheimhouding ingevolge artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzocht.

Bij brief van 15 november 2005 heeft [verzoeker] de Afdeling de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om mede op basis van de geheimgehouden documenten uitspraak te doen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.M.A. Reith, ambtenaar bij het ministerie, en L. Ravensburg, inspecteur bij de IGZ, en [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. H.W.P.B. Taminiau, advocaat te Tilburg, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan.

    Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen.

2.2.    Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken ziet het verzoek om openbaarmaking op gespreksverslagen van inspecteurs van de IGZ met een aantal medewerkers van het Vlietlandziekenhuis en op de notitie Vlietlandzorgen van 11 december 2002.

2.3.    [verzoeker] wenst inzage in de geheimgehouden stukken, omdat die, naar hij stelt, inzicht geven in de wijze van totstandkoming van het eindoordeel van de IGZ, dat is vermeld in de brief van de IGZ aan de Raad van Bestuur van het Vlietlandziekenhuis van 24 december 2002. Gelet op dat eindoordeel heeft de Raad van Bestuur aanleiding gezien de toelatingsovereenkomst met [verzoeker] als gynaecoloog tot het Vlietlandziekenhuis op te zeggen.

2.4.    Vooropgesteld wordt dat het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden dan ook betrokken het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de door de (relatieve) weigeringsgronden te beschermen belangen, maar niet het specifieke belang van de verzoeker. De vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt echter niet af van de (redelijkheids)toetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb . Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

2.5.    Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van de geheimgehouden documenten geen sprake is van de belangen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob , zodat deze weigeringsgrond ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd.

2.6.    Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de geheime stukken is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het belang van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob zich hier voordoet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 maart 1997 in zaak no. R03.93.0206 (aangehecht) ziet dit artikel immers op de bescherming van bronnen alsmede op de handhaving van de vertrouwelijkheid van de gebruikte methoden om aan informatie te komen.

    De rechtbank is niet toegekomen aan de vraag of appellant bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid openbaarmaking van de gevraagde stukken achterwege heeft kunnen laten. De Afdeling zal hierna op die vraag in gaan.

2.6.1.        Appellant stelt zich op het standpunt dat door openbaarmaking van de stukken de vertrouwensrelatie tussen de IGZ en de beroepsgroep, welke onontbeerlijk is voor het kunnen uitoefenen van effectief toezicht op de beroepsuitoefening, wordt geschonden. Indien op grond van de angst voor openbaarmakingen van stukken vrijwillige meldingen, waarvan in het onderhavige geval sprake is, niet meer zouden worden gedaan, wordt de IGZ in ernstige mate belemmerd in haar wettelijk opgedragen toezichthoudende taken, aldus appellant. Bovendien zal de werkwijze van de IGZ aanzienlijk moeten veranderen, waar bijvoorbeeld aan betrokkenen een cautie moet worden gegeven met het oog op de mogelijkheid van openbaarmaking van verstrekte inlichtingen en eerder zal worden bedongen dat geen verslaglegging van die inlichtingen plaatsvindt.

2.6.2.         Indien als gevolg van de verzochte openbaarmaking, zoals appellant stelt, de IGZ haar toezichthoudende taak niet meer naar behoren zal kunnen uitoefenen, kan niet worden geoordeeld dat appellant in redelijkheid niet met een beroep op de in de wet genoemde belangen van inspectie, controle en toezicht de verzochte openbaarmaking heeft kunnen weigeren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellant evenwel niet op deugdelijke wijze onderbouwd dat de gestelde gevolgen zich daadwerkelijk zullen voordoen. Immers niet is geheel in het algemeen gesproken aannemelijk dat de IGZ voor een adequaat toezicht afhankelijk is van vrijwillige meldingen en dat de haar opgedragen taak ernstig wordt bemoeilijkt, wanneer het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - in acht wordt genomen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de IGZ op grond van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gezondheidswet (Stb.1997, 510) over een zelfstandige bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek naar de staat van de volksgezondheid en de determinanten daarvan beschikt, zodat zij niet louter afhankelijk is van vrijwillige meldingen over knelpunten in de zorgsector. Voorts zijn ingevolge genoemd artikel van de Gezondheidswet in samenhang met artikel 39 van die wet de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5: 20 van de Awb van overeenkomstige toepassing in het geval van door de IGZ uitgevoerde onderzoeken zoals de onderhavige. Dit betekent onder meer dat inspecteurs van de IGZ bevoegd zijn inlichtingen te vorderen en dat een ieder verplicht is alle medewerking te verlenen die de inspecteur redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Voor de toepasselijkheid van die artikelen speelt de vraag of op grond van de Wob aanspraak kan worden gemaakt op de te vorderen inlichtingen geen rol. Reeds gelet hierop wordt aan de ter onderbouwing van zijn stelling overgelegde verklaringen van drie stafmedewerkers van het Vlietlandziekenhuis, waarin is aangegeven - samengevat - dat de betreffende inlichtingen niet zouden zijn verstrekt indien bekend was dat die inlichtingen openbaar gemaakt zouden kunnen worden, niet zonder meer de betekenis toegekend die appellant daaraan kennelijk gehecht wil zien.

    Het - in bezwaar gehandhaafde - besluit om in dit geval aan de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob genoemde belangen meer gewicht toe te kennen dan aan het belang van openbaarmaking van de desbetreffende stukken, is vanwege het ontbreken van een deugdelijke motivering dan ook in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb . De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar, zij het op andere gronden, dan ook terecht vernietigd.

2.7.        Het hoger beroep is gegrond, doch de aangevallen uitspraak komt met verbetering van de gronden waarop deze rust voor bevestiging in aanmerking.

2.8.        Nu de vernietiging door de rechtbank van het door appellant genomen besluit in stand is gebleven, dient appellant op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

III.    veroordeelt de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) aan [verzoeker] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Peute

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006

391.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature