< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 3 juni 2002, kenmerk SBO/25953/M682, heeft verweerder beslist bestuursdwang als geregeld in artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen ter zake van de door appellante gedreven inrichting aan de [locatie] te [plaats]. De bestuursdwang strekt tot het geheel of gedeeltelijk sluiten van de inrichting en het leegpompen van de zich op het terrein van de inrichting bevindende ondergrondse tanks. Bij besluit van 29 juli 2002, kenmerk SBO/28878/M682, heeft verweerder dit besluit ingetrokken.

Uitspraak



200306213/1.

Datum uitspraak: 15 september 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (Overijssel),

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2002, kenmerk SBO/25953/M682, heeft verweerder beslist bestuursdwang als geregeld in artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen ter zake van de door appellante gedreven inrichting aan de [locatie] te [plaats]. De bestuursdwang strekt tot het geheel of gedeeltelijk sluiten van de inrichting en het leegpompen van de zich op het terrein van de inrichting bevindende ondergrondse tanks. Bij besluit van 29 juli 2002, kenmerk SBO/28878/M682, heeft verweerder dit besluit ingetrokken.

Bij besluit van 22 oktober 2002, kenmerk SBO33244/M682, heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000,00 per week zolang de bodem en het grondwater van de inrichting van appellante niet overeenkomstig het door verweerder goedgekeurde saneringsplan zijn gesaneerd. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 75.000,00.

Bij besluit van 5 augustus 2003, kenmerk BD/26691/34258, verzonden op 7 augustus 2003, heeft verweerder het tegen het besluit van 3 juni 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en tevens het tegen het besluit van 22 oktober 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder verbetering van de gronden.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 15 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 oktober 2003.

Bij brief van 4 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E.W. Roessingh, advocaat te Hengelo, en D.G. Roessingh, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.P.B. Wortelboer, L. Harms en D. Keizer, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante stelt dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte bevoegd heeft geacht om de besluiten van 3 juni 2002 en 22 oktober 2002 (hierna: de primaire besluiten) te nemen. Hiertoe betoogt zij dat niet duidelijk is of in artikel 1, onder o, van het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming (hierna: het Besluit) gedoeld wordt op de gemeente Hengelo in de provincie Overijssel of de gelijknamige gemeente in de provincie Gelderland. Gelet op deze onduidelijkheid had verweerder zich niet bevoegd mogen achten, aldus appellante.

2.1.1.    In artikel 88, eerste lid, van de Wet bodembescherming is bepaald dat voor de toepassing van een aantal in dat artikellid genoemde bepalingen van deze wet, de gemeenten Amsterdam, ’s-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht worden gelijkgesteld met een provincie. In artikel 88, negende lid, is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur het eerste lid van overeenkomstige toepassing kan worden verklaard op andere gemeenten dan die genoemd in het eerste lid. In artikel 1 van het Besluit is een aantal grotere gemeenten in Nederland vermeld, waaronder Hengelo. Gelet hierop en op de ratio van de bovengenoemde gelijkstelling, is in artikel 1, onder o, van het Besluit gedoeld op de gemeente Hengelo in de provincie Overijssel. Gelet op het vorenstaande en op artikel 95, tweede lid, van de Wet bodembescherming is verweerder in beginsel bevoegd om handhavend op te treden op grond van deze wet.

   Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.2.    Appellante stelt dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte het tegen het besluit van 3 juni 2002 gemaakte bezwaar ongegrond heeft verklaard. Hiertoe voert zij aan dat verweerder aan het laatstgenoemde besluit ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van een ongewoon voorval in de zin van artikel 17.1 van de Wet milieubeheer .

2.2.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de constatering door appellante van een verontreiniging van de bodem met brandstoffen een ongewoon voorval in de zin van artikel 17.1 van de Wet milieubeheer betreft.

2.2.2.    Ingevolge artikel 17.1 van de Wet milieubeheer moet degene die een inrichting drijft, indien zich in die inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, onmiddellijk de maatregelen treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

2.2.3.    De Afdeling overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellante in maart 2002 een melding van een bodemverontreiniging heeft gedaan. Verweerder heeft dit als een melding van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer aangemerkt. Tevens blijkt dat appellante niet onmiddellijk die maatregelen heeft genomen die naar aanleiding van het veronderstelde ongewoon voorval redelijkerwijs van haar hadden kunnen worden verwacht. Verweerder heeft zich derhalve ten tijde van het besluit van 3 juni 2002 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit besluit nodig was ter bescherming van het milieu.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder bij besluit van 29 juli 2002 het bestuursdwangbesluit van 3 juni 2002 heeft ingetrokken omdat uit onderzoek is gebleken dat de technische staat van de inrichting geen oorzaak kan zijn van een verontreiniging van de bodem. Ten tijde van het bestreden besluit was duidelijk geworden dat de geconstateerde bodemverontreiniging niet veroorzaakt was door de technische staat waarin de inrichting verkeerde maar vermoedelijk door het geleidelijk weglekken van brandstof uit oude niet afgedopte brandstofleidingen. Deze omstandigheid neemt niet weg dat verweerder zich ten tijde van het besluit van 3 juni 2002 in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit besluit nodig was ter bescherming van het milieu. Evenmin neemt dit weg dat verweerder het besluit van 3 juni 2002 zodra daar aanleiding toe bestond heeft ingetrokken. Dit in aanmerking genomen heeft verweerder in het bestreden besluit terecht het desbetreffende bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.3.    Verweerder heeft bij het bestreden besluit de grondslag van het besluit van 22 oktober 2002 gewijzigd in de artikelen 30 en 13 van de Wet bodembescherming (verder: Wbb).

2.3.1.    Appellante betoogt dat geen sprake is van een ongewoon voorval als bedoeld in de artikelen 30 en 13 van de Wbb . Volgens haar heeft zich niet een van de normale bedrijfsactiviteiten afwijkende gebeurtenis voorgedaan die de bodemverontreiniging tot gevolg heeft gehad.

2.3.2.    Artikel 44 Wbb luidt als volgt: “Gedeputeerde staten kunnen degene die de bodem saneert niet overeenkomstig een door hem ingediend saneringsplan, waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, bevelen alsnog overeenkomstig dat plan te handelen.”

2.3.3.    De Afdeling overweegt dat het dictum van het bestreden besluit ziet op een bevel als bedoeld in artikel 44 Wbb om de onderhavige bodemsanering alsnog conform het door verweerder goedgekeurde saneringsplan uit te voeren. Verweerder heeft de bij het besluit van 22 oktober 2002 opgelegde last onder dwangsom in het bestreden besluit op bezwaar van 5 augustus 2003 echter op de artikelen 30 en 13 van de Wbb gebaseerd. Deze artikelen zien niet op het in het dictum verwoorde bevel om de bodemsanering alsnog conform het door verweerder goedgekeurde saneringsplan uit te voeren. Daarnaast volgt uit artikel 44 Wbb dat verweerder niet wegens strijd met het saneringsplan tot handhaving mocht overgaan alvorens appellante te bevelen alsnog overeenkomstig dat plan te handelen.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Dit besluit dient dan ook, onder gegrondverklaring van het beroep, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht .

2.4.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige gronden geen bespreking.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (Overijssel) van 5 augustus 2003, kenmerk BD/26691/34258;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (Overijssel) in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 698,58, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Hengelo (Overijssel) te worden betaald aan appellante;

IV.    gelast dat de gemeente Hengelo (Overijssel) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Klap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2004

315-442.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature