Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Overgangsrecht Bijdragebesluit zorg.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder de eigen bijdrage ten behoeve van het verblijf van de echtgenote van eiser in een zorginstelling terecht (met terugwerkende kracht) met ingang van 1 juli 1999 heeft verhoogd met toepassing van de regelgeving die voor 1 januari 2003 gold.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 03/1270

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

OWM Zorgverzekeraar VGZ u.a., gevestigd te Nijmegen, verweerder,

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 15 augustus 2003, met als kenmerk ZKT 14/SW/CC.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluiten van 26 maart 2003 heeft Zorgkantoor Midden IJssel met terugwerkende kracht met ingang van 1 juli 1999 de eigen bijdrage voor het verblijf in een zorginstelling van de echtgenote van eiser verhoogd. Op 3 april 2003 heeft eiser hiertegen een bezwaarschrift ingediend bij de Sociale Verzekeringsbank (afdeling AWBZ). Dit bezwaarschrift is niet doorgezonden maar ongegrond verklaard. Daarna heeft eiser op 2 juli 2003 bij Stichting IZZ een bezwaarschrift ingediend. Ten slotte heeft eiser op 21 juli 2003 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 25 september 2003 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 27 oktober 2003 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 6 januari 2004 ter zitting behandeld.

Eiser is daar verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. J.H.M. van Rijn en mw. mr. C. Coenen, beiden werkzaam bij verweerder. Daarnaast heeft verweerder zich doen vertegenwoordigen door de heer E. Roelofs, werkzaam bij Zorgkantoor Midden IJssel.

Ter zitting is de heer A. Rondhuis, werkzaam bij Zorgkantoor Midden IJssel als getuige gehoord.

Na de zitting heeft verweerder tekst en toelichting van de van toepassing zijnde regelingen aan de rechtbank toegezonden. Partijen hebben ter zitting ermee ingestemd, dat de rechtbank mede op basis van die stukken uitspraak zal doen.

3. Motivering

De rechtbank stelt voorop dat verweerder de termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar heeft geacht in verband met de onduidelijke informatie richting eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen nu uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting duidelijk blijkt dat de mondelinge toelichting van Zorgkantoor Midden IJssel naar eiser toe verwarrend en onvolledig is geweest.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder de eigen bijdrage ten behoeve van het verblijf van de echtgenote van eiser in een zorginstelling terecht (met terugwerkende kracht) met ingang van 1 juli 1999 heeft verhoogd met toepassing van de regelgeving die voor 1 januari 2003 gold. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat het hem er vooral om gaat of verweerder de bijdrage per 1 januari 2003 terecht heeft berekend volgens de oude regeling onder toepassing van overgangsrecht. Hij is niet van oordeel, dat de nieuwe regeling voor hem reeds per 1 juli 1999 zou moeten gelden.

De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vragen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft de Sociale Verzekeringsbank in januari 2003 verzocht hem en zijn echtgenote -die in een instelling verblijft- met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 1999 aan te merken als ‘duurzaam gescheiden levend’. De Sociale Verzekeringsbank heeft eiser en zijn echtgenote met ingang van 1 juli 1999 als ongehuwd aangemerkt. Op basis hiervan is de eigen bijdrage die de echtgenote van eiser verschuldigd is vanwege haar verblijf in een (AWBZ)instelling, verhoogd. Ten behoeve van de echtgenote moet over de periode 1 juli 1999 tot en met 31 maart 2003 € 26.832,63 worden nabetaald.

In artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, AWBZ is bepaald dat mede als ongehuwd wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Voornoemde bepaling is gelijk aan het bepaalde in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, AOW.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘duurzaam gescheiden leven’ moet gekeken worden naar de feitelijke situatie. Daarnaast is, bij verpleeghuisopname, de wil van beide partners van belang. Wanneer men in het kader van de AOW verzoekt als ‘duurzaam gescheiden levend’ te worden aangemerkt en dit verzoek wordt gehonoreerd, zal men in het kader van de AWBZ ook als ongehuwd moeten worden aangemerkt, hetgeen consequenties heeft voor de hoogte van de eigen bijdrage in het kader van de AWBZ.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel, dat verweerder in navolging van de SVB terecht heeft geoordeeld, dat eisers echtgenote achteraf sedert 1 juli 1999 als ongehuwd dient te worden aangemerkt. Zij dient dan ook met ingang van die datum alsnog de hogere, inkomensafhankelijke bijdrage te betalen.

Met betrekking tot de hoogte van die bijdrage wordt het volgende overwogen.

Tot 1 januari 2003 is de hoogte van de bijdrage terecht volgens het toen geldende Bijdragebesluit zorg (KB van 26 september 1996, Stb. 1996, 486) en het daarbij behorende beleid berekend. Volgens artikel 1, aanhef en onder f, van het tot 1 januari 2003 geldende Bijdragebesluit zorg dient weliswaar te worden uitgegaan van het inkomen van de verzekerde, doch daarbij pleegt dat inkomen bij gehuwden die duurzaam gescheiden leven berekend te worden op de helft van het gezamenlijke inkomen van de verzekerde en zijn echtgenoot (de zogenaamde 50/50 regeling). Deze laatste berekeningswijze is neergelegd in de Circulaire AWBZ 1/96 van de Ziekenfondsraad. De periode 1 juli 1999 tot 1 januari 2003 stuit bij eiser ook niet op bezwaren. Hij was over de oude regeling en de 50/50-verdeling goed voorgelicht en heeft daarvoor gekozen.

Met ingang van 1 januari 2003 is het Bijdragebesluit zorg gewijzigd (Stcrt. 2002, 223). In het gewijzigde Bijdragebesluit zorg is de wijze van berekening van het inkomen ten behoeve van de berekening van de eigen bijdrage AWBZ veranderd. Met ingang van 1 januari 2003 wordt bij de berekening van het inkomen uitgegaan van het verzamelinkomen van de betrokkene als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 (artikel 1, aanhef en onder f, sub 1 van het Bijdragebesluit zorg).

Voor eiser en zijn echtgenote is deze nieuwe regeling voordeliger, omdat eisers pensioen dan niet meer voor de helft aan zijn echtgenote wordt toegerekend en de bijdrage daardoor lager wordt. Eiser wil dan ook, dat met ingang van 1 januari 2003 de nieuwe regeling wordt toegepast.

Volgens verweerder staat hieraan echter het overgangsrecht in de weg.

Op grond van het in artikel 24 van het gewijzigde Bijdragebesluit zorg opgenomen overgangsrecht geldt voor de verzekerde die op 31 december 2002 in een instelling verblijft en een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is, tot 1 januari 2007 (..), de bijdrage de op 31 december 2002 verschuldigd was, met dien verstande dat het verschuldigde bedrag met ingang van 1 januari 2003 jaarlijks wordt gewijzigd met toepassing van het indexpercentage als bedoeld in artikel 1, onderdeel h.

In de Toelichting bij het wijzigingsbesluit Bijdragebesluit zorg per 1 januari 2003 staat hierover:

“De overgang van het oude naar het nieuwe systeem kan leiden tot inkomenseffecten. Om de overgang voor de verzekerden die op 31 december 2002 in een instelling verblijven en al de hoge of lage bijdrage verschuldigd zijn, soepel te laten verlopen, heb ik besloten deze verzekerden in beginsel pas na vier jaar onder het nieuwe systeem te brengen. In de tussentijd zal de bestaande eigen bijdrage door middel van indexering worden aangepast.

De bijdrage voor deze verzekerde wordt op 1 januari 2003 verhoogd met het percentage waarmee onder andere de uitkeringen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) in 2002 zijn verhoogd. De stijging van de bijdrage loopt daardoor synchroon met de stijging van het inkomen. Dit heeft tevens als voordeel dat de zorgkantoren zich beter kunnen voorbereiden op het nieuwe systeem. Een nieuw inkomensonderzoek via het opvragen van gegevens voor ruim 200.000 bijdrageplichtigen kan hierdoor achterwege blijven. Alleen voor verzekerden die na 1 januari 2003 bijdrageplichtig zijn geworden, zal via het opvragen van belastinggegevens een bijdrage moeten worden vastgesteld. Voor deze verzekerden geldt daarna ook een jaarlijkse indexering.”

Verweerder heeft bovengenoemd overgangsrecht toegepast hetgeen inhoudt dat eiser, die weliswaar na 1 januari 2003 ‘duurzaam gescheiden leven’ heeft aangevraagd, vanwege de omstandigheid dat hij dit met terugwerkende kracht heeft gedaan, ook na 1 januari 2003 nog enkele jaren onder de voor hem ongunstiger regeling van voor 1 januari 2003 blijft vallen.

De rechtbank overweegt dat eiser na 1 januari 2003, dus onder het nieuwe recht, een aanvraag heeft gedaan hem en zijn partner, weliswaar met terugwerkende kracht, aan te merken als duurzaam gescheiden levend. Vraag is, of hij via de nabetaling over een voorbije periode onder het overgangsrecht komt te vallen.

De rechtbank is van oordeel dat overgangsrecht per definitie uitzonderingsrecht is en daarom beperkt moet worden uitgelegd. Uit de tekst van artikel 24 van het (gewijzigde) Bijdragebesluit zorg blijkt niet expliciet dat dit ook ziet op de situatie waarin iemand na 1 januari 2003 met terugwerkende kracht (met een ingangsdatum van vóór 1 januari 2003) alsnog een hoge bijdrage verschuldigd wordt. Daarnaast is geen sprake van een situatie waarvoor, blijkens de hierboven geciteerde toelichting, het overgangsrecht is gecreëerd. De bijdrage van eisers echtgenote verandert immers niet door de overgang van het oude naar het nieuwe systeem, welke overgang soepel zou moeten verlopen om drastische inkomenseffecten voor haar te vermijden. In casu is zowel voor de zorgverzekeraar als voor de verzekerde in de loop van 2003 sprake van een niet te vermijden plotselinge aanzienlijke verhoging van de bijdrage ten gevolge van de wijziging gehuwd in ongehuwd. Daarnaast heeft voor deze vaststelling van de hoge bijdrage AWBZ voor het verblijf van de echtgenote van eiser in een AWBZ-instelling toch nieuw inkomensonderzoek moeten plaatsvinden zodat ook dit voordeel van de overgangsbepaling niet geldt in het onderhavige geval.

Nu uit de tekst van de overgangsbepaling niet expliciet blijkt dat het overgangsrecht op eisers situatie moet worden toegepast en de in de toelichting genoemde situaties waarvoor het overgangsrecht in het leven is geroepen, niet aan de orde zijn, oordeelt de rechtbank dat de overgangsbepaling van artikel 24 van het (gewijzigde) Bijdragebesluit zorg niet op het onderhavige geval van toepassing is.

Verweerder heeft derhalve ten onrechte de bijdrage die eisers echtgenote met ingang van 1 januari 2003 verschuldigd is, vastgesteld door middel van de indexering van de voor de echtgenote van eiser aan de hand van de 50/50 regeling berekende, eigen bijdrage AWBZ over 2002.

Het beroep is derhalve gegrond. Verweerder zal na herberekening van de bijdrage met ingang van 1 januari 2003 opnieuw op het bezwaar moeten besluiten met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Wel dient het griffierecht te worden vergoed.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verstaat dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 31,00 vergoedt.

Gewezen door mw. mr. L.E.C. Rijckevorsel-Besier en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2004 in tegenwoordigheid van mw. Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature