Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De voorzieningenrechter verbiedt gedaagden na betekening van dit vonnis en voor de duur van de door eisers tegen gedaagden bij de rechtbank Amsterdam aangespannen bodemprocedure, iedere openbaarmaking en verveelvoudiging van de beeld- en geluidsopnamen die op 13 januari 2004 voor het programma Breekijzer zijn gemaakt, voor zover hierop te zien zijn [eiser 5] en/of [eiser 3] en/of [eiseres 4], en overige opnames voor zover deze gemaakt zijn in het kantoorpand van AB&P, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere gehele of gedeeltelijke overtreding van dit verbod, met een maximum van € 500.000,-.

Uitspraak



Pee/MV

vonnis 26 februari 2004

RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM

VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING

VONNIS

i n d e z a a k m e t r o l n u m m e r [nummer] v a n:

1. de besloten vennootschap AB&P FINANCIEEL ADVISEURS B.V.,

gevestigd te Wezep,

2. de besloten vennootschap AB&P FINANCIEEL ADVISEURS B.V.,

gevestigd te Zeist,

3. [eiser 3], wonende te [woonplaats],

4. [eiseres 4], wonende te [woonplaats],

5. [eiser 5], wonende te [woonplaats],

e i s e r s bij gelijkluidende dagvaardingen van 5 en 6 februari 2004,

procureur mr. L.P. Broekveldt,

advocaat mr. H.J.M. Boukema te Den Haag,

t e g e n :

1. [programmamaker], wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap THE STORMS FACTORY B.V., gevestigd te Bussum,

3. de besloten vennootschap SBS BROADCASTING B.V., gevestigd te Amsterdam,

g e d a a g d e n ,

procureur mr. H.A.J.M. van Kaam.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter terechtzitting van 16 februari 2004 hebben eisers sub 1 en 2, verder ook gezamenlijk te noemen AB&P, en eisers sub 3, 4 en 5, verder ook te noemen [eisers 3, 4 & 5], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Gedaagden, verder ook te noemen [programmamaker], The Storms Factory en SBS, hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.

Na verder debat hebben partijen vonnis gevraagd, welk vonnis is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a. AB&P adviseert bij het sluiten van verzekeringsovereenkomsten, het aangaan van hypothecaire leningen en het treffen van pensioenvoorzieningen. [eiser 5] is directeur van AB&P. Ook [eiser 3] en [eiseres 4] zijn bij AB&P werkzaam. Medio 2000 heeft AB&P een aparte vennootschap opgericht, AB&P Hypotheken Zuid B.V. Bij deze laatste vennootschap is [werknemer] (hierna [werknemer]) werkzaam geweest.

b. Op 24 januari 2001 heeft [werknemer] een bezoek gebracht aan de heer en mevrouw [betrokkene] (hierna in enkelvoud [betrokkene]), wonende te [woonplaats]. Naar aanleiding van dit bezoek heeft [betrokkene] de bestaande hypotheek voor zijn woning afgelost en met bemiddeling van [werknemer] een nieuwe hypotheek afgesloten, waarbij de overwaarde van de woning benut kon worden voor het aanschaffen van aandelen en het doen van consumptieve bestedingen. De hypotheek is afgesloten bij Royal Nederland N.V.

c. [programmamaker] en zijn productiemaatschappij The Storms Factory (waarvan [programmamaker]

directeur-eigenaar is) produceren het televisieprogramma Breekijzer dat door SBS (op de zender SBS6) wordt uitgezonden. In het programma worden klachten van consumenten belicht.

d. [betrokkene] heeft zich naar aanleiding van klachten over de met bemiddeling van [werknemer] afgesloten hypotheek tot [programmamaker] gewend. [programmamaker] en [betrokkene] zijn op 10 september 2002 onaangekondigd bij AB&P te Zeist verschenen. Er heeft toen een gesprek plaatsgevonden, onder meer met [eiser 5]. Op 16 september 2002 heeft een tweede gesprek tussen [programmamaker] en [eiser 5] plaatsgevonden. Op 26 september 2002 is [programmamaker] voor een derde maal (met draaiende camera) bij het kantoor van AB&P verschenen. Ditmaal had AB&P [programmamaker] laten weten niet welkom te zijn. In het programma Breekijzer van 27 oktober 2002 is aan deze kwestie aandacht besteed. In het najaar van 2003 is deze uitzending herhaald, op 12 januari 2004 is deze uitzending voor de tweede keer herhaald.

e. Dinsdag 13 januari 2004 heeft [programmamaker] met draaiende camera het kantoor van AB&P te Wezep bezocht. [eiseres 4] heeft [programmamaker], in opdracht van [eiser 5], te kennen gegeven dat [programmamaker] niet mocht filmen en het pand moest verlaten. [programmamaker] heeft aan dit verzoek geen gevolg gegeven en hij heeft zich begeven in de richting van de directiekamer waar zich op dat moment [eiser 5] en [eiser 3] bevonden. Bij de deur van de directiekamer heeft vervolgens een schermutseling plaatsgevonden waarbij met name [eiser 3] en de cameraman van [programmamaker] waren betrokken.

f. Bij brief van 15 januari 2004 gericht aan [programmamaker] hebben AB&P en de overige eisers (die allen door [programmamaker] zijn gefilmd) bezwaar gemaakt tegen de door [programmamaker] gepleegde lokaalvredebreuk, alsmede tegen de (uitzending van de) op 13 januari 2004 gemaakte beeld- en geluidsopnamen.

g. Eisers hebben tegen gedaagden een bodemzaak aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam welke zaak op de rol van 11 februari 2004 is aangebracht. Eisers vorderen in die zaak onder meer een verklaring voor recht dat de (totstandkoming van de) te verwachten uitzending jegens hen onrechtmatig is, een verwijzing naar de schadestaatprocedure en een rectificatie dan wel rechterlijke machtiging tot rectificatie.

2. Thans vorderen eisers om gedaagden - voor de duur van de onder 1g bedoelde bodemprocedure - iedere openbaarmaking en/of verveelvoudiging van de beeld- en geluidsopnamen die voor het programma Breekijzer op 13 januari 2004 zijn gemaakt te verbieden. Daarnaast vorderen eisers - eveneens voor de duur van de onder 1g bedoelde procedure - een verbod de uitzending van Breekijzer van 27 oktober 2002 nogmaals te herhalen.

3. Ter ondersteuning van hun vorderingen voeren eisers - samengevat - het volgende aan. AB&P is een gerenommeerd bedrijf. Wél wordt erkend dat de wijze van bedrijfsvoering en adviesverlening binnen AB&P Hypotheken Zuid B.V., een afzonderlijke vennootschap, niet strookte met de bedrijfscultuur van AB&P. AB&P Hypotheken Zuid B.V. voert dan ook geen activiteiten meer uit en de daar werkzame personen (waaronder [werknemer]) zijn niet meer voor AB&P werkzaam. Voorts erkent AB&P dat het computerprogramma dat destijds door [werknemer] is gebruikt verouderd was omdat wijzigingen in de belastingwetgeving hierin niet waren verwerkt. [betrokkene] is hier echter op gewezen en in de offerte is de fout gecorrigeerd. De overwaarde van de woning van [betrokkene] is belegd in aandelen. Door ontwikkelingen op de beurs (met name na 11 september 2001) is het belegde deel in waarde verminderd. Na het afsluiten van de hypotheek hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden tussen [betrokkene] en medewerkers van AB&P. In deze gesprekken is [betrokkene] er onder meer op gewezen dat hij te veel geld consumptief besteedde. In juli 2002 is door [betrokkene] elders een nieuwe hypotheek afgesloten waardoor de relatie tussen [betrokkene] en AB&P tot een einde is gekomen. Door de dalende koersen en door de consumptieve bestedingen is [betrokkene] met een schuld blijven zitten, die in het kader van de nieuwe hypotheek is gefinancierd. Bepaalde kosten die (extra) zijn gemaakt door [betrokkene] als gevolg van het opnieuw afsluiten van een hypotheek zijn door Royal Nederland N.V. vergoed. Het gaat hier om een bedrag van € 19.791,80. Royal Nederland N.V. noch AB&P is evenwel bereid de financiële gevolgen van de daling van de aandelenkoersen te vergoeden. Dit koersverlies is berekend op

€ 11.251,43. Bij het beleggen in aandelen geldt overigens dat men een lange adem moet hebben. Had [betrokkene] 20 à 25 jaar gewacht, dan had hij naar alle waarschijnlijkheid geen verlies geleden. Omdat [betrokkene] klachten had, heeft hij zich gewend tot [programmamaker]. Op 10 en 16 september 2002 heeft [eiser 5] [programmamaker] te woord gestaan. [programmamaker] stelde zich toen sterk beschuldigend op en uitte krachtig geformuleerde verwijten zoals oplichting en gebrek aan solvabiliteit en integriteit. Voor dergelijke vergaande beschuldigingen ontbreekt in dit geval de feitelijke grondslag. Op 26 september 2002 ontving AB&P een fax dat [programmamaker] voor de derde maal zou komen. Gelet op de slechte ervaringen heeft AB&P [programmamaker] toen laten weten dat hij niet welkom was. Desalniettemin is hij met draaiende camera verschenen en de beelden die zijn gemaakt zijn ook uitgezonden in Breekijzer van 27 oktober 2002. De uitzending van 27 oktober 2002 is een inbreuk op de eer en goede naam van AB&P. De uitzending is twee keer herhaald op momenten dat zich geen rechtens relevante nieuwe feiten hebben voorgedaan, waardoor sprake is van hernieuwde inbreuk. AB&P is ook niet in de gelegenheid gesteld haar standpunt ten aanzien van de herhalingsuitzendingen te geven. Op 13 januari 2004 verscheen [programmamaker] opnieuw onaangekondigd en met draaiende camera op het kantoor van AB&P. Bij herhaling heeft [eiseres 4] [programmamaker] gezegd dat hij het pand moest verlaten. [programmamaker] heeft dit genegeerd. [programmamaker] heeft zich vooringenomen, intimiderend en sensatiebelust opgesteld. Hij heeft zichzelf toegang verschaft tot de ruimte waar administratief personeel werkzaam is, en wel tot aan de deur van het directievertrek. [programmamaker] heeft deze deur met geweld geforceerd. Er zijn vernielingen aangericht en [eiser 3], die dit probeerde te verhinderen, is hierbij gewond geraakt. Hij heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. Met zijn 'overvaljournalistiek' heeft [programmamaker] opnieuw inbreuk gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op eer en goede naam. Dit recht dient zwaarder te wegen dan het door [programmamaker] gepretendeerde journalistieke belang (ofwel zijn vrijheid van meningsuiting). Tevens heeft [programmamaker] zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk en inbreuk gepleegd op het portretrecht van [eiser 5], [eiser 3] en [eiseres 4].

4. Gedaagden hebben - samengevat - het volgende verweer gevoerd. AB&P valt een aantal verwijten te maken. Er is door AB&P een verouderd computerprogramma gebruikt. [betrokkene] betwist dat de fouten die als gevolg van dit computerprogramma zijn gemaakt nadien zijn gecorrigeerd. [betrokkene] is verder een niet realistisch rendement voorgespiegeld. Er is gezwegen over de in rekening gebrachte kosten. De schade die [betrokkene] heeft geleden is door De Hypotheker berekend op meer dan

fl. 300.000,-. Het feit dat [betrokkene] nu 12 jaar langer gebonden is aan hypothecaire verplichtingen dient immers in deze berekening te worden meegenomen. [betrokkene] heeft verder het ernstige vermoeden dat zijn handtekening is vervalst. Verder wordt aangevoerd dat de kwestie van [betrokkene] niet op zich staat. In de media (bijvoorbeeld in de televisieprogramma's Radar en Kassa) is veel aandacht geschonken aan gedupeerden van zogenaamde meerwaardehypotheken. In totaal zijn er - wat AB&P betreft - minimaal 100 gedupeerden. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat sprake is van een ernstige misstand die het optreden van [programmamaker] - met draaiende camera - rechtvaardigt. Eisers hebben nimmer bezwaar gemaakt tegen de uitzending van 27 oktober 2002 en tegen de herhaling van die uitzending, zodat zij thans geen (spoedeisend) belang hebben bij het gevorderde verbod deze uitzending (nogmaals) te herhalen. Hierbij is van belang dat eisers hun medewerking aan de eerste uitzending ook niet hebben geweigerd. [eiser 5] heeft vrijwillig meegewerkt aan de opnames en hij kan zich dus niet beroepen op het recht op zijn persoonlijke levenssfeer of op zijn portretrecht. Ook van lokaalvredebreuk (bedoeld zal zijn huisvredebreuk) kan dan geen sprake zijn. Met betrekking tot de opnames van 13 januari 2004 hebben gedaagden aangevoerd dat [programmamaker] terug is gekeerd omdat AB&P haar verantwoordelijkheden ontloopt. Bij aankomst zag [programmamaker] dat [eiser 5] in het pand aanwezig was. [programmamaker] vatte post bij de deur van de directiekamer waar [eiser 5] zich bleek te verschuilen. Na lang wachten bleek dat [eiser 5] [programmamaker] niet te woord wilde staan. Plotseling vloog de deur open en stormde [eiser 3] naar buiten. Hij richtte zich op de cameraman en vervolgens ontstond een handgemeen. Gedaagden beroepen zich op de vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM . Beide artikelen waarborgen de essenti ële rol die de media spelen in een democratische samenleving, zoals het aan de kaak stellen van misstanden. Een verbod tot uitzenden van de op 13 januari 2004 gemaakte opnames zou te ruim zijn. Er is onvoldoende concreet aangegeven welke opnames onrechtmatig zouden zijn. Nu de inhoud van de uitzending onvoldoende vaststaat kan het gevorderde verbod gezien worden als een preventieve beperking van de vrijheid van meningsuiting en het komt daarmee in strijd van artikel 7 lid 2 Grondwet .

Beoordeling van het geschil:

5. In dit geding dient op grond van alle geschetste feiten en omstandigheden - voor zover aannemelijk geworden - het belang van eisers om gevrijwaard te blijven van aantasting van eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer te worden afgewogen tegen het belang dat gedaagden hebben hun mening te uiten.

6. In dit kader wordt over de vordering om herhaling van de uitzending van Breekijzer van 27 oktober 2002 te verbieden het volgende overwogen. Dit programma is geruime tijd geleden voor het eerst uitgezonden en inmiddels twee keer herhaald. [eiser 3] en [eiseres 4] komen in deze uitzending niet voor. AB&P noch [eiser 5] persoonlijk hebben eerder bezwaren gemaakt tegen de uitzending dan wel tegen de herhaling hiervan. Uit de beelden van de uitzending - die ter terechtzitting zijn getoond - blijkt dat [eiser 5] zijn medewerking heeft verleend in die zin dat hij [programmamaker] tot twee keer toe te woord heeft gestaan. [eiser 5] is hierbij op zakelijke wijze met [programmamaker] in discussie getreden over de verwijten die AB&P werden gemaakt. Weliswaar kan gezien de door [programmamaker] gevolgde werkwijze - die zich kenmerkt door het onaangekondigd met een dwingende toon en met draaiende camera betreden van een pand - niet zonder meer worden vastgesteld of [eiser 5] geheel vrijwillig zijn medewerking heeft verleend, echter feit is dat [programmamaker] destijds de toegang tot het kantoor van AB&P niet is geweigerd en hem destijds het filmen niet is verboden (met uitzondering van de op 26 september 2002 gemaakte opnames, zie 1d). Onder de geschetste omstandigheden - en nu bovendien door [programmamaker] ter zitting is verklaard dat er geen concrete plannen bestaan de uitzending voor een derde keer te herhalen - wordt geoordeeld dat er op dit moment aan de zijde van eisers een onvoldoende (spoedeisend) belang aanwezig is om dit gedeelte van de vordering toe te wijzen.

7. Over de vordering het uitzenden van de op 13 januari 2004 gemaakte opnames te verbieden wordt - eveneens in het kader van de onder rechtsoverweging 5 bedoelde belangenafweging - het volgende geoordeeld. In dit geding is tot op zekere hoogte aannemelijk geworden dat AB&P, waar het [betrokkene] betreft, te kort is geschoten. Door AB&P is immers erkend dat een verouderd computerprogramma is gebruikt en dat de handelwijze van AB&P Hypotheken Zuid B.V. niet strookte met de bedrijfscultuur van AB&P. Bovendien kan dit blijken uit de aan [betrokkene] toegekende tegemoetkoming van € 19.791,80. [programmamaker] heeft een (journalistiek) belang hieraan aandacht te besteden, welk belang valt onder zijn uitingsvrijheid. Daar staat tegenover dat eisers een belang hebben bij het tegengaan van uitzending van de gewraakte opnames. Niet kan worden uitgesloten dat uitzending van deze opnames kan leiden tot aantasting van hun (zakelijke) reputatie. Hierbij weegt zwaar - zoals ter zitting door [eiseres 4] is verklaard - dat [programmamaker] onaangekondigd is verschenen, dat hem uitdrukkelijk de toegang tot het kantoor is geweigerd en dat het hem verboden is binnen te filmen, hetgeen door [programmamaker] in dit geding niet is weersproken. Door desalniettemin het pand niet te verlaten en opnames te maken, ontstaat al snel - zoals ook blijkt uit de verklaringen van beide partijen - een confronterende en tumultueuze situatie. Opnames die dan worden gemaakt zullen bij het grote publiek dat van de televisie-uitzending kennisneemt al snel de suggestie wekken dat sprake is van een ernstige misstand, hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter - in aanmerking nemend de reeds aangeboden tegemoetkoming - op voorhand onvoldoende door de feiten wordt onderbouwd. Verder weegt zwaar dat AB&B in 2002 al op zakelijke wijze in gesprek is gegaan met [programmamaker], haar visie heeft gegeven en zich dus destijds niet heeft onttrokken aan het publieke debat (welk debat echter niet oneindig hoeft voort te duren). [eiser 5], [eiser 3] en [eiseres 4], van wie niet is gesteld of gebleken dat zij personen zijn die regelmatig in de publiciteit treden, hebben aanspraak op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer, ook op het werk, en zij beroepen zich derhalve terecht op hun portretrecht. Bovendien hebben de gedragingen van [programmamaker] kenmerken van huisvredebreuk, waardoor AB&P ook op die grond belang heeft bij het niet uitzenden van de beelden die aldus op onrechtmatige wijze in haar kantoorpand zijn opgenomen. Na afweging van alle betrokken belangen is de conclusie dat de belangen van eisers zwaarder wegen dan die van gedaagden, zodat dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen. Aan het verweer van gedaagden dat het gevorderde verbod niet toewijsbaar is nu de inhoud van de uitzending (nog) onvoldoende vaststaat en op dit moment (dus) onvoldoende concreet is welke opnames onrechtmatig zouden zijn, wordt tegemoetgekomen in die zin dat het verbod zal worden beperkt tot die opnames waarop [eiser 5], [eiser 3] en [eiseres 4] te zien zijn, alsmede tot de opnames die in het kantoorpand van AB&P zijn gemaakt. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.

8. Gedaagden zullen als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

BESLISSING IN KORT GEDING

De voorzieningenrechter:

1. Verbiedt gedaagden na betekening van dit vonnis en voor de duur van de door eisers tegen gedaagden bij de rechtbank Amsterdam aangespannen bodemprocedure, iedere openbaarmaking en verveelvoudiging van de beeld- en geluidsopnamen die op 13 januari 2004 voor het programma Breekijzer zijn gemaakt, voor zover hierop te zien zijn [eiser 5] en/of [eiser 3] en/of [eiseres 4], en overige opnames voor zover deze gemaakt zijn in het kantoorpand van AB&P, op straffe van een dwangsom van

€ 50.000,- voor iedere gehele of gedeeltelijke overtreding van dit verbod, met een maximum van € 500.000,-.

2. Veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van eisers begroot op:

- € 211,20 aan explootkosten,

- € 241,- aan vastrecht en

- € 703,- aan salaris procureur.

1. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

2. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Gewezen door mr. J.A.J. Peeters, vice-president van de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 26 februari 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature