< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Herziening en terugvordering studiefinanciering met terugwerkende kracht

Uitspraak



Rechtbank Utrecht

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr: WSFBSF 04/1660

Inzake: [naam], wonende te Soest, eiseres,

tegen: de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerster van 15 juli 2004.

2. Zitting

Datum: 27 januari 2005.

Eiseres is in persoon verschenen en bijgestaan door mr. G.J. de Kaster, advocaat te Amsterdam.

Verweerster is verschenen bij gemachtigde mr. G.J.M. Naber, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

3. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 2 augustus 2002 (Bericht Studiefinanciering 2002, nr. 3) heeft verweerster de toelage van eiseres voor 2002 vastgesteld. Daarbij is het recht op aanvullende beurs over de maanden januari tot en met juli vastgesteld op € 259,97 en over de maanden augustus tot en met december op € 262,70.

Bij besluit van 19 maart 2004 (Bericht Studiefinanciering 2002, nr. 4) heeft verweerster eiseres meegedeeld dat de samenstelling van haar toelage is gewijzigd als gevolg van een verlaging van haar aanvullende beurs met terugwerkende kracht per januari 2002. Eiseres heeft als gevolg van die wijziging teveel studiefinanciering ontvangen in de periode van januari 2002 tot en met december 2002. Hierdoor is een kortlopende schuld ontstaan van € 2.174,04.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt bij e-mail van 17 april 2004. Het bezwaar is aangevuld met een bezwaarformulier van 14 mei 2004.

Bij besluit van 15 juli 2004 heeft verweerster dit bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij faxbericht van 25 augustus 2004, door de rechtbank op diezelfde datum ontvangen, beroep ingesteld. Bij brief van 24 september 2004 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 19 oktober 2004 heeft verweerster de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Bij brief van 2 november 2004 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is de zaak ter zitting behandeld.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

4. Motivering

4.1. In dit geding moet de rechtbank beoordelen of het bestreden besluit, waarin verweerster de herziening van het recht van eiseres op aanvullende beurs met terugwerkende kracht per januari 2002 heeft gehandhaafd en heeft volhard in haar standpunt dat eiseres daarom over 2002 een bedrag van € 2.174,04, moet terugbetalen, de rechterlijke toets kan doorstaan.

4.2. Eisers meent dat verweerster de aanvankelijk aan haar toegekende aanvullende beurs ten onrechte met terugwerkende kracht heeft vastgesteld op een lager bedrag. Daartoe heeft zij aangevoerd dat in de afgelopen jaren niet of nauwelijks wijzigingen zijn opgetreden in de inkomens van haar ouders, en dan met name niet in het inkomen van haar vader die al jaren een onveranderde WAO-uitkering ontvangt. Eiseres begrijpt de reden voor de verlaging van haar recht op aanvullende beurs dan ook niet. Ter zitting heeft eiseres in dit verband nog opgemerkt dat zij in 2001 ook een aanvullende beurs ontving, die in december 2001 fl. 473,00 bedroeg.

4.3 Voor de beoordeling van deze zaak zijn de volgende bepalingen van belang.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet op de studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000) is de hoogte van de aanvullende beurs afhankelijk van het ouderlijk inkomen en wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13.

In artikel 3.9 van de Wsf 2000 is de berekeningsgrondslag voor het vaststellen van de veronderstelde ouderlijke bijdrage opgenomen.

Ingevolge artikel 3.11 van de Wsf 2000 wordt voor de toepassing van de artikelen 3. 9 en 3.10 zolang het gecorrigeerde verzamelinkomen over het peiljaar, het eerste of het tweede jaar na het peiljaar nog niet is vastgesteld of het gecorrigeerde belastbare loon over het desbetreffende jaar nog niet bekend is, door de IB-Groep daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen gecorrigeerde verzamelinkomen of het gecorrigeerde belastbare loon zo goed mogelijk benadert.

Ingevolge artikel 7.1, eerste lid, aanhef en onder a en f, van de Wsf 2000 kan de IB-Groep een beschikking herzien waarbij studiefinanciering is toegekend of de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage wordt vastgesteld of gewijzigd.

Ingevolge artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000, voorzover hier van belang, vindt herziening plaats op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend of de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

Ingevolge artikel 7.1, derde lid van de Wsf 2000, tweede volzin, kan een herziening anders dan bedoeld in de eerste volzin, behoudens in geval van bedrog, slechts geschieden binnen 18 maanden na het einde van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak, het kalenderjaar waarvoor de termijn is vastgesteld of het kalenderjaar waarvoor de draagkracht van de debiteur is vastgesteld.

Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wsf 2000, voorzover hier van belang, wordt, indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, daartoe aanleiding geeft, het bedrag van de aanvullende beurs dat teveel is uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.

4.4. De rechtbank overweegt dat het recht van een student op aanvullende beurs afhankelijk is van de som van de gezamenlijke veronderstelde ouderlijke bijdragen. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerster bij de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdragen in eerste instantie - waarbij de rechtbank opmerkt dat dit op geen enkele wijze blijkt uit die eerdere besluiten tot vaststelling van de ouderlijke bijdragen - gebruik gemaakt van een van de Belastingdienst ontvangen voorlopige opgave van het inkomen van de ouders van eiseres over het peiljaar 2000. Na een controle bleek dat de Belastingdienst het inkomen van de vader van eiseres in het peiljaar 2000 aanzienlijk hoger heeft vastgesteld dan waarvan was uitgegaan in de voorlopige opgaven. Dit betekent dat de aanvankelijke vaststelling van het recht van eiseres op aanvullende beurs en de aanvankelijke vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdragen zijn gebaseerd op onjuiste gegevens. Niet in geschil is dat eiseres als gevolg van die onjuiste gegevens over 2002 een bedrag van € 2.174,04 aan aanvullende beurs teveel heeft ontvangen. Verweerster is dan ook op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 bevoegd om tot herziening van het eerdere besluit tot vaststelling van het recht van eiseres op aanvullende beurs over te gaan.

4.5.1. Ten aanzien van de vraag of verweerster in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, overweegt de rechtbank als volgt.

4.5.2. De rechtbank stelt vast dat verweerster het recht op aanvullende beurs met terugwerkende kracht heeft herzien. Op grond van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep moet worden aangenomen dat herziening van een recht op uitkering - waarmee het recht op aanvullende beurs naar het oordeel van de rechtbank op één lijn kan worden gesteld - met terugwerkende kracht in beginsel in strijd is met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, tenzij de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat ten onrechte (teveel) uitkering werd verstrekt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van 2 februari 2005 met kenmerk 02/5056WAZ (betreffende de toepassing van artikel 58 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen), 19 februari 2004 met kenmerk 02/4590AW (betreffende een uitkering krachtens het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel) en 27 februari 2004 met kenmerk 02/6470WSF (betreffende de herziening met terugwerkende kracht van het recht op studiefinanciering), respectievelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummers AS5617, AO4202 en AO5094. Gegeven het feit dat sprake is van gebruikmaking van een bevoegdheid tot herziening dient in beginsel tevens een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb plaats te vinden, nadat de nodige kennis is vergaard omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb .

4.5.3. De rechtbank overweegt dat het niet ondenkbaar is dat zich omstandigheden voordoen op grond waarvan het een student redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aanvankelijk een te hoge aanvullende beurs is toegekend of op grond waarvan de student redelijkerwijs rekening dient te houden met een wijziging van het recht op aanvullende beurs als gevolg van de definitieve vaststelling van de inkomensgegevens van zijn ouders in het peiljaar. De rechtbank denkt daarbij aan gevallen waarin bij de aanvankelijke toekenning van de aanvullende beurs aan de student duidelijk is gemaakt op welke inkomensgegevens de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage(n) is gebaseerd (zodat evidente onjuistheden kunnen opvallen) of waarin een ouder ten behoeve van de student de correspondentie met de Informatie Beheer Groep voert en uit dien hoofde bekend is met de inkomensgegevens waarop de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage(n) is gebaseerd. Ook zouden die omstandigheden zich voordoen als aan studenten bij de toekenning van de aanvullende beurs wordt meegedeeld dat die toekenning is gebaseerd op voorlopige inkomensgegevens van de ouder(s), waartoe artikel 3.11 van de Wsf 2000 de mogelijkheid biedt, en dat de definitieve vaststelling van die inkomensgegevens van invloed kan zijn op het uiteindelijke recht van de student op aanvullende beurs. Voorts zouden die omstandigheden zich kunnen voordoen indien in het formulier voor het aanvragen van een aanvullende beurs dan wel de brochures die op dat onderwerp betrekking hebben onmiskenbaar duidelijk is gemaakt dat het recht op aanvullende beurs met terugwerkende kracht kan worden herzien indien er wijzigingen optreden in het inkomen van de ouder(s) in het peiljaar.

4.5.4. De rechtbank stelt evenwel vast dat verweerster in dit geval noch in het primaire besluit van 19 maart 2004 noch in het bestreden besluit aandacht heeft besteed aan de vraag of voor eiseres redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de aanvankelijke vaststelling van haar recht op aanvullende beurs was gebaseerd op onjuiste gegevens. Dit klemt temeer nu eiseres uit het besluit van 2 augustus 2002 tot de aanvankelijke vaststelling van haar recht op aanvullende beurs niet kan afleiden op welke ouderlijke inkomensgegevens die vaststelling is gebaseerd, laat staan dat daaruit blijkt dat - zoals in het thans bestreden besluit is vermeld - de vaststelling is gebaseerd op een van de Belastingdienst ontvangen voorlopige opgave van het inkomen van de ouders van eiseres over het peiljaar 2000. Voorts ontbreekt enige vorm van kenbare belangenafweging in het bestreden besluit, terwijl ook niet is gebleken dat verweerster bij gebruikmaking van haar herzieningsbevoegdheid voor gevallen als deze beleid hanteert dan wel een vaste gedragslijn volgt.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerster het bestreden besluit verdedigd met de stelling dat een gezin als geheel verantwoordelijk is voor een juiste gegevensverstrekking ten behoeve van de vaststelling van het recht van de student op aanvullende beurs. Om die reden dient volgens de gemachtigde het niet reageren door de vader van eiseres op het aanvankelijk hanteren van onjuiste inkomensgegevens bij het vaststellen van de veronderstelde ouderlijke bijdrage door verweerster, in dit geval voor rekening en risico van eiseres te komen. De rechtbank kan deze stelling niet onderschrijven. Daartoe overweegt de rechtbank dat die stelling voorbij gaat aan de verschillende verantwoordelijkheden die rusten op de ouder(s) respectievelijk de student. In dit verband wijst de rechtbank erop dat het voormalige College van beroep studiefinanciering in zijn uitspraak van 31 januari 1992 met kenmerk WSF 2034189 (gepubliceerd in USF 1988-1997, nr. 7) heeft overwogen dat in het systeem van de Wet studiefinanciering het niet op de weg van de studerende ligt te informeren naar het belastbare en/of het zuiver inkomen van zijn of haar ouders. Voorts houdt die stelling onvoldoende rekening met het feit dat er voor een student een wezenlijk verschil bestaat tussen het recht op aanvullende beurs en de vaststelling van een (hogere) ouderlijke bijdrage: de uitbetaling van een toegekende aanvullende beurs geschiedt door storting op de bankrekening van de student en is rechtens afdwingbaar, terwijl de vastgestelde veronderstelde ouderlijke bijdrage voor de student jegens zijn ouders geen rechtens afdwingbare verplichting oplevert maar slechts een indicatie is voor de mogelijke bijdrage van de ouder in de studiekosten.

4.6. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit strijdig met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. Voorts heeft verweerster aan het bestreden besluit in strijd met artikel 3:4 van de Awb geen afweging van alle betrokken belangen ten grondslag gelegd.

4.7. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerster moet met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing nemen op het bezwaarschrift van eiseres.

4.8. Gelet op de uitkomst van het geding ziet de rechtbank aanleiding om verweerster te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij is zowel voor het indienen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

5. Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerster op met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiseres;

- bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 37,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerster in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00;

- wijst de Informatie Beheer Groep aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan eiseres.

Aldus gewezen door mr. drs. W.P. van der Haak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.A.D. Horn, als griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 1 april 2005.

door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van T.B.A. Verbeij als griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature