< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

art. 8 Regeling vluchtuitvoering Ballonnen, artt. 2.1 en 5.3 Wet luchtvaart, art. 62 Luchtvaartwet

Ongeval met luchtballon met een inhoud van 180.000 kubieke voet. Gezagvoerder voldeed niet aan de ervaringseisen die voor een vaart als gezagvoerder met een dergelijke ballon gelden.

Sprake van een inschattingsfout welke verdachte kan worden aangerekend maar die inschattingsfout rechtvaardigt niet de conclusie dat verdachte zich roekeloos, zeer onvoorzichtig, onoplettend en/ of zich nalatig heeft gedragen, aangezien de daarvoor benodigde schuld ontbreekt. Aldus vrijspraak van het onder primair ten laste gelegde, zijnde het strafbaar gestelde in art. 169 Sr.

Beroep op rechtsdwaling ten aanzien van artikel 8 lid 1 onder e van de Regeling vluchtuitvoering ballonnen . Verweer verworpen. Verweer inhoudende beroep op vrijspraak gelet op legaliteitsbeginsel eveneens verworpen nu verdachte volgens de meest gunstige bepalingen ook niet aan de ervaringseisen voldeed. Evenmin OVAR.

Gelet op de verklaring van de deskundige dat er een groter risico op een ongeval bestaat bij grotere ballonnen in vergelijking met kleinere ballonnen (ten gevolge van de grotere massa) indien de gezagvoerder te weinig vluchturen heeft gemaakt, is de harde landing van de ballon toe te schrijven aan het ervaringsgebrek van de gezagvoerder.

Bewezenverklaring medeplegen van handelen in strijd met artikel 5.3 Wet Luchtvaart, medeplegen van handelen in strijd met artikel 2.1, eerste lid Wet Luchtvaart en overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 62, derde lid, Luchtvaartwet .

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE

NEVENVESTIGING LELYSTAD

SECTOR STRAFRECHT

POLITIERECHTER

Parketnummer: [nummer]

Uitspraakdatum: 14 november 2005

Tegenspraak

SCHRIFTELIJK VONNIS (art. 379 Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2005 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I (a t/m c) aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aangevoerd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard aangezien onvoldoende duidelijk is op welk bewijs van bevoegdheid wordt gedoeld nu niet het per 1 oktober 2004 gewijzigde artikel 28 van de Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001 ten laste is gelegd maar artikel 8 van de Regeling vluchtuitvoering Ballonnen , in welk artikel de ervaringseisen per balloncategorie tot 1 oktober 2004 waren geregeld.

De politierechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Het staat de officier van justitie vrij de nieuwe danwel de oude regeling ten laste te leggen en nu de oude regeling ten laste is gelegd, kan het niet anders dan dat gedoeld wordt op de in die regeling neergelegde bevoegdheidseis. De dagvaarding is aldus voldoende duidelijk en voldoet daarmee aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering. Het betreft het een geldige dagvaarding.

De politierechter heeft voorts vastgesteld dat hijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot het navolgende gerekwireerd:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, onder 2 en onder 3 ten laste gelegde,

- ten aanzien van feit 1 de oplegging van een taakstraf van 180 uren bij niet verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis, ten aanzien van feit 2 de oplegging van een geldboete ter hoogte van 1500 euro waarvan 750 euro voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten als lid van het boordpersoneel met een proeftijd van twee jaren. Ten aanzien van feit 3 de oplegging een geldboete ter hoogte van 1500 euro waarvan 750 euro voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4. Bewijs

4.1 Vrijspraak ten aanzien feit 1 primair

Gelet op hetgeen onder 4.9.2 en 4.9.3 in de vlucht- en onderhoudshandleiding van de ballon Ultramagic staat beschreven over de te volgen procedure bij een landing met wind, kan niet gesteld worden dat onder de gegeven omstandigheden (op 17 mei 2003) verdachte, door het inzetten van een steile daalhoek en het gebruik van de smart vent op een hoogte van ongeveer vijf meter, per definitie onjuist heeft gehandeld. De ter terechtzitting gehoorde deskundige J.C.M. de Wilde spreekt van een door verdachte gemaakte inschattingsfout. Naar het oordeel van de politierechter rechtvaardigt een dergelijke kwalificatie niet de conclusie dat verdachte zich roekeloos, zeer onvoorzichtig, onoplettend en/of zich nalatig heeft gedragen, aangezien de daarvoor benodigde schuld ontbreekt. Aldus is niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.2 Bewijsverweren ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte heeft gedwaald ten aanzien van de in artikel 8 lid 1 onder e van de Regeling Vluchtuitvoering Ballonnen gestelde eisen in die zin dat hij er van uitging dat hij vanaf 1998 meer dan vier jaar in het bezit moest zijn van een geldig bewijs van bevoegdheid als ballonvaarder en aldus gerechtigd was om een ballon van meer dan 180.000 kubieke voet te varen. Gelet op deze rechtsdwaling dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman van verdachte.

De politierechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het navolgende.

De formulering van de regeling die is neergelegd in artikel 8, eerste lid onder e van de Regeling vluchtuitvoering Ballonnen is dusdanig eenduidig dat deze geen ruimte laat voor een andere interpretatie dan dat verdachte op het moment van inwerkingtreding van de regeling op 6 april 1998 aan voornoemde eis diende te voldoen. Voorts is niet gebleken dat verdachte zich actief heeft laten voorlichten over de inhoud van deze regeling. Dat behoort tot de basale zorgverplichting van een ieder die een voer-, vaar-, of luchtvaartuig wil gaan besturen. Verdachte had beter behoren te weten, en aldus staat het verweer niet in de weg aan bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Daar waar de raadsman ten aanzien van de feiten 2 en 3 een beroep op vrijspraak heeft gedaan gelet op het in artikel 1, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht vervatte legaliteitsbeginsel, verwerpt de politierechter ook dit verweer en overweegt daartoe het navolgende.

Bij toepassing van de meest gunstige bepaling voor verdachte ex artikel 1 lid 2 Sr , zijnde in casu artikel 28 Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001 waarin lagere ervaringseisen voor het ballonvaren met een heteluchtballon van 180.000 kubieke voet worden gesteld, voldoet verdachte nog steeds niet aan de in die regeling vervatte ervaringseisen. Immers, een optelsom van de door verdachte gemaakte vluchten tot 17 mei 2003 heeft als (maximaal) resultaat 145 uitgevoerde vluchten als gezagvoerder terwijl daarvoor een vereiste geldt van (onder meer) 150 uitgevoerde vluchten. De politierechter komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Voor zover de raadsman heeft bedoeld dat volgens de wettige bewijsmiddelen de nieuwe regeling als vervat in artikel 28 Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen voor luchtvarenden 2001 niet is overtreden, en tot ontslag van alle rechtsvervolging dient te leiden, wordt dit eveneens verworpen. Ontslag van alle rechtsvervolging is niet aan de orde nu verdachte ook volgens de nieuwe regelgeving een strafbaar feit heeft gepleegd.

4.3 Bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat hij

1 subsidiair:

op 17 mei 2003 te Zeewolde, althans in het luchtruim boven Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, als gezagvoerder van een luchtvaartuig, te weten een ballon, merk Ultramagic type N-180, nationaliteits- en/of inschrijvingskenmerk PH-NAJ, aan het luchtverkeer heeft deelgenomen,

immers heeft hij verdachte, een vlucht uitgevoerd met een ballon zonder te voldoen aan de in artikel 8 lid 1 onder e van de Regeling Vluchtuitvoering Ballonnen gestelde eisen

te weten dat een ballonvaarder op het moment van inwerkingtreding van voornoemde regeling (te weten 6 april 1998) meer dan 4 jaar in het bezit moet zijn van een geldig bewijs van bevoegdheid als ballonvaarder en in de voorafgaande 12 maanden tenminste 10 vluchten met een gezamenlijke vluchttijd van tenminste 10 uur moet hebben uitgevoerd als gezagvoerder van een ballon

of

meer dan 250 vluchten als gezagvoerder van een ballon moet hebben uitgevoerd, waarbij de gezamenlijke vluchttijd meer dan 250 uur bedraagt en onder toezicht van een houder van een bewijs van bevoegdheid als ballonvaarder die in ieder geval voldoet aan de eisen gesteld in dit onderdeel tenminste 10 vluchten met een gezamenlijke vluchttijd van tenminste 10 uren moet hebben uitgevoerd op een type ballon van de in dit onderdeel genoemde categorie,

waarbij die ballon zodanig hard landde, dat verdachte en passagier [slachtoffer] uit de mand werden geslingerd, waarbij die [slachtoffer] en [slachtoffer] lichamelijk letsel opliepen,

en aldus op zodanige wijze aan het luchtverkeer heeft deelgenomen dat daardoor personen, te weten de inzittenden van de ballon, en zaken te weten de ballon en/of goederen en/of voorwerpen op de grond in gevaar werden of konden worden gebracht.

2.

hij op 17 mei 2003 te Zeewolde, althans in het luchtruim boven Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een luchtvaartuig, te weten een ballon van het merk ultramagic, type N-180, nationaliteits- en inschrijvingskenmerk PH-NAJ, heeft bediend, zonder het daarvoor geldige Nederlandse bewijs van bevoegdheid of een daarvoor geldig Nederlands bewijs van gelijkstelling.

3.

hij op 17 mei 2003 te Zeewolde, althans in het luchtruim boven Nederland, als gezagvoerder van een ballon

van het merk Ultramagic , type N-180, registratienummer PH-NAJ, een vlucht heeft uitgevoerd met zeven passagiers, in de categorie als bedoeld in artikel 8 lid 1 onder e van de Regeling Vluchtuitvoering Ballonnen (met betrekking tot een ballon met een inhoud van 180.000 kubieke voet of meer) terwijl hij, verdachte, niet voldeed aan de in voornoemde Regeling gestelde eisen

te weten dat een ballonvaarder op het moment van inwerkingtreding van voornoemde regeling (te weten 6 april 1998) meer dan 4 jaar in het bezit moet zijn van een geldig bewijs van bevoegdheid als ballonvaarder en in de voorafgaande 12 maanden tenminste 10 vluchten met een gezamenlijke vluchttijd van tenminste 10 uur moet hebben uitgevoerd als gezagvoerder van een ballon

of

meer dan 250 vluchten als gezagvoerder van een ballon moet hebben uitgevoerd, waarbij de gezamenlijke vluchttijd meer dan 250 uur bedraagt en onder toezicht van een houder van een bewijs van bevoegdheid als ballonvaarder die in ieder geval voldoet aan de eisen gesteld in dit onderdeel tenminste 10 vluchten met een gezamenlijke vluchttijd van tenminste 10 uren moet hebben uitgevoerd op een type ballon van de in dit onderdeel genoemde categorie.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.4 Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 subsidiair

Gelet op de door de deskundige J.C.M. de Wilde ter terechtzitting afgelegde verklaring dat door de grote massa van relatief grote luchtballonnen als in het onderhavige geval, waarin verdachte als gezagvoerder een vlucht met een heteluchtballon heeft uitgevoerd met een inhoud van 180.000 kubieke voet, een groter risico op een ongeval bestaat - in vergelijking met vluchten met ballonnen met een kleinere inhoud - indien de gezagvoerder te weinig vluchturen heeft gemaakt, is naar het oordeel van de politierechter de harde landing van de ballon waardoor personen gewond zijn geraakt toe te schrijven aan het ervaringsgebrek aan de zijde van de gezagvoerder.

5. Strafbaarheid van de feiten

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder twee ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte heeft gedwaald ten aanzien van de in artikel 8 lid 1 onder e van de Regeling Vluchtuitvoering Ballonnen gestelde eisen in die zin dat hij er van uitging dat hij vanaf 1998 meer dan vier jaar in het bezit moest zijn van een geldig bewijs van bevoegdheid als ballonvaarder en aldus aan de in die regeling genoemde eisen voldeed. Gelet op deze rechtsdwaling dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen, aldus de raadsman van verdachte.

De politierechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De formulering van de regeling die is neergelegd in artikel 8, eerste lid onder e van de Regeling vluchtuitvoering Ballonnen is dusdanig eenduidig dat deze geen ruimte laat voor een andere interpretatie dan dat verdachte op het moment van inwerkingtreding van de regeling op 6 april 1998 aan voornoemde eis diende te voldoen. Voorts is niet gebleken dat verdachte zich actief heeft laten voorlichten over de inhoud van deze regeling. Dat behoort tot de basale zorgverplichting van een ieder die een voer-, vaar-, of luchtvaartuig wil gaan besturen en aldus kan verdachte het verwijt worden gemaakt dat hij beter had moeten weten.

Voorts heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat – nu artikel 8 lid 1 onder e van de Regeling vluchtuitvoering Ballonnen per 1 oktober 2004 is komen te vervallen – artikel 1, tweede lid , van het Wetboek van Strafrecht meebrengt dat aan voornoemd gewijzigd artikel geen betekenis meer toekomt. Nu overtreding van de nieuwe regelgeving niet in de tenlastelegging is opgenomen, kan niet worden toegekomen aan toetsing van deze voor verdachte gunstiger regeling en dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen, aldus de raadsman van verdachte.

De politierechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het navolgende.

De ervaringseisen per balloncategorie zijn per 1 oktober 2004 komen te vervallen in de Regeling vluchtuitvoering ballonnen en in plaats daarvan, wat betreft het commercieel ballonvaren, opgenomen in artikel 28 Regeling bewijzen van bevoegdheid en bevoegdheidverklaringen voor luchtvarenden 2001. De in deze Regeling bepaalde ervaringseisen voor een ballon van 180.000 kubieke voet zijn weliswaar lager gesteld dan voorheen in de Regeling vluchtuitvoering ballonnen maar ook volgens artikel 28 Regeling bewijzen van bevoegdheid voldeed verdachte ten tijde van het ongeval niet aan de ervaringseisen nodig voor een klassebevoegdverklaring. In die zin is de nieuwe regeling niet een gunstiger bepaling voor verdachte, ex artikel 1, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, nu het bewezenverklaarde in het licht van de sinds 1 oktober 2004 geldende nieuwe regeling nog steeds een strafbaar feit is. Het bewezenverklaarde dient volgens de oude regeling van artikel 8 lid 1 onder e van de Regeling vluchtuitvoering ballonnen te worden gekwalificeerd. Aan ontslag van alle rechtsvervolging wordt niet toegekomen.

Het bewezenverklaarde levert aldus op:

Feit 1 subsidiair:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 5.3 Wet Luchtvaart , strafbaar gesteld in artikel 11.9, eerste lid, van de Wet Luchtvaart

Feit 2:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 2.1, eerste lid Wet Luchtvaart , strafbaar gesteld in artikel 11.9, eerste lid, van de Wet Luchtvaart .

Feit 3:

Overtreding van een voorschrift gegeven bij of krachtens artikel 62, derde lid, Luchtvaartwet .

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties en van overige beslissingen

7.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de politierechter zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de politierechter het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als gezagvoerder van een ballon met een inhoud van 180.000 kubieke voet een ballonvaart gemaakt met zeven passagiers aan boord terwijl hij niet voldeed aan de ervaringseisen die voor een vaart als gezagvoerder met een dergelijke ballon gelden. Tijdens de ballonvaart bleek de wind te zijn toegenomen en is de ballon bij de landing, na een eerdere poging tot landen, met een harde klap op de grond terecht gekomen, scheef getrokken, en heeft een stuiter gemaakt waardoor één van de passagiers en de gezagvoerder uit de mand zijn geraakt. Nadat de gezagvoerder weer in de mand van de ballon wist te klimmen, is de mand vervolgens over deze passagier, welke voor de mand lag, geschoven waardoor deze lichamelijk letstel heeft bekomen, inhoudende een gecompliceerde armbreuk, wonden aan het hoofd en een pijnlijke voet. Van de overige passagiers heeft een zwangere vrouw eveneens letsel bekomen en allen zijn hevig geschrokken.

Dit ongeval, dat het gevolg was van een door verdachte gemaakte inschattingsfout, kan verdachte worden aangerekend nu hij niet voldeed aan de gestelde ervaringseisen. Dat dergelijke eisen niet slechts formeel betekenis hebben, moge blijken uit het feit dat varen met grotere ballonnen, dat wil zeggen met meer massa, ook inhoudt dat sneller een inschattingsfout gemaakt kan worden, louter als gevolg van die massa. Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van luchtvaartwet- en regelgeving waarin veiligheidsvoorschriften in het leven zijn geroepen die strikt dienen te worden nageleefd.

Op grond van het vorenoverwogene is de politierechter het volgende van oordeel.

Ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde overtredingen moet voor elke overtreding een boete van na te noemen hoogte worden opgelegd, zij het dat telkens een deel daarvan in voorwaardelijke vorm, zodat in verband met het feit dat vooralsnog niet behoeft te worden betaald. Tevens dient voor de onder 1 subsidiair bewezenverklaarde overtreding een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten te worden opgelegd.

Ten aanzien van de onder 3 bewezenverklaarde overtreding dient een geheel voorwaardelijke geldboete te worden opgelegd van na te noemen hoogte.

7.2 Vorderingen benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.359,00 ingediend tegen verdachte wegens materië-le en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De politierechter is van oordeel dat, aangezien de schade op zich niet van eenvoudige aard is, en er een vaststellingsovereenkomst met verdachte is overeengekomen waarvan de civiele betekenis eerst dient te worden vastgesteld, deze vordering zich niet leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal dan ook niet in de vordering kunnen worden ontvangen.

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.605,00 ingediend tegen verdachte wegens materië-le en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De politierechter is van oordeel dat, aangezien de schade op zich niet van eenvoudige aard is, en er een vaststellingsovereenkomst met verdachte is overeengekomen waarvan de civiele betekenis eerst dient te worden vastgesteld, deze vordering zich niet leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal dan ook niet in de vordering kunnen worden ontvangen.

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 700,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De politierechter is van oordeel dat, aangezien de schade op zich niet van eenvoudige aard is, en er een vaststellingsovereenkomst met verdachte is overeengekomen waarvan de civiele betekenis eerst dient te worden vastgesteld, deze vordering zich niet leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal dan ook niet in de vordering kunnen worden ontvangen.

De verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, zijnde de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte reiskosten om de zitting bij te wonen, alsmede de daartoe geleden inkomstenderving, die worden vastgesteld op €28,00 (reiskosten) plus € 45,00 (inkomstenderving), in totaal € 73,00.

Daarbij zal de politierechter bepalen dat, indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 300,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De politierechter is van oordeel dat, aangezien de schade op zich niet van eenvoudige aard is, en er een vaststellingsovereenkomst met verdachte is overeengekomen waarvan de civiele betekenis eerst dient te worden vastgesteld, deze vordering zich niet leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal dan ook niet in de vordering kunnen worden ontvangen.

De verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, zijnde de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte reiskosten om de zitting bij te wonen, alsmede de daartoe geleden inkomstenderving, die worden vastgesteld op €28,00 (reiskosten) plus € 45,00 (inkomstenderving), in totaal € 73,00.

Daarbij zal de politierechter bepalen dat, indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht

2.1, 5.3, 11.11 en 11.9 van de Wet Luchtvaart

8 van de Regeling vluchtuitvoering Ballonnen

62 van de Luchtvaartwet

9. Beslissing

De politierechter:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 1 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair tot een geldboete van € 1500,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis, waarvan een gedeelte groot €750,00 voorwaardelijk, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om aan boord van een luchtvaartuig werkzaamheden te verrichten als lid van het boordpersoneel voor de duur van twee jaren.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot een geldboete van € 1500,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis, waarvan een gedeelte groot €750,00 voorwaardelijk, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot een geldboete van € 750,00 geheel voorwaardelijk, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet- ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij] gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 73,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij] gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 73,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

9. Samenstelling

Dit vonnis is gewezen door

mr. Robert, politierechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Botma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2005.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature