< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 24 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij appellanten medegedeeld dat in een partij aardappelen van een bedrijf in Portugal aanwijzingen zijn gevonden die duiden op een besmetting met Clavibacter michiganensis subsp. sepedonicus, de bacterie die ringrot veroorzaakt. De partij Agria die op het bedrijf van appellanten wordt geteeld, met telernummer *, is – aldus het besluit – klonaal verwant aan deze mogelijk besmette partij. Gelet hierop wordt een nader onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van bedoeld schadelijk organisme. Hangende dit onderzoek zijn appellanten bij dit besluit op grond van artikel 2 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen (hierna: Bbso) en artikel 11 van de Plantenziektenwet (hierna: Pzw) maatregelen aangezegd met betrekking tot de bedoelde partij Agria.

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/773 15 juni 2004

32100 Plantenziektenwet

Uitspraak in de zaak van:

1. de Maatschap A,

2. B,

3. C,

allen te X, appellanten,

gemachtigde: mr. A.H. van der Wal, advocaat te Leeuwarden,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. J.A. Diephuis en mr. drs. P.J. de Vries.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 24 april 2002 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij appellanten medegedeeld dat in een partij aardappelen van een bedrijf in Portugal aanwijzingen zijn gevonden die duiden op een besmetting met Clavibacter michiganensis subsp. sepedonicus, de bacterie die ringrot veroorzaakt. De partij Agria die op het bedrijf van appellanten wordt geteeld, met telernummer *, is – aldus het besluit – klonaal verwant aan deze mogelijk besmette partij. Gelet hierop wordt een nader onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van bedoeld schadelijk organisme. Hangende dit onderzoek zijn appellanten bij dit besluit op grond van artikel 2 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen (hierna: Bbso) en artikel 11 van de Plantenziektenwet (hierna: Pzw) maatregelen aangezegd met betrekking tot de bedoelde partij Agria.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 3 juni 2002 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 juni 2002 heeft de Staatssecretaris, voornoemd, appellanten in vervolg op het besluit van 24 april 2002 te kennen gegeven dat in de bedoelde partij aardappelen in Portugal en in een restant in Nederland de ringrotbacterie is aangetroffen, alsmede dat de partij Agria op het perceel van appellanten onderdeel is van deze besmette partij. Deze partij Agria wordt daarom als besmet beschouwd. Gelet hierop zijn bij dit besluit op grond van de artikelen 3 t /m 6, 9 t/m 12 en 17 Bbso en artikel 2 van de Regeling invoer, uitvoer en verkeer van planten nadere maatregelen aangezegd met betrekking tot de bedoelde partij, waaronder vernietiging van die partij, alsmede met betrekking tot het perceel waarop deze partij is geteeld.

Bij besluit van 2 juli 2002 heeft de Staatssecretaris, voornoemd, appellanten medegedeeld dat hun bedrijf vanwege de teelt van een besmette partij in 2001 is opgenomen in de zogenoemde survey. Op grond hiervan zijn bij dit besluit op grond van de artikelen 2 en 17 Bbso nadere maatregelen met betrekking tot het bedrijf aangezegd.

Bij brieven van 22 juli 2002 en 2 augustus 2002 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen de besluiten van respectievelijk 12 juni 2002 en 2 juli 2002.

Bij besluit van 16 augustus 2002 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, die inmiddels het nemen van besluiten met betrekking tot fytosanitaire aangelegenheden aan zich had getrokken, op grond van de artikelen 9 t/m 12 Bbso, artikel 2 van de Regeling bestrijding schadelijke organismen en artikel 11 Pzw teeltbeperkende maatregelen aangezegd met betrekking tot het bedrijf van appellanten.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 10 september 2002 bezwaar gemaakt.

Op 20 februari 2003 zijn appellanten naar aanleiding van hun bezwaren vanwege verweerder gehoord.

Bij besluit van 3 juni 2003 heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 14 juli 2003, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Op 13 augustus 2003 hebben appellanten de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 29 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 6 april 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, zijn verschenen. Appellant B is voorts in persoon verschenen.

2. Beoordeling van het geschil

2.1 Niet in geschil is dat de partij Agria aardappelen van appellanten oorspronkelijk behoorde tot dezelfde partij als de Portugese partij aardappelen (oogst 2001) die in maart 2002 verdacht werd van besmetting met ringrot en later – in april 2002 – daadwerkelijk besmet is bevonden. Appellanten hebben in het verlengde hiervan ter zitting te kennen gegeven dat evenmin ter discussie staat dat hun, hier in geding zijnde, partij aardappelen met ringrot was besmet.

De grieven van appellanten houden in dat verweerder te lang heeft gewacht met het nemen van het vastleggingsbesluit van 24 april 2002. Huns inziens was reeds in de week van 18 t/m 24 maart 2002 duidelijk ten aanzien van welke partij Agria aardappelen een verdenking van besmetting met ringrot bestond. Ook de telernummers waren bekend, zodat het bedrijf van appellanten toen reeds kon worden achterhaald. Niettemin is nog tot 12 april 2002 gewacht met de start van het traceringsonderzoek en is pas op 24 april 2002 tot vastlegging overgegaan. Volgens appellanten is deze handelwijze van de zijde van verweerder onzorgvuldig. Deze onzorgvuldigheid heeft er ook toe geleid dat de andere achtereenvolgende primaire besluiten te lang op zich hebben laten wachten, zodat volgens hen de conclusie moet zijn dat ook die besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid. Door deze trage besluitvorming menen appellanten onnodig schade te hebben geleden, aangezien zij de aardappelen kort voor 24 april 2002 hebben gepoot. Indien het vastleggingsbesluit zou zijn genomen zo snel als dat redelijkerwijs mogelijk was, hadden zij de aardappelen niet gepoot en waren de gevolgen van de verdenking en later de besmetting beduidend beperkter geweest.

2.2 Naar het oordeel van het College kan het standpunt van appellanten, ook indien dit juist zou zijn, niet leiden tot de conclusie dat het vastleggingsbesluit ten onrechte is genomen. Immers, gegeven de gegrondheid van de verdenking van de partij aardappelen van besmetting met ringrot kon verweerder (althans de staatssecretaris) ten tijde van het nemen van het vastleggingsbesluit niet anders dan tot vastlegging overgaan. Ook indien hij hiertoe eventueel reeds eerder had kunnen besluiten, kan dit niet afdoen aan de rechtmatigheid van het vastleggingsbesluit. Het standpunt van appellanten dient derhalve niet zozeer te worden gezien als een bezwaar tegen het nemen van dit besluit, doch veeleer als een bezwaar tegen het niet – ambtshalve – nemen van een eerder besluit. Tegen een dergelijke, voor de mogelijkheid van bezwaar met een besluit gelijk te stellen beslissing is evenwel niet opgekomen.

2.3 Het College hecht er overigens aan – zonder hier een inhoudelijk oordeel over uit te spreken – te overwegen dat het vorenstaande niet met zich brengt dat het appellanten niet vrij zou staan hun standpunt dat onredelijk lang is geacht met het nemen van het vastleggingsbesluit in ander verband, bijvoorbeeld in het kader van een actie ter verkrijging van financiële compensatie, aan de orde te stellen.

2.4 Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat verweerder bij het nemen van de bestreden beslissing ten onrechte het vastleggingsbesluit en de daarop volgende besluiten, voor zover die bij die beslissing aan de orde waren, heeft gehandhaafd. Het beroep is mitsdien ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2004.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.S. Hoppener


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature