< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Eiseres wordt verweten dat zij niet heeft voldaan aan haar verplichtingen gedurende de periode dat de eerste loondoorbetalingsverplichting is opgelegd. Deze eerste loondoorbetalingsverplichting liep van 12 april 2004 tot en met 11 augustus 2004. Nu het primaire besluit dateert van 28 mei 2004, kan verweerder onmogelijk nalatigheden van eiseres van nadien in zijn oordeel hebben betrokken. Tevens moet geoordeeld worden dat verweerder met name de (gestelde) nalatigheden van eiseres in de periode vanaf 8 december 2003 (en voor 12 april 2004) haar verwijt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geoordeeld dat er onvoldoende reïntegratie-inspanningen door eiseres zijn verricht. Evenwel is niet vast komen staan in hoeverre deze nalatigheden zich hebben voorgedaan in de te beoordelen periode, te weten van 12 april 2004 tot en met 11 augustus 2004. Strijd met artt. 3:2 en 7:12 van de Awb.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WAO 04/3367-KRD

Uitspraak

in het geding tussen

Drukkerij Cachet B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde mr. I. Gorte, werkzaam bij het Dienstencentrum te Amstelveen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, vestiging Rotterdam.

Aan dit geding heeft mede als partij deelgenomen X,

gemachtigde M.J.P. Reek.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 28 mei 2004 heeft verweerder de loondoorbetalingsverplichting van eiseres verlengd, omdat verweerder van mening is dat eiseres onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht ten behoeve van X (hierna: de werkneemster) die een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) heeft ingediend bij verweerder. Het tijdvak gedurende welk de loondoorbetalingsverplichting is verlengd omvat vier maanden en duurt van 12 augustus 2004 tot en met 11 december 2004.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 1 juni 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 15 november 2004 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 14 december 2004 een verweerschrift ingediend.

De werkneemster heeft op 8 januari 2005 toestemming gegeven voor toezenden van stukken die medische gegevens bevatten aan de werkgever.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2005. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, die werd bijgestaan door de heer H.J.J. Noordhuizen, P&O-manager bij eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

Tevens zijn verschenen M.J.P. Reek en I. Ligtenberg, reïntegratie-deskundige.

2. Overwegingen

In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de opgelegde loondoorbetalingsverplichting ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een ernstige nalatigheid.

Op 14 april 2003 is de werkneemster van eiseres vanuit haar functie van offsetdrukker uitgevallen vanwege een arbeidsongeval. Bij dit arbeidsongeval is de duim van haar linkerhand geamputeerd. Bij het werk van offsetdrukker is het gebruik van de grijpfunctie essentieel. Zij heeft daarom (gedeeltelijk) hervat in de functie van orderverwerker.

Op 8 december 2003 heeft de werkneemster zich opnieuw ziek gemeld.

Bij brief van 24 december 2003 heeft de directeur van eiseres de werkneemster medegedeeld dat hij heeft vernomen van de arbodienst ArboNed dat zij haar werkzaamheden normaal mag verrichten volgens het reïntegratieproces, eigenlijk al vanaf datum ziekmelding op 8 december 2003. Hij heeft haar bij deze brief uitgenodigd voor een gesprek op 29 december 2003 en gaat ervan uit dat zij direct daarna haar werkzaamheden zal hervatten. De dagen dat zij niet is gekomen zal hij als verlofdagen noteren en als zij niet op de afgesproken datum verschijnt zal hij genoodzaakt zijn haar salaris stop te zetten.

Bij brief van 29 december 2003 van gelijke strekking is de werkneemster uitgenodigd voor een gesprek op 31 december 2003.

De werkneemster heeft eiseres bij brief van 3 januari 2004 bericht dat zij de brief van 24 december 2003 op 29 december 2003 na het tijdstip van het aangekondigde gesprek heeft ontvangen en dat haar partner de directeur van deze te late ontvangst telefonisch op de hoogte heeft gebracht en daarbij is aangegeven dat zij ziek is. Met betrekking tot de afspraak op 29 december 2003 heeft de werkneemster bij faxbericht de werkgeefster medegedeeld dat zij verhinderd was nu zij bij de arbodienst op spreekuur moest verschijnen.

Eiseres heeft vervolgens de loonbetaling van de werkneemster stop gezet.

In de periodieke evaluatie van 4 februari 2004 van de bedrijfsarts van de arbodienst van eiseres is aangegeven dat er sprake is van een arbeidsconflict en dat mediation via de interne ArboNed provider wordt geadviseerd.

Bij besluit van 6 februari 2004 is de loondoorbetalingsverplichting van eiseres met vier maanden verlengd omdat de werkneemster een WAO-aanvraag heeft ingediend, zonder een compleet reïntegratieverslag. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen twee weken te herstellen, maar heeft dit verzuim niet hersteld. Het tijdvak waarop de loondoorbetalingsverplichting betrekking heeft loopt van 12 april 2004 tot en met 11 augustus 2004.

Door eiseres is geen beroep ingesteld tegen het besluit waarbij het bezwaar tegen deze loondoorbetalingsverplichting ongegrond is verklaard.

In de periodieke evaluatie van 10 februari 2004 heeft de arbodienst weer mediation via hun interne ArboNed provider geadviseerd. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de werkneemster nog niet geschikt was bevonden voor haar eigen werk, maar voor passende werkzaamheden 5 keer 7 uur/dag en dat er intussen een arbeidsconflict is ontstaan.

In de periodieke evaluatie van 3 maart 2004 van de arbodienst wordt vermeld dat de werkneemster wordt behandeld door de psycholoog in verband met psychische problematiek. De werkneemster wordt wat betreft werkhervatting niet belastbaar geacht. Deze conclusie is mede gebaseerd op het advies van de behandelend psycholoog van de werkneemster. Er is duidelijk sprake van een arbeidsconflict op basis waarvan al bestaande psychische klachten zijn toegenomen. Als de werkgever aangepast werk aanbiedt, zou de werkneemster met behulp van een opbouwschema kunnen hervatten binnen 8 weken. Ten aanzien van de conflictbemiddeling is aangegeven dat de bedrijfsmaatschappelijk werker Oprel contact zal opnemen met zowel eiseres als werkneemster om een afspraak te maken voor bemiddeling.

In de periodieke evaluatie van 14 april 2004 van de arbodienst is vermeld dat de werkneemster niet op het spreekuur van de bedrijfsarts van 14 april 2004 is verschenen, zonder dat bericht van verhindering is ontvangen.

Bij brief van 16 april 2004 heeft de werkneemster na ontvangst van deze periodieke evaluatie aan ArboNed laten weten geen uitnodiging voor het spreekuur van 14 april 2004 te hebben ontvangen. Zij laat tevens weten nog niets van de heer Oprel, de bedrijfsmaatschappelijk werker, te hebben gehoord.

Op 29 april 2004 heeft de werkneemster opnieuw een WAO-aanvraag bij verweerder ingediend.

Bij brief van 6 mei 2004 aan verweerder heeft de werkneemster een aantal opmerkingen geplaatst bij deze tweede WAO-aanvraag. Zij geeft onder andere aan dat de functie waarin ze was hervat niet is vervallen, maar aan een ander is gegegeven. Zij is van mening dat er geen plan van aanpak is. Wat de werkgever als plan van aanpak betitelt, heeft zij niet ondertekend omdat het volgens haar niets te maken heeft met een plan van aanpak.

In het ‘actueel oordeel’ van de arbodienst van 6 mei 2004 wordt als situatie per mei 2004 aangegeven dat de werkneemster in verband met een operatieve ingreep volledig arbeidsongeschikt wordt geacht.

In de rapportage van verweerders arbeidsdeskundige van 26 mei 2004 wordt vermeld dat op 18 mei 2004 eiseres is bezocht. Blijkens deze rapportage heeft eiseres tijdens dit bezoek ontkend dat er sprake is van een arbeidsconflict. Eiseres heeft de arbeidsdeskundige desgevraagd medegedeeld dat de werkneemster niet functioneerde in de aangepaste functie. De werkneemster is daarom een andere werkplek bij de drukwerk afwerking/inpakafdeling aangeboden waar zij met plezier gefunctioneerd heeft en waaruit zij zich ineens ziek heeft gemeld. De loonstop over de maanden januari en februari 2004 is inmiddels gecorrigeerd op grond van juridische overwegingen.

De werkneemster heeft blijkens deze rapportage in telefonisch overleg aangegeven dat zij niet op de hoogte is gebracht van het niet goed functioneren in de functie van orderverwerker. Zij is inderdaad bijgesprongen als drukwerk afwerker, maar dit was uitsluitend vanwege het feit dat het computersysteem er uit lag en was maar gedurende één dag. Op 5 december 2003 is haar medegedeeld dat zij ‘maar beter de WAO in kon gaan’; voor de aangepaste functie was iemand anders aangenomen. Daarnaast bestaat er geen plan van aanpak, aldus de werkneemster.

De arbeidsdeskundige heeft in deze rapportage opgemerkt dat na de hernieuwde uitval per 8 december 2003 elke planmatige aanpak inzake reïntegratie ontbreekt. Wel heeft eiseres nog getracht de impasse te doorbreken door een loonbetaling te stoppen, maar dit heeft niet geleid tot een doorbraak.

De reïntegratie-inspanningen worden niet voldoende geacht omdat de impasse niet doorbroken is ondanks het advies van de arbodienst om te komen tot een gesprek ten einde het arbeidsconflict op te lossen. Het verzuim wordt gekwalificeerd als ernstige nalatigheid, waarbij een loondoorbetalings-verplichting van zes maanden hoort. De herstelperiode wordt op vier maanden ingeschat.

Bij besluit van 28 mei 2004 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat haar activiteiten ook in de verlengde periode van loondoorbetalingsverplichting onvoldoende zijn geweest en dat eiseres geen deugdelijke grond heeft voor dit verzuim. Het tijdvak gedurende welk de loondoorbetalings-verplichting is verlengd loopt van 12 augustus 2004 tot en met 11 december 2004. De duur is afgestemd op de aard en de ernst van het verzuim en de periode die nodig is geacht om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.

In de rapportage van verweerders bezwaararbeidsdeskundige van 27 september 2004 wordt vermeld dat ‘om niet duidelijke redenen blijkt’ dat belanghebbende niet meer in staat is te reïntegreren bij het eigen bedrijf en dat de aangeboden mediation niet heeft kunnen starten door de houding van belanghebbende. Hier blijkt uiteindelijk een medische reden aan ten grondslag te liggen, echter dit blijkt pas uit een actueel oordeel van 12 september 2004 van de arbodienst (dus van na opleggen tweede loondoorbetalingsverplichting, evenals het niet kunnen starten van de mediation door de houding van werkneemster). De werkneemster blijkt volgens de bezwaararbeidsdeskundige wel belastbaar conform de door de arbo-arts opgestelde mogelijkhedenlijst. De werkneemster werkt echter niet en is ook niet aangemeld voor externe bemiddeling. Met name die aanmelding had ook kunnen geschieden bij het eerste actuele oordeel, doch ook dat is niet gebeurd. De reden van de sanctie is gelegen in het feit dat de werkgever geen oplossing heeft gezocht voor het arbeidsconflict. Uit het verslag van de hoorzitting (waar eiseres wel maar de werkneemster niet is verschenen - rechtbank) wordt duidelijk dat de werkneemster van de psychiater geen contact met de werkgever mag hebben en er dus ook geen oplossing kan komen voor het arbeidsconflict.

De bezwaararbeidsdeskundige concludeert tenslotte dat de loonsanctie op goede gronden is opgelegd.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard onder verwijzing naar de conclusie van de bezwaararbeids-deskundige dat de opgelegde loonsanctie op goede gronden is verricht.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat door de bezwaararbeidsdeskundige is geconstateerd dat duidelijk is dat de werkneemster geen contact met de werkgever mag hebben en er dus geen oplossing kan komen voor het arbeidsconflict. Dit mag niet tot de conclusie leiden dat de loonsanctie op goede gronden is verricht. Uit de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige blijkt volgens eiseres dat juist de weinig coöperatieve houding van de werkneemster ertoe heeft geleid dat er thans geen sprake is van reïntegratie.

Vanaf 8 december 2003 was contact met de werkneemster niet mogelijk, terwijl vanuit eiseres wel is geprobeerd om contact te krijgen. De werkneemster heeft geen gehoor gegeven aan de brieven van 24 en 29 december 2003. Eiseres heeft erop gewezen dat zij voor 8 december 2003 er alles aan heeft gedaan om de werkneemster in een passende functie te laten reïntegreren.

Daarbij acht eiseres de sanctie volstrekt onevenredig in verhouding haar inspanningen. Eiseres was immers niet in staat om een plan van aanpak in te dienen omdat de werkneemster haar medewerking niet verleende.

Opgemerkt wordt dat de conclusies dat er wel en geen sprake is van een arbeidsconflict door de bezwaararbeidsdeskundige door elkaar worden gebruikt.

Voorts is aangevoerd dat het bemiddelingsconsult van 2 juni 2004 door de werkneemster is afgezegd. Daaraan voorafgaand heeft de arbodienst geruime tijd stilgezeten, behoudens de maandelijkse periodieke evaluaties.

Ten slotte stelt eiseres dat de feiten en omstandigheden op grond waarvan de tweede loondoorbetalingsverplichting is opgelegd ook reeds bekend waren op het moment waarop de eerste loondoorbetalingsverplichting is opgelegd. Op 28 mei 2004 was reeds bekend wat eiseres had ondernomen en dat de werkneemster bemiddeling had afgeslagen.

Door de situatie van het eerste ziektejaar na vier maanden nogmaals te beoordelen, terwijl er zich nadien geen relevante feiten en omstandigheden hebben voorgedaan - de werkneemster weigerde immers nog steeds elk contact met eiseres - wordt eiseres ten onrechte met een extra loonsanctie geconfronteerd.

De werkneemster heeft in beroep naar voren gebracht dat het werk op de afdeling drukwerk afwerking geen aangepast werk betrof. Zij heeft slechts op 5 december 2003 op deze afdeling gewerkt omdat er een computerstoring was en zij zich de uren die zij moest werken nuttig wilde maken. Het betrof echter inpakwerkzaamheden, die erg moeizaam verliepen vanwege de missende duim. Nadat eiseres haar had medegedeeld dat de aangepaste functie van orderbewerker met ingang van de eerstvolgende week was vergeven aan een ander en zij ‘maar de WAO in moest’ kreeg zij dusdanig ernstige spanningsklachten dat zij genoodzaakt was zich op 8 december 2003 ziek te melden.

Zij heeft erop gewezen dat ze geen begeleiding/omscholing heeft gehad voor de voor haar gecreëerde functie van orderbegeleider en dat haar nooit is medegedeeld dat zij niet goed functioneerde.

Het ontnemen van haar functie, het aanstellen van de nieuwe werknemer in haar functie en het niet rekening houden met haar handicap heeft geresulteerd in een toename van de reeds aanwezige psychische klachten.

Zij geeft aan dat in eerste instantie mediation werd afgewezen door de werkgever vanwege de door haar ondernomen juridische stappen tegen de loonstop. In tweede instantie is het haar ontraden door de behandelend psycholoog omdat het om een rechtstreekse confrontatie met de werkgever zou gaan.

Onder de stukken die de werkneemster in beroep heeft overgelegd bevindt zich onder meer een brief van de in het kader van de letselschadezaak ingeschakelde psycholoog van der Windt van 8 mei 2004 gericht aan de letselschade-expert waarin naar voren komt dat de werkneemster lijdt aan een posttraumatische stressstoornis. De prognose is op dat moment niet gunstig, aldus dit rapport.

Verweerder heeft ter verweer naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 december 2004 verwezen.

Daarin wordt opgemerkt dat de arbo-arts heeft gesteld dat de werkneemster wel te belasten is met arbeid en daartoe ook een globale functionele mogelijkheden lijst opstelt, terwijl de werkgever vervolgens onvoldoende inhoudelijk aan zijn verplichtingen heeft voldaan gedurende de periode dat de eerste loondoorbetalingsverplichting is opgelegd, waardoor de loondoorbetaling nogmaals is verlengd om eiseres in de gelegenheid te stellen om haar "inhoudelijke" verzuim te corrigeren. Overeenkomstig de aard en de ernst is volgens de bezwaararbeidsdeskundige de genoemde loondoorbetalingsperiode van zes maanden van toepassing met een herstelperiode van vier maanden opgelegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 34a, eerste lid, van de WAO gaat de aanvraag voor de toekenning van de uitkering vergezeld van een reïntegratieverslag als bedoeld in artikel 71a. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) beoordeelt of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen, die zijn verricht.

Ingevolge het tweede lid van artikel 34a, van de WAO wijst het UWV de aanvraag af indien toepassing is gegeven aan artikel 71a, negende lid.

Ingevolge het derde en vierde lid van dit artikel maakt het UWV bij de bekendmaking van het besluit melding van de mogelijkheid tot het doen van een nieuwe aanvraag voor de toekenning van de uitkering alsmede van de termijn binnen welke die aanvraag wordt gedaan. De termijn waarbinnen de belanghebbende een nieuwe aanvraag voor de toekenning van de uitkering doet is uiterlijk dertien weken voor het verstrijken van het tijdvak gedurende welk de werkgever verplicht is het loon door te betalen.

In artikel 71a van de WAO is het volgende bepaald:

1. De werkgever jegens wie de werknemer, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim houdt aantekening van het verloop van de arbeidsongeschiktheid en de reïntegratie van de werknemer.

2. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een door Onze Minister nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de werknemer een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en werknemer nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.

3. Uiterlijk twee weken voordat de termijn is verstreken waarbinnen de belanghebbende op grond van artikel 34, derde lid, eerste volzin, zijn aanvraag voor toekenning van de arbeidsongeschikt-heidsuitkering dient te doen stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de werknemer een reïntegratieverslag op en verstrekt de werkgever hiervan een afschrift aan de werknemer.

4. (…)

5. Bij de uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan door een arbodienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet 1998.

6. De werknemer verleent zijn medewerking bij het opstellen van het plan van aanpak en het opstellen van het reïntegratieverslag.

7. Bij of krachtens ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid worden gesteld.

(…)

9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en de beoordeling als bedoeld in artikel 34a blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een tijdvak vast, gedurende welke de werknemer jegens die werkgever recht op loon heeft op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim . Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de aard en ernst van het verzuim, alsmede op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.

10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor de toepassing van het negende lid nadere regels worden gesteld.

Artikel 4 van de Beleidsregels verlenging loondoorbetaling poortwachter (hierna: Beleidsregels), inwerking getreden 20 maart 2003, bepaalt in het eerste lid, dat het verzuim van de werkgever, in volgorde van toenemende ernst, wordt aangemerkt als beperkte, ernstige, grove of uiterste nalatigheid.

Ingevolge het derde lid wordt het verzuim onder meer aangemerkt als ernstige nalatigheid, indien de werkgever

a.(…)

b. onvoldoende voorschriften heeft gegeven of maatregelen heeft getroffen om de werknemer in staat te stellen de bedongen arbeid te hervatten;

c. onvoldoende voorschriften heeft gegeven of maatregelen heeft getroffen om de werknemer die ook met aanpassingen niet in staat zou zijn geweest de bedongen arbeid te hervatten, in staat te stellen passende arbeid te gaan verrichten in zijn bedrijf;

d. onvoldoende voorschriften heeft gegeven of maatregelen heeft getroffen om de werknemer voor wie binnen zijn bedrijf geen passende arbeid voorhanden was, in staat te stellen passende arbeid te gaan verrichten in het bedrijf van een andere werkgever;

e. (…).

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregels stelt verweerder een loondoorbetalingsperiode vast indien bij de behandeling van een aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, van de wet, blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond de op hem rustende reïntegratieverplichtingen niet of niet volledig is nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregels wordt de loondoorbetalingsperiode vastgesteld op het tijdvak dat naar verwachting benodigd zal zijn om de werkgever in staat te stellen alsnog zijn reïntegratieverplichtingen volledig na te komen en voldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten, doch ten minste op vier maanden.

In artikel 5, vierde lid, van de Beleidsregels wordt bepaald dat, indien het verzuim van de werkgever wordt aangemerkt als ernstige nalatigheid, de loondoorbetalingsperiode steeds wordt vastgesteld op zes maanden.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Beleidsregels stelt het UWV een nieuwe loondoor-betalingsperiode vast telkens indien bij de behandeling van een nieuwe aanvraag, als bedoeld in artikel 34a, derde en vierde lid, van de wet blijkt dat de werkgever gedurende de laatst vastgestelde loondoorbetalingsperiode zonder deugdelijke grond de op hem rustende reïntegratieverplichtingen niet of niet volledig is nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de nieuwe loondoorbetalingsperiode vastgesteld op het tijdvak dat naar verwachting benodigd zal zijn om de werkgever in staat te stellen alsnog zijn reïntegratieverplichtingen volledig is na te komen en voldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten, doch ten minste op twee maanden.

Ingevolge het derde lid bedraagt de totale duur van de opeenvolgende loondoorbetalingsperioden niet meer dan het maximum dat is vastgesteld op grond van artikel 4, derde of vierde lid, tenzij er sprake is van nieuwe feiten.

Allereerst overweegt de rechtbank dat de werkneemster naar haar oordeel door een besluit tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting rechtstreeks in haar belang wordt getroffen. De gevolgen van een dergelijk besluit zijn immers dat de werkneemster op grond van artikel 7:629, elfde lid, van het BW aanspraak heeft op loon. Zij is derhalve belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en kan als partij op grond van artikel 8:26 van de Awb aan het geding deelnemen. Hieraan doet niet af dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 28 mei 2004 nu dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten.

De rechtbank acht, zoals zij al eerder heeft overwogen (onder andere haar uitspraak van 16 augustus 2004, LJN: AR2466), het bepaalde in artikel 4, derde lid, van de Beleidsregels, op grond waarvan onvoldoende re ïntegratie-inspanningen als ernstige nalatigheid worden aangemerkt en met een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van zes maanden wordt gesanctioneerd, op zich al in strijd met de afstemmingsverplichting van artikel 71a, negende lid, tweede volzin van de WAO , nu onvoldoende recht gedaan wordt aan de door de wetgever gewenste mogelijkheid de sanctieduur te variëren aan de hand van de relevante omstandigheden van het geval, zoals de aard en de ernst van het verzuim.

Ingevolge artikel 5, tweede lid van de Beleidsregels, relateert verweerder de verlenging van de loonbetaling aan de periode die de werkgever naar verwachting nodig zal hebben om alsnog zijn reïntegratieverplichting volledig na te komen, doch stelt deze vast op ten minste vier maanden. Uit de toelichting bij de Beleidsregels blijkt dat bij verschil in uitkomst met de verzuimcategorieën van artikel 4 van de Beleidsregel, altijd het minimum van vier maanden wordt gehanteerd.

Ook deze standaardsanctie van vier maanden heeft de rechtbank in strijd geacht met de afstemmingsbepaling van artikel 71a, negende lid, laatste volzin, van de WAO , op eerder genoemde gronden, zodat dit artikellid buiten toepassing moet blijven.

Daar waar de opgelegde sancties verder gaan dan voor herstel van de rechtmatige toestand nodig is, is sprake van sancties met een overwegend punitief karakter.

In de toelichting op artikel 6 van de Beleidsregels is vermeld dat wanneer de werknemer opnieuw een WAO- uitkering aanvraagt, het UWV aan de hand van het nieuwe of aangevulde reïntegratieverslag beoordeelt of de werkgever in de loondoorbetalingsperiode voldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht. Is er opnieuw sprake van onvoldoende reïntegratie-inspanningen, dan stelt het UWV een nieuwe loondoorbetalingsperiode vast. De periode wordt afgestemd op de tijd die nodig is voor herstel van het verzuim, met een minimum van twee maanden. Het eerder vastgestelde maximum blijft gehandhaafd. Op elkaar volgende loondoorbetalingsperioden mogen gezamenlijk niet de maximumduur overschrijden die hoort bij de aard en de ernst van het verzuim. Is er sprake van nieuwe feiten, dan kan er wel een nieuwe maximumduur worden bepaald.

De periode die volgens de beleidsregels beoordeeld dient te worden is derhalve de loondoorbetalings-periode die loopt van 12 april 2004 tot en met 11 augustus 2004. Blijkens het primaire besluit en het rapport van 8 december 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige wordt eiseres ook inderdaad verweten dat zij niet heeft voldaan aan haar verplichtingen gedurende de periode dat de eerste loondoorbetalingsverplichting is opgelegd. Deze eerste loondoorbetalingsverplichting liep blijkens het besluit van 6 februari 2004 van 12 april 2004 tot en met 11 augustus 2004.

Nu het primaire besluit dateert van 28 mei 2004, kan verweerder onmogelijk nalatigheden van eiseres van nadien in zijn oordeel hebben betrokken. Tevens moet geoordeeld worden dat verweerder met name de (gestelde) nalatigheden van eiseres in de periode vanaf 8 december 2003 (en voor 12 april 2004) haar verwijt.

Verweerder heeft derhalve in strijd met de Beleidsregels het bestreden besluit genomen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond verklaard te worden en het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De rechtbank ziet geen aanleiding om ingevolge artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen in stand te houden in verband met het hiernavolgende.

De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat de reïntegratie van de werkneemster tot 5 december 2003 goed leek te verlopen.

Op of rond deze dag heeft de werkneemster te horen gekregen dat zij de aangepaste functie niet meer mocht verrichten, hetgeen door eiseres is bevestigd. De werkneemster heeft zich vanwege de hierdoor bij haar veroorzaakte spanningen op 8 december 2003 opnieuw ziek gemeld. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het optreden van eiseres deze ziekmelding heeft veroorzaakt. Uit de gedingstukken blijkt voorts niet dat deze ziekmelding door de arbodienst als ziekmelding is behandeld. De arbodienst borduurt in rapportages na deze datum voort op de situatie vóór deze uitval, hetgeen de rechtbank bevreemdt. Eiseres heeft de werkneemster vervolgens onder dreiging met looninhouding gesommeerd om op het werk te verschijnen omdat zij ‘niet ziek zou zijn volgens de arbodienst’. Dit laatste valt uit geen enkel stuk af te leiden. De werkneemster heeft bij brief van 3 januari 2004 aannemelijke redenen voor de verhindering gegeven doch desondanks is haar loon ingehouden. Op zijn minst heeft eiseres hierin niet zorgvuldig gehandeld. Zij heeft dit blijkbaar ook ingezien doordat zij op enig moment de looninhouding ongedaan heeft gemaakt. Uit de gedingstukken blijkt vervolgens dat in de periode van 8 december 2003 tot mei 2004 zeer weinig is gebeurd op het gebied van reïntegratie en dat mediation om het ontstane arbeidsconflict op te lossen niet van de grond is gekomen, ondanks dat hierover door de arbodienst tweemaal is geadviseerd. Er lijkt geen poging gedaan te zijn om tot positieve toenadering te komen. Reïntegratie in het tweede spoor is evenmin opgezet; de actuele oordelen van de arbodienst van na maart 2004 zijn zeer beknopt; er is geen informatie opgevraagd bij behandelend sector.

De rechtbank is van oordeel dat het vorenstaande eiseres zeker aan te rekenen is. Daarbij wordt opgemerkt dat ook handelen van de arbodienst voor risico van eiseres moet blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht geoordeeld dat er onvoldoende reïntegratie-inspanningen door eiseres zijn verricht. Evenwel is niet vast komen staan in hoeverre deze nalatigheden zich hebben voorgedaan in de te beoordelen periode, te weten van 12 april 2004 tot en met 11 augustus 2004.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,00 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 273,00 vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,00 en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Kruisdijk.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. H.T. van de Erve als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2005.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature