Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 18 december 2003 heeft het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek (NWO) (hierna: het Algemeen Bestuur) de aanvraag van appellant om subsidie voor zijn voorstel, getiteld 'Comprehending German Baroque Music: Sources - Structures - Semantics', afgewezen.

Uitspraak



200504394/1.

Datum uitspraak: 15 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04/384 van de rechtbank Middelburg van 8 april 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek (NWO).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2003 heeft het Algemeen Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek (NWO) (hierna: het Algemeen Bestuur) de aanvraag van appellant om subsidie voor zijn voorstel, getiteld 'Comprehending German Baroque Music: Sources - Structures - Semantics', afgewezen.

Bij besluit van 28 april 2004 heeft het Algemeen Bestuur, onder verwijzing naar het advies van de Commissie beroep- en bezwaarschriften NWO van 18 april 2004, het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 september 2005 heeft het Algemeen Bestuur van antwoord gediend. Daarbij heeft het Algemeen bestuur een overzicht ingediend met de namen van de ingeschakelde referenten en ten aanzien daarvan op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht om geheimhouding. Op 12 oktober 2005 heeft een Enkelvoudige kamer van de Afdeling de beperking van de kennisneming van het desbetreffende stuk gerechtvaardigd geoordeeld. Partijen zijn bij brief van 14 oktober 2005 van deze beslissing op de hoogte gesteld. Aan appellant is gevraagd of hij er toestemming voor verleent dat mede op grondslag van het desbetreffende stuk uitspraak wordt gedaan. Bij brief van 15 november 2005 heeft appellant deze toestemming verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2006, waar appellant in persoon, en het Algemeen Bestuur, vertegenwoordigd door mr. L.J.M. van der Valk, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO) (hierna: de Wet op de NWO) is er een organisatie, genaamd Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet heeft de organisatie tot taak het bevorderen van de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek alsmede het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek.

   Ingevolge het tweede lid van dat artikel voert de organisatie haar taak uit in het bijzonder door het toewijzen van middelen.

   Ingevolge artikel 4 van de Wet op de NWO behoort aan het algemeen bestuur de bevoegdheid tot regeling en bestuur van de organisatie, voor zover die niet bij of krachtens deze wet aan de gebiedsbesturen is opgedragen.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet op de NWO wordt bij reglement vastgesteld voor welke wetenschapsgebieden er gebiedsbesturen zijn.

   Ingevolge het tweede lid van dat artikel is een gebiedsbestuur, met inachtneming van door het algemeen bestuur te geven richtlijnen, het instellingsplan, bedoeld in artikel 18, eerste lid, en de door de minister goedgekeurde begroting, belast met het toewijzen van middelen ten behoeve van onderzoeksprojecten en onderzoekprogramma's.

   Ingevolge artikel 15 van de Wet op de NWO worden het bestuur en de inrichting van de organisatie alsmede de bestuurlijke betrekkingen van de organisatie tot de onderzoekorganisaties voor zover daaraan krachtens deze wet middelen worden toegewezen, nader bij reglement geregeld.

   Ingevolge artikel 16, eerste lid, van die wet wordt het reglement vastgesteld door het algemeen bestuur.

2.2.    Het reglement, bedoeld in de voormelde artikelen 9, eerste lid, 15 en 16, eerste lid, van de Wet op de NWO, is het gewijzigd "Reglement NWO 2002" (hierna: het reglement). Van dit reglement zijn de volgende artikelen van belang:

   "Artikel 2.1 Taken en bevoegdheden

(…)

5. Het Algemeen Bestuur geeft, gehoord de betrokken gebiedsbesturen, algemene richtlijnen voor de wijze van beoordeling van subsidieaanvragen.

(…)

   Artikel 3.1 Gebiedsindeling

Er zijn gebiedsbesturen voor:

a de geesteswetenschappen;

(…)

   Artikel 3.2 Verantwoordelijkheden en bevoegdheden van gebiedsbesturen

1. De gebiedsbesturen stellen voor hun gebied beleid vast.

2. De gebiedsbesturen nemen bij de vaststelling van hun beleid en de toewijzing van middelen het door het Algemeen Bestuur vastgestelde algemene beleid en de voor het desbetreffende gebied goedgekeurde begroting in acht.

3. Een gebiedsbestuur let op het aspect van coördinatie binnen zijn gebied en bevordert deze waar nodig. Het Algemeen Bestuur kan, na overleg met de betrokken gebiedsbesturen, één of meer gebiedsbesturen belasten met de coördinatie van het beleid ten aanzien van een onderdeel van wetenschapsbeoefening dat zich uitstrekt tot meer dan één gebied.

4. Een gebiedsbestuur besteedt bijzondere aandacht aan onderdelen van zijn gebied die zodanige raakvlakken vertonen met onderdelen van andere gebieden dat speciale aandacht voor coördinatie of bevordering van inter- of multidisciplinaire aspecten nodig is. Een gebiedsbestuur doet zo nodig voorstellen terzake aan het Algemeen Bestuur.

(…)"

2.3.    Appellant wenst in aanmerking te komen voor een VICI-subsidie. Blijkens de brochure "VENI VIDI VICI, Vernieuwingsimpuls, Subsidieronde 2003" (hierna: de brochure) behelst het programma Vernieuwingspuls nieuwe stijl drie subsidievormen, namelijk VENI, VIDI en VICI. De VENI-subsidievorm biedt de pas gepromoveerde onderzoeker de mogelijkheid om gedurende drie jaar in Nederland of deels ook in het buitenland haar/zijn ideeën verder te ontwikkelen. Deze subsidie bedraagt maximaal € 200.000,00 voor een periode van drie jaar. De VIDI-subsidievorm is gericht op de onderzoeker die, al dan niet in Nederland, na haar/zijn promotie al een aantal jaren onderzoek op post-doc niveau heeft verricht en daarbij heeft aangetoond vernieuwende ideeën te genereren en succesvol zelfstandig tot ontwikkeling te brengen. De subsidie bedraagt maximaal € 600.000,00 voor een periode van vijf jaar. De VICI-subsidievorm is gericht op de senior-onderzoeker die heeft aangetoond met succes een eigen vernieuwende onderzoekslijn tot ontwikkeling te kunnen brengen en als coach voor jonge onderzoekers te kunnen fungeren. De subsidie bedraagt maximaal € 1.250.000,00 voor een periode van vijf jaar.

2.3.1.    De brochure beschrijft in paragraaf 1.7. hoe de selectieprocedure met betrekking tot voormelde drie subsidievormen verloopt. Voor de VICI-subsidievorm geldt dat altijd wordt gewerkt met vooraanmeldingen. Daarbij gaat het om beperkt uitgewerkte aanvragen. Deze vooraanmeldingen worden door een breed samengestelde beoordelingscommissie vergelijkenderwijs besproken en vervolgens geprioriteerd naar kansrijkheid, zonder gebruik te maken van externe adviseurs. De meest kansrijke kandidaten worden uitgenodigd een uitgewerkte aanvraag in te dienen. Deze uitgewerkte aanvraag wordt ter beoordeling aan externe adviseurs voorgelegd. Vervolgens krijgt de kandidaat de geanonimiseerde adviezen toegezonden en heeft zij/hij de mogelijkheid hierop te reageren. Tenslotte vindt een interview met de kandidaten plaats, waarna de commissie tot een advies komt. Dit advies gaat naar het betrokken gebiedsbestuur. Omdat de subsidie een persoonsgericht instrument is, zal de nadruk bij de beoordeling van de aanvragen liggen op een beoordeling van de wetenschappelijke kwaliteiten van de onderzoeker, haar/zijn wetenschappelijke potentie en de passendheid binnen de doelgroep van de subsidievorm. Alleen voorstellen met een eindoordeel "zeer goed" of "excellent" worden subsidiabel geacht.

   Het gebiedsbestuur maakt een selectie van te honoreren kandidaten en legt deze voor aan het Algemeen Bestuur. Vanwege budgettaire beperkingen kan gewoonlijk slechts een beperkt aantal subsidiabele voorstellen worden gehonoreerd. Het Algemeen Bestuur van NWO neemt uiteindelijk het definitieve besluit tot toekenning.

   Volgens de brochure leiden de selectierondes, indien voldoende aanvragen aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen, tot de honorering van in totaal ca. 80 kandidaten voor de VENI-subsidievorm, ca. 75 kandidaten voor de VIDI-subsidievorm en ca. 25 kandidaten voor de VICI-subsidievorm, verdeeld over alle wetenschapsgebieden. Er kunnen op grond van de aanvraagdruk en op voorstel van de gebiedsbesturen nog verschuivingen tussen de te honoreren aantallen per subsidievorm plaatsvinden.

   Paragraaf 4.3. van de brochure vermeldt de criteria op grond waarvan de kandidaten en de voorgestelde vooraanmeldingen/aanvragen met betrekking tot de VICI-subsidie zullen worden beoordeeld.

2.3.2.    Appellant heeft, teneinde in het jaar 2003 een VICI-subsidie te verkrijgen, een vooraanmelding ingediend getiteld 'Comprehending German Baroque Music: Sources - Structures - Semantics'. In het jaar 2002 heeft appellant eveneens een VICI-subsidie aangevraagd voor een in essentie zelfde onderzoeksvoorstel, welke aanvraag is afgewezen. Daarbij heeft een rol gespeeld dat er een "scholenstrijd" tussen onderzoekers op zijn vakgebied gaande was, waardoor enkele referenten niet onverdeeld gunstig over appellants aanvraag oordeelden. Bij brief van 27 mei 2003 deelt het Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen (hierna: het Gebiedsbestuur) hem mee dat hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn vooraanmelding nader uit te werken tot een volledige aanvraag. In die brief is aangegeven dat van de in totaal tien ingediende vooraanmeldingen zes voor nadere uitwerking zijn geselecteerd en daarvan waarschijnlijk twee, maximaal drie, voorstellen kunnen worden gehonoreerd. Op 18 november 2003 brengt de VICI-commissie, na kennisneming van de adviezen van de aangeschreven referenten en na de op 6 november 2003 gehouden interviews met de kandidaten, advies uit aan het Gebiedsbestuur inzake de zes uitgewerkte aanvragen. De uitgewerkte aanvraag van appellant is door alle voor de beoordeling daarvan aangezochte referenten als "excellent" gekwalificeerd. De VICI-commissie kent de aanvraag van appellant evenwel de kwalificatie "very good" toe. Appellant eindigt daarmee op de derde plaats. Op 4 december 2003 brengt het Gebiedsbestuur advies uit aan het Algemeen Bestuur en heeft daarbij de door de VICI-commissie aan het onderzoeksvoorstel van appellant toegekende kwalificatie van "very good" gewijzigd in "excellent/very good". Het Gebiedsbestuur heeft daarmee tot uitdrukking willen brengen dat het bestuur enerzijds overtuigd is van de excellentie van appellant, doch anderzijds van mening is dat hij in vergelijking met de twee als hoogst geprioriteerden op het gebied van interdisciplinariteit in het gesprek minder sterk naar voren kwam. Het Gebiedsbestuur adviseert vervolgens de aanvragen van de twee hoogst geprioriteerden te honoreren.

   Bij besluit van 18 december 2003 heeft het Algemeen Bestuur de aanvraag van appellant afgewezen. Bij besluit van 28 april 2004 heeft het Algemeen Bestuur het door appellant gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de Commissie beroep- en bezwaarschriften NWO van 18 april 2004, ongegrond verklaard.

2.4.    Voorop moet worden gesteld dat het Algemeen Bestuur bij het toekennen van subsidies beleidsvrijheid toekomt, zodat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de rechter het besluit van 28 april 2004 slechts terughoudend kan toetsen. Slechts indien geoordeeld moet worden dat het Algemeen Bestuur niet in redelijkheid tot voormeld besluit heeft kunnen komen dan wel dat het besluit is genomen in strijd met de wet of in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel, is plaats voor vernietiging van het besluit.

2.5.    Het betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geenszins is komen vast te staan dat het Gebiedsbestuur appellant heeft toegezegd dat voor de beoordeling van zijn voorstel vier nieuwe referenten zouden worden aangeschreven, slaagt niet.  

   De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat dit niet is komen vast te staan. Appellant is toegezegd dat, indien hij in het kader van een herindiening van zijn voorstel een lijst zou overleggen met "scholen die aansloten bij zijn voorstel", deze lijst zou worden gebruikt bij de referentenkeuze. Appellant heeft naar aanleiding hiervan per e-mail van 3 juni 2003 een lijst van acht instellingen overgelegd, die is gebruikt bij de referentenkeuze. Van een verdergaande toezegging is niet gebleken.

2.5.1.    Het Algemeen Bestuur heeft in zijn brief aan de rechtbank van 19 augustus 2004 aangegeven dat het Gebiedsbestuur bij een herindiening van een onderzoeksvoorstel de vaste gedragslijn hanteert enige referenten uit de vorige ronde aan te schrijven, met het doel inzicht te verkrijgen in de mate waarin het voorstel is verbeterd. In het onderhavige geval heeft het Gebiedsbestuur twee positieve referenten uit de ronde 2002 opnieuw aangeschreven.

   Niet valt in te zien dat het Gebiedsbestuur niet in redelijkheid tot de voormelde gedragslijn heeft kunnen komen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de vaste gedragslijn niet op appellant van toepassing zou zijn. Niet in geschil is dat in essentie sprake is van hetzelfde onderzoeksvoorstel. Dat het voorstel volgens appellant nauwkeurig is bijgesteld doet daaraan niet af. Bijstelling van het voorstel ligt juist zeer voor de hand, omdat het voorstel in de vorige ronde is afgewezen. De door appellant aangevoerde omstandigheid dat de twee positieve referenten uit de ronde 2002 door de VICI-commissie 2002 als te weinig kritisch werden beoordeeld, heeft het Gebiedsbestuur, gelet op de achtergrond van de gehanteerde vaste gedragslijn, terecht niet aangemerkt als een omstandigheid die niet geacht kan worden bij de vaststelling van de vaste gedragslijn te zijn betrokken en die tot afwijking daarvan zou kunnen nopen. Bij het voorgaande neemt de Afdeling voorts in aanmerking dat het Gebiedsbestuur bij de toepassing van de vaste gedragslijn appellant al buitengewoon ter wille is geweest, door hem, zoals onder 2.5. is overwogen, in de gelegenheid te stellen een lijst te overleggen van "scholen die aansloten bij zijn voorstel" en deze lijst te gebruiken bij de referentenkeuze.

   Gelet op het vorenstaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat het Gebiedsbestuur de door hem gehanteerde gedragslijn in het onderhavige geval niet in redelijkheid heeft kunnen toepassen. Dat appellant stelt van deze gedragslijn niet op de hoogte te zijn geweest, leidt niet tot een ander oordeel. Nu de vaste gedragslijn niet bij besluit is vastgesteld, zodat geen sprake is van beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb , behoefde deze niet te worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3: 42 van die wet.

2.5.2.    De rechtbank heeft mitsdien terecht overwogen dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat voormelde procedure ten opzichte van appellant onzorgvuldig is geweest.

2.6.    Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat de VICI-commissie ondeugdelijk is samengesteld, dan wel dat sprake is van een samenstelling die tot vooringenomen standpunten zou leiden en dat voorts niet is gebleken dat bij de leden van de commissie van onvoldoende onafhankelijkheid en onpartijdigheid ten aanzien van de verschillende subsidiekandidaten sprake zou zijn.

   Dat in de VICI-commissie van het gebied geesteswetenschappen in 2003 de discipline musicologie niet was vertegenwoordigd, betekent niet dat de VICI-commissie niet deskundig en onafhankelijk zou zijn. Daarbij is van belang dat uit de stukken blijkt dat de VICI-commissie breed is samengesteld, dat de leden gekozen worden op grond van hun onderzoekservaring en een brede blik op het gehele gebied van de geesteswetenschappen en niet op grond van hun vakinhoudelijke expertise. Van een tegenstelling met het NWO jaarboek 2003, waarin staat dat besloten is multidisciplinaire voorstellen op gebiedsniveau te behandelen - alwaar immers de expertise ligt -, is geen sprake, nu het Algemeen Bestuur ter zitting heeft aangegeven dat hier gedoeld wordt op de aanwezige algemene expertise op het gebied van geesteswetenschappen.

   Dat de VICI-commissie de aanvraag van appellant als "very good" heeft aangemerkt, terwijl de vijf referenten het voorstel van appellant als "excellent" hebben gekwalificeerd, kan op zich niet op vooringenomenheid duiden. De VICI-commissie heeft in haar advies van 18 november 2003 gemotiveerd aangegeven op grond waarvan zij tot het oordeel is gekomen dat het voorstel van appellant - in afwijking van het oordeel van de vijf referenten - als "very good" moet worden gekwalificeerd. Daarbij is van belang dat de VICI-commissie alle ingediende voorstellen onder ogen krijgt en zich op basis daarvan, alsook van de adviezen van de referenten over al die voorstellen en van de gehouden interviews met alle kandidaten, een eigen oordeel moet vormen ten aanzien van de kwaliteit en de daaruit voortvloeiende in het advies neer te leggen prioriteit van de verschillende subsidieaanvragen ten opzichte van elkaar. De referenten brengen slechts ten aanzien van één voorstel advies uit en zijn niet op de hoogte van de overige ingediende voorstellen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de VICI-commissie niet aan de adviezen van de referenten is gebonden.

   Gelet op het vorenoverwogene, is de rechtbank evenzeer terecht tot het oordeel gekomen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de VICI-commissie onzorgvuldig heeft gehandeld en het Algemeen Bestuur zich niet op het advies van de VICI-commissie mocht baseren. Dat appellant het door de VICI-commissie met hem gehouden interview als vijandig heeft ervaren en dat hij daarin onvoldoende tijd zou hebben gehad zijn standpunt naar voren te brengen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het Algemeen Bestuur heeft aangegeven dat een kandidaat in korte tijd moet antwoorden op de gestelde vragen, hetgeen op kandidaten onaangenaam kan overkomen. Het verslag van het met appellant gehouden interview bevat echter, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake zou zijn van een onzorgvuldige handelwijze van de VICI-commissie.

2.7.    Ook het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat het Gebiedsbestuur door de toegepaste verschuiving van VICI-plaatsen naar VIDI- en VENI-plaatsen ten opzichte van appellant onzorgvuldig heeft gehandeld, faalt.

   De brochure vermeldt op pagina 13 dat op grond van de aanvraagdruk en op voorstel van de gebiedsbesturen nog verschuivingen tussen de te honoreren aantallen per subsidievorm kunnen plaatsvinden. Het Gebiedsbestuur heeft bij brief van 12 september 2003 het Algemeen Bestuur verzocht in 2003 één VICI-plaats in te mogen zetten ten behoeve van extra plaatsen voor de andere subsidievormen, zodat in de ronde 2003 slechts twee in plaats van drie VICI-aanvragen gehonoreerd kunnen worden. Op 24 september 2003 heeft het Algemeen Bestuur deze toestemming verleend. Met de verschuiving werd beoogd de honoreringspercentages voor de drie subsidievormen binnen een gebied met elkaar in evenwicht te brengen.

   Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het Gebiedsbestuur, gelet op de verhouding tussen de aantallen ingediende VENI-, VIDI- en VICI-aanvragen en de wens om de honoreringspercentages voor de drie subsidievormen binnen een gebied met elkaar in evenwicht te brengen, niet in redelijkheid tot voormelde verschuiving heeft kunnen komen en dat het Algemeen Bestuur deze verschuiving niet in redelijkheid heeft kunnen goedkeuren. Niet valt in te zien dat de verschuiving die heeft plaatsgevonden in strijd is met hetgeen in de brochure is vermeld dan wel dat deze verschuiving onjuist is gemotiveerd. Gelet daarop en nu appellant bij brief van 27 mei 2003 is meegedeeld dat twee, maximaal drie, voorstellen worden gehonoreerd, kan evenmin worden staande gehouden dat bij appellant door het Gebiedsbestuur de indruk is gewekt dat ten minste drie VICI-plaatsen beschikbaar zouden zijn.

2.8.    Het betoog van appellant dat geen sprake is geweest van een spreiding over wetenschapsgebieden, nu in het jaar 2003 zesentwintig VICI-subsidies zijn toegekend, doch slechts twee daarvan aan het gebied geesteswetenschappen zijn verstrekt, kan evenmin slagen. De brochure vermeldt op pagina 13 dat de honorering verdeeld wordt over alle wetenschapsgebieden. Niet is gebleken dat een dergelijke verdeling niet heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat binnen het gebied geesteswetenschappen de inwisseling van één VICI-subsidie heeft geleid tot extra plaatsen voor de andere subsidievormen binnen het gebied geesteswetenschappen. De verschuiving die op verzoek van het Gebiedsbestuur heeft plaatsgevonden, heeft dan ook niet tot gevolg gehad dat het gebied geesteswetenschappen in het jaar 2003 in totaal, de drie subsidievormen bezien, minder subsidiegeld kreeg toebedeeld.

2.9.    Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het Algemeen Bestuur de afwijzing van de aanvraag van appellant onvoldoende heeft gemotiveerd. In het besluit van 18 december 2003 en het bijbehorende beoordelingsrapport van diezelfde datum heeft het Algemeen Bestuur aangegeven dat het voorstel op zich wel als subsidiabel wordt beoordeeld, maar op grond van de rangschikking en de beperkte financiële ruimte niet kan worden gehonoreerd. In dit verband heeft het Algemeen Bestuur verwezen naar het advies van de VICI-commissie van 18 november 2003 en het advies van de Gebiedscommissie van 4 december 2003. In deze adviezen is, evenals in het bij het voormelde besluit behorende

beoordelingsrapport, gemotiveerd uiteengezet om welke redenen het voorstel van appellant lager wordt gekwalificeerd dan de aanvragen die zijn geëindigd op de eerste en tweede plaats.

2.10.    Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het Algemeen Bestuur in redelijkheid heeft kunnen besluiten de aanvraag van appellant om in aanmerking te komen voor een VICI-subsidie af te wijzen, zoals gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar.

2.11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2006

18-435.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature