< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Registratie

ambtshalve

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Zesde enkelvoudige kamer)

AWB 05/152 15 februari 2006

3110 Registratie

ambtshalve

Uitspraak in de zaak van:

Royal Stone Nederland B.V., te ‘s-Heerenberg, appellante,

gemachtigde: mr. D. van Hijkoop, advocaat te Doetinchem,

tegen

Hoofdbedrijfschap Ambachten, verweerder,

gemachtigde: mr. P.J.M. Grimmon en mr. R.J. Vixseboxse, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 25 februari 2005, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 januari 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 19 juli 2004, waarbij appellantes bedrijf is geregistreerd op grond van de Registratieverordening Hoofdbedrijfschap Ambachten 2004 (hierna: Registratieverordening).

Bij brief van 30 maart 3005 heeft appellante de gronden van haar beroep ingediend.

Bij brief van 25 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 4 januari 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Registratieverordening is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

“ Artikel 2

Deze verordening is van toepassing op de ondernemers die een onderneming drijven waarin een in artikel 3, van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Ambachten genoemd bedrijf wordt uitgeoefend.

Artikel 4

Van de ondernemingen die onder de werkingssfeer van het HBA vallen, worden in een bestand gegevens opgenomen over de onderneming en de ondernemer, alsmede administratieve gegevens.

(…)”.

Het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Ambachten (hierna: Instellingsbesluit) luidt, voorzover hier van belang:

“ Artikel 2

Onder ambachtsbedrijf wordt verstaan een onderneming waarin plaatsvindt:

a. het vervaardigen of bewerken van zaken en het verkopen daarvan;

b. het herstellen en onderhouden van zaken of

c. het verlenen van diensten.

Artikel 3

1. Er is een Hoofdbedrijfschap Ambachten.

2. Het hoofdbedrijfschap is ingesteld voor de volgende ambachtsbedrijven:

(…)

d. productieambacht

(…)

6°. het natuursteenbedrijf;

(…)

3. In bijlage A bij dit artikel wordt een nadere omschrijving gegeven van de in het eerste en tweede lid genoemde bedrijven.

(…)”

In bijlage A behorende bij artikel 3 van het Instellingsbesluit is onder meer het volgende vermeld:

“ Het natuursteenbedrijf

Onder het natuursteenbedrijf wordt verstaan het bedrijf waarin het bewerken van natuursteen, al dan niet gepaard gaande met het plaatsen daarvan, of de handel in onbewerkt natuursteen wordt uitgeoefend.”

In de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit is onder meer het volgende vermeld:

“ In artikel 3 zijn de ambachtsbedrijven opgesomd waarvoor het Hoofdbedrijfschap is ingesteld. Ook als in die bedrijven naast een in artikel 3 genoemd ambacht, andere werkzaamheden worden uitgeoefend, ressorteren ze onder het Hoofdbedrijfschap.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 19 juli 2004 is appellantes bedrijf door verweerder geregistreerd op grond van de Registratieverordening.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 27 augustus 2004 bezwaar gemaakt.

- Op 7 december 2004 is appellante over haar bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en is de registratie van appellantes bedrijf gehandhaafd.

Verweerder heeft zich hierbij, samengevat, op het standpunt gesteld dat, nu vaststaat dat 10% van appellantes omzet wordt gegenereerd door de uitoefening van het natuursteenbedrijf, appellantes bedrijf het natuursteenbedrijf in de zin van artikel 3 van het Instellingsbesluit uitoefent en op grond daarvan ingeschreven dient te zijn in het register van verweerder.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante is van mening dat verweerder haar bedrijf ten onrechte heeft geregistreerd, omdat zij om de navolgende redenen niet onder de werkingssfeer van verweerder valt.

Het bedrijf waar het ambacht van het natuursteenbedrijf wordt uitgeoefend, kenmerkt zich door een hoge mate van kleinschaligheid, weinig arbeidsdeling en specialisme en het ontbreken van staffuncties. Appellantes bedrijf heeft niet de kenmerken van een ambachtsbedrijf. Appellante heeft 70 personen in dienst met een jaaromzet van 10 miljoen euro. Slechts 10% van deze omzet wordt behaald uit het natuursteenbedrijf.

Noch op grond van het Instellingsbesluit noch op grond van de toelichting hierop kan appellantes bedrijf worden aangemerkt als een ambachtsbedrijf dat valt onder het Instellingsbesluit. In de toelichting op artikel 3 van het Instellingsbesluit gaat het om een ambachtsbedrijf dat nevenactiviteiten uitoefent, maar niet zoals in appellantes geval, om een bedrijf dat als nevenactiviteit ambachtelijke werkzaamheden uitoefent.

Dat verweerder slechts voor de werkzaamheden van het bedrijf die betrekking hebben op het natuursteenbedrijf heffingsplichtig is, ondersteunt appellantes standpunt dat verweerder haar eigenlijk niet ziet als een bedrijf dat valt onder het Instellingsbesluit. Voor een differentiatie naar bedrijfsonderdelen vindt appellante geen aanknopingspunten in het Instellingsbesluit. Door het brengen van een bedrijfsactiviteit onder de heffingsplicht creëert verweerder een onderneming binnen een onderneming waartoe artikel 66, tweede lid, Wbo geen grondslag biedt.

Indien verweerder meent dat op deze wijze mag worden gewerkt, dan worden de natuursteenbedrijfswerkzaamheden die bijvoorbeeld door de keukenbranche worden uitgeoefend, ten onrechte niet onder de registratie- en heffingsplicht gebracht.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 4 juncto artikel 2 van de Registratieverordening is een onderneming registratieplichtig, indien deze onderneming onder de werkingssfeer van verweerder valt. Blijkens artikel 3 van het Instellingsbesluit is verweerder onder meer ingesteld voor het productieambacht, waartoe het natuursteenbedrijf behoort. In Bijlage A, behorend bij artikel 3, wordt onder natuursteenbedrijf verstaan het bedrijf waarin het bewerken van natuursteen, al dan niet gepaard gaande met het plaatsen daarvan, of de handel in onbewerkt natuursteen wordt uitgeoefend.

5.2 Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil dat 10% van appellantes omzet, 1 miljoen euro, wordt behaald uit werkzaamheden die behoren tot het natuursteenbedrijf in vorenomschreven zin. Dit brengt mee dat appellantes bedrijf registratieplichtig is en verweerder appellante terecht heeft geregistreerd op grond van de Registratieverordening.

5.3 Hetgeen appellante heeft aangevoerd, leidt het College niet tot een ander oordeel.

Dat alleen van een ambachtsbedrijf kan worden gesproken indien het bedrijf voldoet aan de door appellante in rubriek 4 weergegeven kenmerken, vindt geen grondslag in het Instellingsbesluit noch in de toelichting daarop.

Anders dan appellante meent, blijkt uit de toelichting niet dat een bedrijf dat als nevenactiviteit ambachtelijke werkzaamheden uitoefent, geen ambachtsbedrijf in de zin van artikel 3 van het Instellingsbesluit kan zijn. De strekking van de toelichting is nu juist dat ook bedrijven die slechts gedeeltelijk werkzaamheden van het ambachtsbedrijf uitoefenen registratieplichtig zijn.

Het beroep van appellante op artikel 66, tweede lid, Wbo kan evenmin slagen. Op grond van deze bepaling kunnen voor ondernemingen die in het bedrijfsleven een gelijke of verwante functie vervullen hoofdbedrijfschappen of bedrijfschappen worden ingesteld. Verweerder is ingesteld voor ondernemingen die het ambachtsbedrijf uitoefenen. Dat sommige ondernemingen alleen ambachtswerkzaamheden uitoefenen en andere ondernemingen zowel ambachtswerkzaamheden als andere werkzaamheden, neemt niet weg dat al deze ondernemingen een gelijke of verwante functie, het ambachtsbedrijf, uitoefenen.

Appellantes stelling over de keukenbranche kan ten slotte ook niet leiden tot de conclusie dat appellante ten onrechte is geregistreerd. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat keukenbedrijven niet per definitie buiten de werkingssfeer van verweerder vallen. Op grond van de individuele feiten en omstandigheden wordt beoordeeld of een keukenbedrijf onder de omschrijving van het natuursteenbedrijf in de zin van het Instellingsbesluit valt. Indien een keukenbedrijf onder deze omschrijving valt, is ook dit keukenbedrijf registratieplichtig.

5.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2006.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.H. Vazquez Muñoz


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature