< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/1048 8 december 2004

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, verbonden aan NLTO Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M.F. Lobles, werkzaam bij Laser.

1. De procedure

Op 27 augustus 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 juli 2003 op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Bij dit besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaar van appellante tegen een besluit van 6 mei 2003 kennelijk ongegrond verklaard.

Op 27 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2004. Hierbij hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees is voorzover en ten tijde hier van belang het volgende bepaald:

" Artikel 3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a) producent: een individuele landbouwer, natuurlijke persoon of rechtspersoon, of een groepering van natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van die groepering en van haar leden volgens het nationale recht, van wie, respectievelijk waarvan, het bedrijf zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevindt en die runderen houdt;

b) bedrijf: het geheel van door de producent beheerde productie-eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat;

(…)

Artikel 1 1

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. De premie wordt, binnen nader vast te stellen nationale maxima, toegekend bij het slachten van in aanmerking komende dieren of de uitvoer daarvan naar een derde land.

(…)”

Bij Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1042/2000, is voorzover ten tijde hier van belang het volgende bepaald:

“ Artikel 3 4

Deelnamemelding

De lidstaat kan bepalen dat producenten die aanspraak willen maken op de premie voor een bepaald kalenderjaar, zich vóór of op het ogenblik van de indiening van de eerste aanvraag voor het betrokken kalenderjaar voor deelname moeten melden.

Wanneer de producent evenwel geen wijzigingen in zijn deelnamemelding aanbrengt, kan de lidstaat de eerder ingediende melding als geldig blijven beschouwen.

Artikel 3 7

Begunstigden van de premie

1. De premie wordt betaald aan de producent die het dier heeft aangehouden gedurende een periode van ten minste twee maanden die minder dan één maand vóór de slacht of de verzending of minder dan twee maanden vóór de uitvoer van het dier eindigt.

2. Voor kalveren die worden geslacht vóór de leeftijd van drie maanden, bedraagt de aanhoudperiode één maand.”

Bij de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) is voorzover en ten tijde hier van belang het volgende bepaald:

“Artikel 1. 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

s. producent: individueel bedrijfshoofd, natuurlijke of rechtspersoon of, voorzover het stieren-, ossen- of zoogkoeienhouderij betreft, samenwerkingsverband van natuurlijke of rechtspersonen, niet zijnde een producentengroepering ongeacht de rechtspositie van die groepering en van haar leden, van wie, respectievelijk waarvan het bedrijf zich op het grondgebied van Nederland bevindt en die ofwel runderen houdt, ofwel ten minste 10 ooien houdt;

(…)

v. bedrijf:

1°. geheel van in Nederland gelegen productie-eenheden die de producent ingevolge een recht van eigendom, een zakelijk gebruiksrecht, een door de grondkamer goedgekeurde of geregistreerde pachtovereenkomst, een pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 58 van de Pachtwet of een grondgebruiksverklaring als bedoeld in artikel 1 van de Regeling landbouwgrond Meststoffenwet in beheer heeft, dan wel;

2°. door de producent beheerde grond dan wel grond tijdelijk in gebruik gekregen op grond van een overeenkomstig artikel 192, respectievelijk artikel 194, van de Landinrichtingswet vastgesteld plan van tijdelijk gebruik, dan wel krachtens artikel 46, vierde lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland of krachtens artikel 28, vierde lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloni ën, dan wel grond tijdelijk in gebruik gekregen van de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, of

3°. de in Nederland gelegen bedrijfsgebouwen waarvan de producent op basis van een schriftelijke overeenkomst ten minste gedurende de aanhoudperiode als bedoeld in het vierde lid het gebruik heeft, of

4°. in Nederland gelegen grond welke door een terreinbeherende organisatie op basis van een schriftelijke overeenkomst ten minste gedurende 7 maanden met ingang van 31 maart van het jaar waarin de premie wordt aangevraagd, aan de producent in gebruik is gegeven, of (…)

(…)

hh. deelnamemelding: melding als bedoeld in artikel 34 van verordening 2342 /1999;

(…)

Artikel 2. 3

(…)

2. Terzake van het slachten of uitvoeren naar een derde land van een rund dat op de datum van de slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, blijkens de gegevens uit het I&R-systeem rund tenminste acht maanden oud is, wordt op daartoe strekkende aanvraag overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en verordeningen 1254/1999 en 2342/1999 aan producenten premie verstrekt.

Artikel 2.4 a

1. Om voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, in aanmerking te komen dient de producent, onverminderd artikel 2. 4 b, een deelnamemelding in.

2. In de deelnamemelding verklaart de producent in ieder geval in aanmerking te willen komen voor premie, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, alsmede dat terzake van het slachten van op zijn bedrijf gehouden runderen in een in Nederland gelegen abattoir de aanvraag voor premie namens deze producent door het betrokken abattoir wordt ingediend.

3. Indien zich wijzigingen voordoen in de door de producent op de deelnamemelding vermelde gegevens stelt hij LASER daarvan in kennis door middel van een nieuwe deelnamemelding, welke moet zijn ontvangen binnen veertien dagen nadat de desbetreffende wijziging is opgetreden.

Artikel 2.4 b

1. De producent kan een aanvraag voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, uitsluitend indienen na ontvan gst van diens deelnamemelding.

2. Aanvragen voor premie ter zake van het slachten van runderen in een in Nederland gelegen abattoir worden ingediend door melding van de slacht

overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren 2002 door het betrokken abattoir aan het I & R-systeem rund.

(…)

Artikel 4. 6

Premie wordt de producent slechts verstrekt ten behoeve van runderen die:

a. op zijn bedrijf, blijkens het I&R-systeem rund gedurende de aanhoudperiode zijn aangehouden;

b) blijkens het I & R-systeem rund na afloop van de in onderdeel a genoemde periode binnen één maand worden geslacht in een abattoir waarvan de houder

overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren 2002 een bedrijfsregister bijhoudt of met het oog op slacht naar een andere lidstaat worden verzonden, dan wel binnen twee maanden in geval van uitvoer naar een derde land, en

c. overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens verordening 1760/2000 zijn geïdentificeerd en geregistreerd.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 17 januari 2000 heeft verweerder van appellante een deelnameformulier ontvangen waarmee zij zich heeft aangemeld als deelnemer aan de slachtpremieregeling. Hierbij heeft appellante opgegeven te beschikken over het UBN 2405294.

- Bij besluit van 6 mei 2003 heeft verweerder beschikt op de door of namens appellante in het jaar 2002 ingediende aanvragen op grond van de slachtpremieregeling en daarbij, voorzover hier van belang, appellante de slachtpremie voor elf dieren geweigerd. Bij dit besluit heeft verweerder in de kolom ‘redenen voor afwijzing’ van de gevraagde premie voor deze dieren ‘code 3’ opgegeven.

- Blijkens de brochure ‘Slachtpremieregeling volwassen runderen, Regeling dierlijke EG-premies onderdeel slachtpremie’ betreft ‘code 3’ de afwijzingsgrond:

“ niet binnen de vastgestelde termijn na afvoer van het bedrijf geslacht binnen de EU (maximaal 1 maand) of levend geëxporteerd uit de EU (maximaal 2 maanden).”

- Bij brief van 2 juni 2003 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen afwijzing van de premie voor deze elf dieren.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Bij het beroepschrift zijn overgelegd een formulier ‘Melding veebezetting 2002’ en een aanvraag ‘premie voor het aanhouden van mannelijke runderen, verkoopseizoen 2002’, beide gedateerd 19 augustus 2002, op naam van de maatschap C en A te B.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen.

“ Uit het I&R-register is gebleken, dat de runderen met de onderstaande ID-codes niet binnen één maand na afvoer zijn geslacht, zoals gesteld in artikel 37, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999.

1) NL 295100487 5) NL 298244997 9) NL 298245053

2) NL 295100502 6) NL 298245015 10) NL 298245060

3) NL 298244966 7) NL 298245022 11) NL 298245077

4) NL 298244973 8) NL 298245046

Ten aanzien van bovenstaande runderen is namelijk het volgende geconstateerd. Blijkens het I&R-register zijn deze runderen op 28 augustus 2002 van uw bedrijf (UBN 2405294) afgevoerd en aangevoerd op het bedrijf met UBN 1363038. Als slachtdatum van de betreffende runderen is in het I&R-register echter 20 december 2002 geregistreerd.

Weliswaar is het bedrijf met UBN 1363038 op hetzelfde adres gevestigd als uw bedrijf; echter, gelet op het feit dat het bedrijf met UBN 1363038 een afzonderlijk relatienummer, rekeningnummer en bedrijfsvoering heeft, dient te worden aangenomen dat het hier een andere economische eenheid betreft. Voorts is namens UBN 1363038 nooit een deelnamemelding in het kader van de Slachtpremieregeling bij LASER ingediend. Aangezien een deelnamemelding ontbreekt, kan voor de betreffende runderen ook geen slachtpremie worden uitgekeerd ten behoeve van het bedrijf met UBN 1363038.

Gezien het voorgaande heeft u met betrekking tot deze runderen mitsdien niet voldaan aan de voorwaarden om voor premie in aanmerking te komen. Ook overigens zijn noch feiten en omstandigheden door u aangevoerd, noch zijn deze mij gebleken die zouden kunnen leiden tot het nemen van een ander besluit.”

Ter zitting is door verweerder bij de bij die gelegenheid overgelegde pleitnota nog het volgende aangevoerd:

“ Slachtpremie voor in Nederland geslachte runderen wordt niet direct door de betrokken producenten aangevraagd. De aanvragen worden namens de producent verricht door middel van een melding van slacht van het betrokken rund bij het I&R register door het slachthuis, (artikel 2.4a tweede lid, artikel 2.4b tweede lid van de regeling en artikel 35, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999). Na de melding van slacht beoordeelt verweerder welke producent in aanmerking komt voor slachtpremie. De beoordeling vindt plaats op UBN-niveau. Dat wil zeggen dat middels het I&R-systeem wordt bekeken welk UBN en daarmee producent voldoet aan de voorwaarden van de regeling voor toekenning van premie voor het geslachte rund.

Een producent kan over meerdere UBN beschikken. Producenten kunnen een aanvraag voor slachtpremie uitsluitend indienen na ontvangst door verweerder van een deelnamemelding (artikel 2.4b eerste lid van de regeling ) waarin de producent aangeeft voor welk(e) UBN('s) hij wil participeren aan de Slachtpremieregeling. Voor UBN 2405294 heeft verweerder op 17 februari 2000 een deelnamemelding ontvangen van appellante voorafgaand aan de melding van slacht van de desbetreffende runderen. Echter zoals gesteld heeft UBN 2405294 niet voldaan aan de voorwaarden van de regeling. Voor UBN 13630308, welke eveneens op appellantes naam is geregistreerd, heeft verweerder nimmer een deelnamemelding van appellante ontvangen. Om die redenen kan voor de desbetreffende runderen geen premie worden betaald op UBN 13630308.

Er is geen koppeling tussen het producentenregister van LASER en die van de Gezondheidsdienst Dieren, die de UBN's uitgeeft. Het is dus voor verweerder voor de beoordeling van de slachtpremie, van wezenlijk belang dat producenten wijzigingen tijdig doorgeven, d.m.v. een nieuw deelnamemelding. Producenten worden hier ook op gewezen in het deelnameformulier, in de

correspondentie omtrent aanvang, bevestiging of beëindiging van deelname, en in de brochures die verweerder uitgeeft. Het tijdig doorgeven van wijzigingen in de gegevens van de producent en/of het UBN, behoort derhalve te allen tijde tot de verantwoordelijkheid van de producent.”

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

“ Het Ministerie van LNV stelt in haar besluit dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Om die reden is het nodig geoordeeld u in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het Ministerie zal hier ongetwijfeld bedoelen dat het niet nodig wordt geacht mevrouw A te horen. Afgezien van deze omissie in het besluit is mevrouw A van mening dat een hoorzitting wel degelijk een ander licht op de zaak had kunnen werpen. Het direct voorbijgaan aan artikel 7:2 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht voert in de optiek van mevrouw A dan ook veel te ver en wordt ook niet onderbouwd door het Ministerie van LNV. Mevrouw A is dan ook van mening dat het niet horen in strijd is met hetgeen is voorgeschreven op grond van de Awb.

Het primaire besluit van LASER van d.d. 6 mei 2003 sprak slechts over een afwijzing van 11 runderen op basis van code 3 (niet binnen een maand na afvoer geslacht binnen de EU, dan wel binnen 2 maanden levend geëxporteerd uit de EU). Mevrouw A verkeerde echter in de stellige overtuiging dat de 11 runderen op de correcte wijze zijn afgevoerd en binnen een maand na afvoer zijn geslacht. Dit is ook door haar in bezwaar naar voren gebracht. Op het moment van het indienen van bezwaar wist mevrouw A niet dat de problematiek voortvloeide uit de omzetting van het UBN-nummer van A (UBN-nummer: 2405294) in het UBN-nummer van de VOF C+A (UBN-nummer:1363038). Dit werd pas duidelijk toen mevrouw A de beslissing op bezwaar onder ogen kreeg. Een mondelinge toelichting zou dan ook recht aan de zaak hebben gedaan, en de Unitmanager van LASER mogelijk op andere gedachten hebben kunnen brengen.

De problematiek vloeit voort uit de aanvraag Regeling dierlijke EG-premies (mannelijke runderen, verkoopseizoen 2002, ST02CO, aanvraagnummer 5187234. Voor het indienen van de aanvraag stierenpremie 2002 werd mevrouw A door LASER bericht dat de stierenpremie aangevraagd moest worden op basis van de nieuwe tenaamstelling en het daarbij behorende UBN-nummer: 1363038. In eerste instantie waren de benodigde NAD-documenten al aangevaagd op het UBN-nummer: 2405294 (zie bijlagen). Op advies van LASER is door een herstelverzoek de premiecodering verwijderd uit het I&R-systeem en is een nieuw NAD-document verstrekt op het UBN-nummer: 1363038 voor dezelfde dieren. De dieren zijn na verwijdering van UBN-nummer 2405294 niet feitelijk afgevoerd, maar op voorspraak van LASER administratief overgeboekt naar het UBN-nummer: 1363038 in verband met de regeling dierlijke EG-premies (stieren). De constatering dat de runderen met de in de beschikking genoemde ID-codes niet binnen een maand na afvoer zijn geslacht klopt derhalve niet. Op basis van de UBN-nummers 2405294 en 1363038 kan LASER op grond van de unieke ID-codes achterhalen wanneer de dieren feitelijk van het bedrijf zijn afgevoerd en daadwerkelijk zijn geslacht. Beide UBN-nummers zijn gevestigd op hetzelfde adres en vallen onder dezelfde bedrijfsvoering. Er is op het adres X immers sprake van een functionele eenheid. Daarbij wordt er bij een verandering van tenaamstelling door LASER altijd een nieuw relatienummer toegekend. Feitelijk zou LASER het oude relatienummer van mevrouw A hebben moeten laten vervallen en alle daarop lopende aanvragen, waaronder de slachtpremie, hebben moeten overboeken op het relatienummer van de VOF en het daaraan gekoppelde UBN-nummer. Mevrouw A is dan ook van mening dat de afwijzing voortvloeit uit het wijzigen van de tenaamstelling en de daarmee samenhangende dubbele relatienummers en UBN-nummers. In de optiek van mevrouw A is in onderhavige aanvraag sprake van het administratief langs elkaar heen lopen van verschillende aanvragen en UBN-nummers. Dit is verbazingwekkend, omdat de slachtpremie en de stierenpremie beide onderdeel uitmaken van de regeling Dierlijke EG-premies. In de optiek van mevrouw A is onderhavige omissie te herstellen door op basis van de ID-nummers de feitelijke afvoer van het bedrijf tot het moment van slacht na te lopen. Daaruit zal blijken dat de dieren binnen een maand na afvoer van het bedrijf zijn geslacht.”

5. De beoordeling van het geschil

Artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan, voordat het op een bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan van het horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

Het College stelt het volgende vast.

Het primaire besluit is gebrekkig gemotiveerd. Uit de bij het primaire besluit gevoegde betalingsspecificatie blijkt slechts dat er elf niet-premiewaardige dieren zijn, waarbij als reden van afwijzing code 3 is vermeld. Uit het bestreden besluit wordt duidelijk dat onder deze code wordt verstaan: niet binnen één maand na afvoer geslacht binnen de EU, dan wel binnen twee maanden levend geëxporteerd uit de EU. Voorts blijkt uit het bezwaarschrift niet waarom appellante zich tegen het primaire besluit verzet en heeft verweerder appellante niet in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Ten slotte is pas in het verloop van de procedure gebleken dat de reden van afwijzing is dat de slachtmelding van de betreffende elf dieren op UBN 1363038 is geschied en voor dit UBN nimmer een deelnamemelding is ingediend en dat de rechtsgrond van afwijzing artikel 2.4b, eerste lid, van de Regeling is.

Het College is van oordeel dat verweerder niet van het horen van appellante had mogen afzien. Onder de gegeven omstandigheden was immers een hoorzitting bij uitstek de gelegenheid om appellante de reden van afwijzing uit de doeken te doen en vervolgens te vragen waarom zij het met het besluit niet eens is. Door appellante niet te horen heeft verweerder zelf appellante de mogelijkheid ontnomen om, zoals verweerder het in het bestreden besluit heeft gesteld, feiten en omstandigheden aan te voeren die zouden kunnen leiden tot het nemen van een ander besluit.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:2 Awb dient te worden vernietigd.

Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-, te weten € 322,- voor het beroepschrift en € 322,- voor het verschijnen ter zitting, bij een zaak van gemiddeld gewicht. De gemachtigde van appellante heeft een formulier proceskosten overgelegd en daarop ook om reiskosten verzocht. Dit verzoek kan evenwel niet worden gehonoreerd, nu ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht alleen de reiskosten van een partij of een belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komen.

6. De beslissing

Het College :

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 21 juli 2003;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure welke aan de zijde van appellante worden vastgesteld op € 644,--

(zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,-- (zegge:

honderdzestien euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M. Heijs en mr. F. Stuurop in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R.P.H. Rozenbrand


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature