< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 20 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sneek (hierna: het college) appellant een onkostenvergoeding toegekend op basis van de Verordening Geldelijke Voorzieningen Raads- en Commissieleden van ƒ 184,-- (€ 83,50) per maand en een vergoeding voor werkzaamheden als raadslid van ƒ 16.052,--(€ 7.284,08) op jaarbasis.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



200407700/1.

Datum uitspraak: 27 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sneek,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 5 augustus 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Sneek.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sneek (hierna: het college) appellant een onkostenvergoeding toegekend op basis van de Verordening Geldelijke Voorzieningen Raads- en Commissieleden van ƒ 184,-- (€ 83,50) per maand en een vergoeding voor werkzaamheden als raadslid van ƒ 16.052,--(€ 7.284,08) op jaarbasis.

Bij besluit van 19 februari 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 maart 2003 heeft de rechtbank Leeuwarden het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 10 december 2003 heeft de Afdeling, voorzover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 4 maart 2003 vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen.

Bij uitspraak van 5 augustus 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank), opnieuw beslissend op het door appellant ingestelde beroep, dit beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 september 2004, bij de Raad van State bij faxbericht ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H. Rypkema, ambtenaar bij de gemeente Sneek, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de LB-wet) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld, ingevolge welke eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene die uit een arbeidsverhouding die niet op grond van een andere bepaling als dienstbetrekking wordt beschouwd een beloning geniet, mits diegene vooraf aan de inspecteur meldt, door middel van een gezamenlijke verklaring van hemzelf en de beoogde inhoudingsplichtige, dat zijn arbeidsverhouding als dienstbetrekking moet worden beschouwd.

   Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden (hierna: het Rechtspositiebesluit) wordt aan een lid van de raad een onkostenvergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend tot de maximumbedragen, genoemd in tabel II bij dit besluit.

   Ingevolge het vierde lid van dit artikel gelden ten aanzien van een lid van de raad van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de LB-wet voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt in afwijking van het tweede lid voor de vergoeding de maximumbedragen, genoemd in tabel III bij dit besluit.

2.2.    Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een raadslid een arbeidsverhouding kan hebben met de gemeente. Een arbeidsverhouding impliceert volgens appellant een gezagsverhouding die naar zijn mening tussen een raadslid, dat uitsluitend een vertegenwoordigende taak heeft, en de gemeente of het gemeentebestuur niet kan bestaan. Ter zitting heeft appellant aangegeven dat hij zich principieel op het standpunt stelt dat tussen een raadslid en de gemeente geen gezagsverhouding kan bestaan, ook niet fictief. De rechtbank heeft met de constatering dat in de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de LB-wet is aangegeven dat de arbeidsverhouding van politieke ambtsdragers onder deze wet zou worden gebracht, volgens hem miskend dat deze wijziging niet van toepassing is op raadsleden, omdat die ten tijde van de wijziging, die dateert van vóór de belastingstelselherziening van 2001, nog onder een andere regeling vielen. Bovendien heeft de rechtbank volgens appellant miskend dat raadsleden geen politieke ambtsdragers zijn.

   Voorts heeft appellant zijn stelling herhaald dat de Rechtspositieregeling een onterecht en niet te rechtvaardigen onderscheid maakt tussen raadsleden die wel en raadsleden die geen gebruik (kunnen) maken van het onder de loonbelasting brengen van de raadsvergoeding, hetgeen in strijd is met het EVRM en het IVBPR.

   Tenslotte heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte overwogen dat hij niet in aanmerking komt voor vergoeding van de proceskosten voor de behandeling van zijn beroep.

2.3.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel, dat in gevallen als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder f, van de LB-wet geen sprake is van een dienstbetrekking, met als kenmerkend element de gezagsverhouding. Voormeld artikel ziet op de zogenoemde fictieve dienstbetrekking, waarbij een arbeidsverhouding onder omstandigheden en voor een specifiek doel met een dienstbetrekking wordt gelijkgesteld. Het leveren van inspanningen binnen een organisatie, waarbij bepaalde regels in acht moeten worden genomen, kan onder omstandigheden als arbeidsverhouding worden gekwalificeerd hoewel geen sprake is van een gezagsverhouding. Dit geldt naar het oordeel van de Afdeling ook voor de werkzaamheden die een raadslid in en buiten de raad verricht als gekozen volksvertegenwoordiger. De Afdeling ziet met de rechtbank dan ook geen grond voor het oordeel dat het Rechtspositiebesluit in strijd is met de LB-wet. De rechtbank is er daarbij, anders dan appellant heeft betoogd, terecht van uitgegaan dat raadsleden politieke ambtsdragers zijn. Dat raadsleden niet onder de werking van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers vallen, omdat zij over het algemeen naast het raadslidmaatschap een andere functie uitoefenen en de vergoeding voor het raadslidmaatschap niet als hoofdinkomen voor de pensioenwet wordt beschouwd, doet hieraan niet af. Uit het gegeven dat voor raadsleden ten tijde van de wetswijziging van 1997 van de LB-wet nog een andere onkostenvergoeding bestond, wat hier ook van zij, volgt niet, anders dan appellant heeft gesteld, dat raadsleden thans zouden zijn uitgesloten van toepassing van artikel 4, aanhef en onder f, van de LB-wet.

   De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat bij de toepassing van het Rechtspositiebesluit geen sprake is van strijd met de discriminatieverboden, neergelegd in artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR. Raadsleden kunnen immers zelf, op grond van hun persoonlijke omstandigheden, de keuze maken om al of niet gebruik te maken van de mogelijkheid die het Rechtspositiebesluit biedt. De stelling van appellant, dat hij door het gebruik maken van de regeling zou erkennen dat tussen hem en de gemeente een gezagsverhouding zou bestaan, kan niet worden gevolgd, nu de Afdeling met de rechtbank van oordeel is dat van een zodanige verhouding geen sprake is.

   De rechtbank heeft tenslotte terecht overwogen dat er geen reden is om tot vergoeding van proceskosten over te gaan, nu het beroep niet gegrond is verklaard.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005

164-420.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature