< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Weigering inschrijving geldtransactiekantoor in het register als bedoeld in art. 1 Wet inzake de geldtransactiekantoren wegens toezichtsantecedenten (Wgt). Weigering is naar voorlopig oordeel voorzieningenrechter niet onterecht gelet op onvoldoende weersproken gestelde overtredingen van art. 11 Wgt en art. 9 Wet MOT. Intrekking ontheffing als bedoeld in art. 82 Wtk 1992 niet op zelfstandig rechtsgevolg gericht.

Uitspraak



RECHTBANK TE ROTTERDAM

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: VBC 04/151-NIF

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

[Belanghebbende], h.o.d.n. [naam eenmanszaak], wonende te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. V.M. Weski, advocaat te Rotterdam,

en

De Nederlansche Bank N.V., verweerster,

gemachtigden: mr. A.J.P. Tillema en mr. C. Doetz, advocaten te Amsterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 23 december 2003 heeft verweerster verzoeker bericht besloten te hebben dat:

1. verzoeker de verzochte inschrijving in het register als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren (hierna: de Wgt) niet te verlenen;

2. het verzoeker ingaande 26 december 2003 op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wgt niet meer is toegestaan werkzaam te zijn als geldtransactiekantoor door het uitvoeren van geldtransferactiviteiten dan wel het beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam zijn bij de totstandkoming van geldtransfertransacties;

3. de aan verzoeker verleende ontheffing als bedoeld in artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (hierna: de Wtk 1992) wordt ingetrokken per 26 december 2003.

Voorts is in die brief aangegeven onder welke voorwaarden een drietal bankgaranties als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wgt op verzoek zullen worden geretourneerd.

Tegen deze brief (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoekers gemachtigde bij brief van 16 januari 2004 bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoekers gemachtigde bij ongedateerde brief (ontvangen op 20 januari 2004) de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verzoeker zal worden behandeld als ware hij ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wgt , althans dat wordt bepaald dat het verzoeker zal zijn toegestaan zijn bedrijfsmatige geldtransacties voort te zetten totdat op het beroep dan wel bezwaar is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2004. Aanwezig waren verzoeker en zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Voorts waren namens verweerster aanwezig W.P.H. Oldenburger en mr. C. Mayne, beiden werkzaam bij verweerster.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, c, ten derde, en e, van de Wgt wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. geldtransactiekantoor: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een derde geldtransacties uitvoert, dan wel beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming daarvan;

c. geldtransactie:

3°. het in het kader van een geldelijke overmaking ter beschikking krijgen van gelden of geldswaarden, teneinde deze gelden of geldswaarden al dan niet in dezelfde vorm aan een derde elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, dan wel het betalen of betaalbaar stellen van gelden of geldswaarden nadat deze

gelden of geldswaarden elders al dan niet in dezelfde vorm ter beschikking zijn gesteld, waarbij deze geldelijke overmaking een op zichzelf staande dienst is.

e. register: het openbare register van geldtransactiekantoren dat door de zorg van de Minister van Financiën (hierna: de Minister of Onze Minister) wordt gehouden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgt draagt de Minister zorg voor de inschrijving in het register van ieder geldtransactiekantoor dat daarom verzoekt, tenzij de Minister op grond van de beoordeling van de betrouwbaarheid van een van de in het derde lid, onder a, b, c of d, bedoelde personen of op grond van de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie:

a. van oordeel is dat hierdoor de integriteit van het financiële stelsel wordt aangetast of aannemelijk is dat deze zou kunnen worden aangetast. Daarvan is in elk geval sprake indien Onze Minister een redelijk vermoeden heeft dat het geldtransactiekantoor of een of meer van de in het derde lid, onder a, b, c of d, bedoelde personen zich schuldig maken of schuldig zullen maken aan witwassen of heling van geld dan wel betrokken zijn of zullen zijn bij de financiering van misdrijven die uit hoofde van internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding strafbaar zijn gesteld; of

b. van oordeel is dat de bedrijfsvoering of de administratieve organisatie onvoldoende is om een integere bedrijfsvoering te bevorderen en te handhaven of om aan de op het geldtransactiekantoor rustende overige wettelijke verplichtingen te voldoen.

De in het derde lid, onder a, b, c of d, bedoelde personen zijn ondermeer de bestuurders, de dagelijks beleidsbepalers en degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in het geldtransactiekantoor.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wgt is het verboden als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dat artikel is dit verbod - voor zover hier van belang - niet van toepassing op: degene die als geldtransactiekantoor is ingeschreven in het register als bedoeld in deze wet.

Artikel 11 van de Wgt luidt als volgt;

"Het is aan een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet identificatie bij dienstverlening , met uitzondering van de instelling genoemd in onderdeel 6, verboden om een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van die wet, met uitzondering van de dienst genoemd in onderdeel 8, te verlenen aan een geldtransactiekantoor waarop, naar de instelling weet of redelijkerwijs kan vermoeden, het verbod van artikel 3, eerste lid, van toepassing is. ".

Ingevolge artikel 18 van de Wgt heeft de Minister met het Overdrachtsbesluit Wet inzake de geldtransactiekantoren - ondermeer - zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 2 van de Wgt overgedragen aan verweerster.

Ingevolge artikel 19 van de Wgt is in afwijking van artikel 8:7 van de Awb voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

Artikel 48 van de Wgt luidt als volgt:

"1. Het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, blijft tot de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van inwerkingtreding van deze wet buiten toepassing ten aanzien van geldtransactiekantoren die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschikken over een ontheffing ingevolge artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 voor het uitvoeren van geldtransacties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 3°, van de ze wet.

2. Ten aanzien van het geldtransactiekantoor dat in de periode voorafgaande aan de in het eerste lid bedoelde dag bij Onze Minister een verzoek tot inschrijving heeft ingediend, blijft het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, buiten toepassing tot aan de tweede dag nadat de beslissing op het verzoek door Onze Minister is verzonden.".

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wtk 1992 is het een ieder verboden bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben dan wel in enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden.

Ingevolge artikel 82, derde lid, van de Wtk 1992 kan de Minister vrijstelling of, op verzoek en verweerster gehoord, ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verboden, indien de belangen die deze wet beoogt te beschermen, naar zijn oordeel anderszins voldoende worden beschermd. Een ontheffing kan worden geweigerd, indien naar het oordeel van de Minister de betrouwbaarheid van één of meer personen die het beleid van de betrokken onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, of die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de betrokken onderneming of instelling behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, niet buiten twijfel staat.

Ingevolge artikel 2 van het Mandaatbesluit artikelen 82, 83, 90b en 90c van de Wet toezicht kredietwezen 1992 oefent verweerster in naam van de Minister - ondermeer - de volgende bevoegdheid uit: het verlenen van ontheffingen ingevolge artikel 82, derde lid, van de Wtk 1992 .

Ingevolge artikel 90, eerste lid, van de Wtk 1992 is in afwijking van artikel 8:7 van de Awb voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

Artikel 9, eerste lid, van de Wet Melding ongebruikelijke transacties (hierna: Wet MOT) luidt als volgt:

"Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent, is verplicht een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld te melden aan het meldpunt.".

Ingevolge de op artikel 8 van de Wet MOT gebaseerde Regeling vaststelling indicatoren beoordeling (Stcrt. 2001, 63) geldt voor contante geldtransfertransacties boven de € 2.000,- een meldingsplicht als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet MOT .

De wijze waarop verweerster de betrouwbaarheid van één of meer personen, die het beleid van de onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, in financiële toezichtswetgeving vaststelt, is neergelegd in de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen, Stcrt. 2000, 78 (hierna: de Beleidsregel).

2.2. Feiten die als vaststaand worden aangenomen

Bij brief van 19 juli 2002 heeft verweerster aan verzoeker, die beschikte over een ontheffing als bedoeld in artikel 82, derde lid, van de Wtk 1992 voor geldtransferactiviteiten, ondermeer bericht dat de Wgt op 19 juli 2002 in werking is getreden, dat die wet ziet op verzoekers geldtransferactiviteiten en dat verzoeker indien hij die activiteiten wil blijven voortzetten ingevolge het overgangsrecht (als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de Wgt) voor 1 oktober 2002 een verzoek tot inschrijving in het register ingevolge die wet zal moeten indienen. Verweerster heeft verzoeker daarbij voorts bericht dat zijnerzijds kosten zijn verbonden aan het toezicht ingevolge de Wgt en aan de behandeling van een aanvraag tot inschrijving en dat met de invoering van de Wgt gelijk is besloten tot een periodieke hertoetsing van de betrouwbaarheid van bestuurder en (mede)beleidsbepalers.

Na een schriftelijke herinnering heeft verzoeker op 26 september 2002 een aanvraagformulier Wet inzake geldtransactiekantoren ingevuld en aan verweerster gezonden.

Na indiening van dit verzoek is herhaaldelijk gecorrespondeerd over de met de aanvraag in te dienen bescheiden en gegevens. In welk verband verweerder onder toepassing van het bepaalde in artikel 4:5 van de Awb de beslistermijn heeft opgeschort.

Op 14 augustus 2003 hebben de toezichthouders van verweerster mr. F. Demenint, A.J. Verhoeven bc en W.P.H. Oldenburger ingevolge artikel 8 van de Wgt een onderzoek uitgevoerd ten kantore van verzoeker. Tijdens dit onderzoek is een aantal kopieën gemaakt van een aantal documenten waaromtrent verweerster verzoeker bij brief van 22 augustus 2003 heeft bericht.

Oldenburger voornoemd heeft naar aanleiding hiervan op 19 december 2003 verslag gedaan van de onderzoeksbevindingen uit een steekproefsgewijs controleonderzoek naar de gegarandeerde geldtransfers door verzoeker waarbij geld in Nederland is gestort door een opdrachtgever en elders wordt uitbetaald aan een begunstigde en de vice versa geadviseerde geldtransfers.

Uit dat onderzoek komt naar voren dat verzoeker in de periode mei tot en met augustus 2003 geldtransfers heeft verricht met een aantal agenten. Het betreft hier vooral gegarandeerde geldtransfers waarbij de uitbetaling vermoedelijk in Suriname via verzoeker loopt. De betreffende tussenpersonen beschikken niet over een ontheffing als bedoeld in artikel 82 van de Wtk 1992 en zijn niet geregistreerd in het register van geldtransactiekantoren. Verzoeker zou aldus hebben gehandeld in strijd met artikel 11 van de Wgt . Voorts komt uit dat onderzoek naar voren dat verzoeker in strijd met artikel 9 van de Wet MOT zou hebben gehandeld door in elk geval een twaalftal geldtransacties waarbij meer dan € 2.000,- was gemoeid niet te melden aan het meldpunt als bedoeld in die bepaling.

Van de beweerde overtreding van artikel 9 van de Wet MOT heeft verweerster bij brief van 20 november 2003 melding gemaakt bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. Voorts heeft zij bij brieven van 20 november en 19 december 2003 aangifte gedaan van overtreding van artikel 9 van de Wet MOT en artikel 11 van de Wgt .

Verweerster heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

2.3. Standpunten van partijen

Verweerster heeft overwogen dat de indicatorenlijst behorende bij de Wet MOT alsmede de tekst van de Wgt op 17 juli 2002 aan verzoeker zijn toegezonden, dat de aangiften bij het Landelijk Parket inzake overtreding van artikel 9 van de Wet MOT en artikel 11 van de Wgt ieder op zich toezichtsantecendenten vormen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, in verbinding met bijlage C van de Beleidsregel en dat deze antecedenten kunnen worden toegerekend aan verzoeker als eigenaar/dagelijks beleidsbepaler. Voorts heeft verweerster overwogen dat zij op grond van een weging van deze toezichtsantecedenten tot het oordeel is gekomen dat de betrouwbaarheid van verzoeker niet buiten twijfel staat nu verzoeker gedragingen (die ten grondslag liggen aan de aangiften) heeft getoond die blijk geven van het niet hebben van de voor de functie van eigenaar/beleidsbepaler vereiste eigenschappen als wetsgetrouwheid, verantwoordelijkheidszin en rechtschapenheid.

Nu gelet op de belangen die de Wgt beoogd te beschermen - de integriteit van het financiële stelsel en het tegengaan van witwassen van misdaadgelden - de betrouwbaarheid van bestuurders en/of beleidsbepalers van een geldtransactiekantoor buiten twijfel dient te staan en de financiële belangen van verzoeker niet opwegen tegen het willens en wetens overtreden van de regels meent verweerster dat zij in redelijkheid ertoe kon overgaan geen inschrijving in het register te verlenen.

In het bezwaarschrift is tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verzoeker sinds 1995 geldtransacties verricht, waartoe hij over een vrijstelling beschikte ingevolge de Wtk 1992, dat hij tijdig een verzoek om inschrijving in het register van de Wgt heeft ingediend, dat hij alle verzochte gegevens en bescheiden, waaronder accountantsverklaringen, aan verweerster heeft verstrekt, dat hem nimmer is meegedeeld dat zijn handelswijze in strijd was met de wet en hij er ook op mocht vertrouwen dat zijn werkwijze voldeed aan de Wgt en aan verweersters beleid, dat verzoeker betwist dat sprake is geweest van een situatie waarin hij meldingplichtig was ingevolge de Wet MOT - zodat ten onrechte aangifte is gedaan en derhalve geen sprake is van dat toezichtsantecedent - en dat indien wel sprake is geweest van overtreding van de Wet MOT volstaan had moeten worden met een bestuurlijke boete.

Van de zijde van verzoeker is verder aangevoerd dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorziening nu hij door het bestreden besluit geheel is verstoken van inkomsten, nu ook zijn nevenactiviteiten vrijwel stilliggen, terwijl hij wel loon- en overige bedrijfskosten draagt.

Ter zitting is van de zijde van verzoeker - voor zover van belang - nog aangevoerd dat de gestelde overtredingen alle zien op geadviseerde transfers en dat verzoeker niet wist dat artikel 9 van de Wet MOT en artikel 11 van de Wgt daar mede op zien en dat geen sprake zal zijn van een daadwerkelijke bestuurlijke heroverweging van het bestreden besluit nu mr. C. Mayne die in de hoorzitting in bezwaar optrad als hoorder, tevens hier ter zitting aanwezig is om het bestreden besluit te verdedigen.

Van de zijde van verweerster is ter zitting ondermeer opgemerkt dat de overtredingen niet uitsluitend betrekking hadden op geadviseerde transfers, dat de genoemde toezichtsantecedenten worden gezien als andere feiten of omstandigheden als bedoeld in Bijlage C van de Beleidsregel en dat de omstandigheid dat Mayne voornoemd ter zitting aanwezig is om kennis te nemen van alle argumenten over en weer geenszins in de weg staat aan een zorgvuldige heroverweging in bezwaar.

2.4. Beoordeling

Nu onderhavig verzoek ertoe strekt dat verzoeker in elk geval totdat op het bezwaar zal zijn beslist bij wege van voorziening wordt toegestaan zijn bedrijfsmatige geldtransfertransacties toe te staan ziet de voorzieningenrechter aanleiding zich te buigen over de vraag welke onderdelen (1 tot en met 3) van het bestreden besluit op zelfstandig rechtsgevolg zijn gericht.

Naar haar voorlopig oordeel is het bestreden besluit slechts op rechtsgevolg gericht voorzover besloten is (1) het ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgt niet inschrijven in het register als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van de Wgt .

De mededeling (2) dat het verzoeker per die datum niet langer is toegestaan werkzaam te zijn als geldtransactiekantoor is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet op enig zelfstandig rechtsgevolg gericht nu dit rechtsgevolg tengevolge van onderdeel 1 rechtstreeks uit de wet, te weten artikel 3, eerste lid, in verbinding met artikel 48, tweede lid, van de Wgt , voortvloeit.

Met betrekking tot onderdeel (3), de intrekking van de ingevolge artikel 82, derde lid, van de Wtk 1992 verleende ontheffing per 26 december 2003, komt de voorzieningenrechter tot eenzelfde oordeel. Ingevolge het bepaalde in artikel 48, eerste lid, van de Wgt is het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Wgt niet van toepassing ten aanzien van geldtransactiekantoren die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beschikken over een ontheffing ingevolge artikel 82, derde, van de Wtk 1992 voor het uitvoeren van geldtranfertransacties. Nu door onderdeel 1 van het bestreden besluit het rechtsgevolg is ingetreden dat het verbod als besloten in artikel 3, eerste lid, van de Wgt onverkort van toepassing is geworden op verzoeker, volgt daaruit tevens dat de (tijdelijke) ontheffing uit hoofde van de Wtk 1992, ook indien de oorspronkelijke ontheffingsduur nog niet zou zijn verlopen op 26 december 2003, geacht moet worden van rechtswege te zijn komen te vervallen nu die ontheffing zag op geldtransfertransacties die thans imperatief zijn verboden. Een nader besluit hiertoe van de Minister kan dan ook niet op enig zelfstandig rechtsgevolg zijn gericht.

Nu de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk acht dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft ziet zij aanleiding in te gaan of het bestreden besluit (onderdeel 1) naar alle waarschijnlijkheid in bezwaar stand zal kunnen houden.

Met betrekking tot de weigering verzoeker in te schrijven in het openbare register van geldtransactiekantoren is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit besluit naar alle waarschijnlijkheid in bezwaar zal kunnen worden gehandhaafd. Zij overweegt hiertoe als volgt.

In het bevindingenrapport van 19 december 2003 is gemotiveerd aangegeven op welke wijze artikel 11 van de Wgt en artikel 9 van de Wet MOT door verzoeker meermaals zijn overtreden. Verzoeker heeft een en ander niet weerlegd. De voorzieningenrechter houdt het er dan ook voor dat de bevindingen in voornoemd rapport als voldoende vaststaand moeten worden aangenomen.

Verweerster heeft van die overtredingen aangifte gedaan en die aangiften als toezichtsantecedenten aangemerkt als bedoeld in Bijlage C van de Beleidsregel. De voorzieningenrechter acht dit niet onjuist nu de Bijlage C ondermeer bevat:

"Onder toezichtsantecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging(en), worden in ieder geval de volgende verstaan:

[..]

Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden aangaande betrokkene die wijzen op betrokkenheid bij één of meer gedragingen op de financiële markten, voorzover die redelijkerwijs voor de toezichthouder van belang kunnen zijn.".

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregel betrekt de toezichthouder bij zijn oordeelsvorming omtrent de vraag of de betrouwbaarheid niet meer buiten twijfel staat:

- in voorkomend geval het onderliggende verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging(en) en de overige omstandigheden van het geval;

- de belangen die de toezichtwet beoogt te beschermen, alsmede

- de overige belangen van de financiële instelling en betrokkene.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan in navolging van de jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven niet worden gezegd dat verweerster met de Beleidsregel onjuiste invulling heeft gegeven aan haar beoordelingsruimte.

Met verweerster is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze antecedenten ernstig zijn. De daaraan ten grondslag liggende gedragingen te weten overtreding van artikel 11 van de Wgt en artikel 9 van de Wet MOT zijn blijkens hetgeen hiervoor is overwogen ieder meermalen gepleegd, terwijl verzoeker op de hoogte behoorde te zijn van de betreffende wettelijke ge- en verboden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerster geen onjuiste invulling gegeven aan haar beoordelingsruimte door in haar afweging of de toezichtsantecedenten aanleiding dienen te geven tot het oordeel dat de betrouwbaarheid van verzoeker niet meer buiten twijfel staat geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoeker. De voorzieningenrechter merkt in dit verband nog op dat de doelstellingen van de Wgt daartoe te minder aanleiding geven.

Daarmee is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter tevens door verweerster voldoende gemotiveerd dat artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgt wordt toegepast. In dit verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat dit betrouwbaarheidsoordeel met zich brengt dat verweerster van oordeel is dat door het verzoek om inschrijving in te willigen de integriteit van het financiële stelsel wordt aangetast of aannemelijk is dat deze zou kunnen worden aangetast en dat verweerster voorts, gelet op de aard van de toezichtsantecedenten, een redelijk vermoeden kan hebben dat verzoeker zich schuldig maakt of zal maken aan witwassen (althans aan het faciliteren daarvan).

Aan hetgeen van de zijde van verzoeker is aangevoerd omtrent de (uiteindelijke) volledige medewerking aan het verstrekken van de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde gegevens als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wgt gaat de voorzieningenrechter voorbij nu de weigering tot inschrijving kennelijk niet is gegrond op hetgeen is bepaald in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wgt .

Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal dan ook daarlaten de stelling dat gevreesd moet worden dat geen sprake zal zijn van een inhoudelijke heroverweging.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick als voorzieningenrechter.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2004.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature