< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 14 september 2000 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) aan [vergunninghouder] te [plaats] een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna: de Wbr) “voor het behouden van werken (beplanting, bouwwerken en afheining), op één of meerdere hem toebehorende percelen, kadastraal bekend gemeente Heel, sectie […], nummer […] aan de linker oever van de rivier de Maas nabij km. 67.450 in de gemeente Heel”, zulks onder bijbehorende voorschriften (hierna: de vergunning).

Uitspraak



200308355/1.

Datum uitspraak: 1 december 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1], wonend te [woonplaats] en [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2000 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) aan [vergunninghouder] te [plaats] een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna: de Wbr) “voor het behouden van werken (beplanting, bouwwerken en afheining), op één of meerdere hem toebehorende percelen, kadastraal bekend gemeente Heel, sectie […], nummer […] aan de linker oever van de rivier de Maas nabij km. 67.450 in de gemeente Heel”, zulks onder bijbehorende voorschriften (hierna: de vergunning).

Bij besluit van 9 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voorzover gericht tegen het KB van 6 maart 1998 en voor het overige ongegrond verklaard. Tevens heeft hij bij dit besluit het besluit van 14 september 2000 herroepen voorzover het de tenaamstelling van de geadresseerden en de aanduiding van het te vergunnen perceel betreft en als volgt gewijzigd: [appellant sub 1] is vervangen door [appellant sub 1] en [appellant sub 2], en de aanduiding “één of meerdere percelen” is vervangen door “het perceel”.

Bij uitspraak van 28 oktober 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 januari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 maart 2004 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2004, waar [appellant sub 1]  in persoon, mede als gemachtigde van [appellant sub 2], en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.E. Hodselmans en mr. G. de Keijzer, werkzaam bij de directie Limburg van het Directoraat-Generaal van Rijkswaterstaat, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1a van de Wbr worden in deze wet de rivieren, behorende tot de wateren in beheer bij het Rijk, begrensd door de buitenkruinlijn van de primaire waterkering in de zin van de Wet op de waterkering, dan wel, waar zodanige waterkering ontbreekt, door de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen lijn van de hoogwaterkerende gronden.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wbr , is het verboden zonder vergunning van de Minister van Verkeer en Waterstaat gebruik te maken van een Waterstaatswerk door anders dan waartoe het is bestemd daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden.

   Ingevolge artikel 2a van de Wbr worden bij algemene maatregel van bestuur binnen de ingevolge artikel 1a geldende begrenzing de gedeelten van het rivierbed aangewezen waar artikel 2, eerste lid, vanwege de ruimte aldaar van het rivierbed of de ligging aldaar van bebouwd gebied, niet van toepassing is dan wel op bepaalde gedragingen niet van toepassing is dan wel slechts op bepaalde gedragingen van toepassing is. Tevens worden bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gedragingen aangewezen waarop artikel 2, eerste lid, in het rivierbed binnen de ingevolge artikel 1a geldende begrenzing niet van toepassing is.

2.1.1.    Bij Koninklijk Besluit van 6 maart 1998 (hierna ook: het KB) is het gebied waar de vergunningplicht ingevolge de Rivierenwet – thans de vergunningplicht ingevolge de Wbr – geldt, uitgebreid. In de toelichting bij het KB wordt vermeld dat het KB middels een opschorting met een termijn van twee jaar in werking zal treden, teneinde tegen te gaan dat een vergunningplicht ontstaat op een tijdstip waarop nog geen vergunning kan zijn aangevraagd, laat staan verleend.

   Ingevolge het KB geldt er voor reeds aanwezige werken een vergunningplicht met ingang van 10 april 2000.

2.2.    In geding is de verlening van een vergunning aan appellanten krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wbr , teneinde aan de vergunningplicht voor bestaande werken te voldoen.

2.3.    Uit de bij de vergunning behorende kaart blijkt dat het perceel van appellanten waar het hier om gaat, gedeeltelijk buiten het vergunningplichtige gebied valt. Vastgesteld kan worden dat de vergunning, zoals gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar, uitsluitend op het als vergunningplichtig aangemerkte deel betrekking heeft. Partijen verschillen hierover niet van mening.

   Appellanten betogen allereerst dat de rechtbank ten onrechte hun stelling heeft verworpen dat het besluit is genomen in strijd met de wet, omdat de Staatssecretaris aanneemt dat er een – gedeeltelijke –vergunningplicht bestaat, terwijl de wet aangeeft dat dit niet het geval is. De Staatssecretaris heeft in dat verband overwogen dat het perceel van appellanten niet bij de ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing op bezwaar geldende algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Wbr , is aangewezen als gedeelte van het rivierbed waar artikel 2, eerste lid, van de Wbr (de vergunningplicht) niet van toepassing is.

   In de toelichting bij deze algemene maatregel van bestuur, te weten het Besluit van 12 april 2001, houdende vaststelling van begrenzingen en gebiedsaanwijzingen met betrekking tot het rivierbed, bedoeld in de artikelen 1a en 2a van de Wbr (Stb. 2001, 255, in werking getreden op 1 augustus 2001; hierna: Besluit rijksrivieren), is gesteld dat reeds in 1998 is gekomen tot het beëindigen van de aanwijzing als uitgezonderd gebied van bepaalde delen van het rivierbed van de Maas, hetgeen in dit Besluit wordt gehandhaafd. Het perceel is niet als zodanig aangegeven op de bij het Besluit rijksrivieren behorende kaarten, zoals de Staatssecretaris terecht heeft overwogen. Artikel 3 van het Besluit rijksrivieren kan evenmin leiden tot een uitzondering op de vergunningplicht, nu ten gevolge van dit Besluit geen begrenzing, gebiedsaanwijzing of andere beperking op het vereiste van een vergunning is gewijzigd of vervallen, hetgeen vereist is voor de toepasselijkheid van dit artikel. Dit betoog van appellanten slaagt derhalve niet.

2.4.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht wegens het niet horen van appellanten voorafgaande aan het nemen van het primaire besluit. De rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat de Staatssecretaris redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat appellanten bedenkingen tegen de vergunning zouden hebben. Wat hiervan ook zij, met het horen in bezwaar is een eventueel aan het primaire besluit klevend gebrek hersteld, zodat dit betoog niet kan leiden tot het ermee beoogde doel. Dat appellanten geen gehoor hebben gegeven aan de uitnodiging in bezwaar gehoord te worden, dient voor hun rekening te blijven.

2.5.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het KB van 6 maart 1998, ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar vervangen door het Besluit rijksrivieren, niet buiten toepassing kan worden gelaten aangezien er geen strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, kan evenmin staande worden gehouden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er aanleiding kan zijn een achterliggend besluit buiten toepassing te laten indien blijkt dat dit besluit niet in redelijkheid genomen had kunnen worden dan wel anderszins in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In dit geval is hiervan evenwel geen sprake en is er mitsdien geen reden het KB en het Besluit rijksrivieren buiten toepassing te laten. Er is geen grond voor het oordeel dat de grenzen, waardoor een gedeelte van de bestaande bebouwing op het perceel van appellanten wel en een gedeelte niet vergunningplichtig is, willekeurig zijn getrokken en dat die grenzen niet op een deugdelijke basis berusten. Dat thans, mede op basis van nieuwe inzichten, wordt onderzocht in hoeverre een andere begrenzing aangewezen is, doet daaraan niet af en leidt niet tot een ander oordeel.

2.6.    In bezwaar hebben appellanten een verzoek om schadevergoeding gedaan voor het geval de vergunningplicht op hun perceel van toepassing is, omdat naar hun mening hun perceel daardoor minder waard wordt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de schade onvoldoende is onderbouwd en onvoldoende aannemelijk is, zodat de beslissing op bezwaar terzake in stand kan blijven. In hoger beroep hebben appellanten hierover geen nieuwe argumenten aangevoerd.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2004

18.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature