Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Minister) de aan appellante te verlenen subsidie in het kader van de “Beëindigingsregeling varkensbedrijven in de EHS” (hierna: de Regeling) vastgesteld op € 1.407.041,31.

Uitspraak



200403012/1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 maart 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Minister) de aan appellante te verlenen subsidie in het kader van de “Beëindigingsregeling varkensbedrijven in de EHS” (hierna: de Regeling) vastgesteld op € 1.407.041,31.

Bij besluit van 27 januari 2003 heeft de Minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 maart 2004, verzonden op 2 maart 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep - voorzover thans van belang - ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 mei 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 juni 2004 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. A. de Groot, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij beschikking van 16 april 1999 heeft de Minister in het kader van de Regeling - voorzover thans van belang - een subsidie van ƒ 903.318,00/€ 409.907,84 aan appellante verleend.

   In de daarop gevolgde beslissing van 17 november 1999 op het door appellante gemaakte bezwaar tegen de beschikking van 16 april 1999, heeft de Minister overwogen dat bij de berekening van de subsidie ten onrechte is uitgegaan van een vergoeding van een korting van 40% van zowel grondgebonden als niet grondgebonden rechten en dat het berekende bedrag van ƒ 903.318,00/€ 409.907,84 derhalve niet juist is. Volgens die beslissing is in het geval van appellante sprake van een verplaatsing van haar bedrijf, zodat zij slechts in aanmerking komt voor een vergoeding van de korting van 40% van haar niet grondgebonden varkensrechten, hetgeen neerkomt op een bedrag van ƒ 830.238,00/€ 376.745,58.

2.1.1.    Bij beschikking van 28 maart 2002 heeft de Minister de subsidie vastgesteld, waarbij hij is uitgegaan van een vergoeding van ƒ 830.238,00/€ 376.745,58 voor niet grondgebonden varkensrechten. Deze beschikking is bij voormeld besluit van 27 januari 2003 in bezwaar gehandhaafd.

2.2.    Appellante klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft overwogen dat de vaststelling van de subsidie op een lager bedrag in strijd is met het vertrouwensbeginsel.        

2.2.1.    Die klacht faalt. Appellante is op de hoorzitting, gehouden in het kader van de behandeling van haar bezwaar tegen de beschikking van 16 april 1999, meegedeeld dat de berekening van de subsidie onjuist was. In de beslissing op bezwaar van 17 november 1999 heeft de Minister nogmaals aangegeven dat het bedrag van ƒ 903.318,00/€ 409.907,84 niet juist is. Dat de Minister de gemaakte fout niet heeft hersteld in het kader van de subsidieverlening, leidt evenwel niet tot het oordeel dat appellante er rechtens op mocht vertrouwen dat dit evenmin zou gebeuren in het kader van de subsidievaststelling. Volgens de Toelichting op de Regeling geeft de subsidieverlening immers slechts een voorwaardelijke aanspraak op subsidiegelden. Pas als aan alle voorwaarden is voldaan, wordt de beschikking tot subsidievaststelling gegeven en ontstaat ingevolge artikel 4:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de aanspraak op subsidie.

2.3.    Appellante klaagt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de Minister geen gebruik mocht maken van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb , nu hij het subsidiebedrag niet heeft gewijzigd met toepassing van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb .

2.3.1.    Die klacht faalt evenzeer. Ingevolge artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb kan de subsidie lager worden vastgesteld, indien de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten. In het onderhavige geval is in het kader van de heroverweging van de beschikking tot subsidieverlening gebleken dat de vergoeding niet juist was berekend en dat appellante van die fout op de hoogte was. Derhalve kon de Minister de vergoeding op een lager bedrag vaststellen met toepassing van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb . Hieraan staat niet in de weg dat de Minister geen gebruik heeft gemaakt van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb .    

2.4.    Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wet herstructurering varkenshouderij - zoals die gold tot 5 februari 2004 – (hierna: Whv) kan een varkensrecht, onder welke titel dan ook, met inachtneming van artikel 17 geheel of gedeeltelijk overgaan naar een ander bedrijf overeenkomstig de artikelen 18 en 19.

   Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Whv kan, in afwijking van het eerste lid, het grondgebonden deel van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, niet naar een ander bedrijf overgaan.

   Ingevolge artikel 18, derde lid, van de Whv - voorzover thans van belang - vindt op het tijdstip van registratie van de kennisgeving een verkleining plaats van het varkensrecht van het bedrijf waarvan het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is, en vindt een vergroting plaats van het varkensrecht van het bedrijf waarnaar het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, overgaat. De verkleining komt overeen met het aantal varkenseenheden waarop de kennisgeving betrekking heeft. De vergroting komt overeen met het aantal varkenseenheden waarop de kennisgeving betrekking heeft, verminderd met:

- 40%, indien de kennisgeving in 1998 wordt gedaan.  

2.4.1.    Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b 1°, van de Regeling kunnen - voorzover thans van belang - voor een bedrijf dat voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 2, onder a, een bedrag worden verstrekt voor de vermindering van het varkensrecht, bedoeld in artikel 18, derde lid, van de wet, indien de aanvrager bij zijn aanvraag tot subsidieverlening heeft verklaard dat hij voornemens is de varkenshouderij te verplaatsen naar een ander hem toebehorend bedrijf.

2.5.    Appellante heeft subsidiair betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat zij op basis van artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b 1°, van de Regeling aanspraak heeft op een vergoeding van het grondgebonden deel van het varkensrecht dat is achtergebleven op het perceel.

2.5.1.    Gelet op artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b 1°, van de Regeling in samenhang met de artikelen 16, tweede en 18, derde lid, van de Whv komt het grondgebonden deel van het varkensrecht niet voor subsidie in aanmerking. Het subsidiaire betoog treft evenmin doel.    

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voorzover aangevallen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.C.M. Ramsahai, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Ramsahai

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004

-401.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature