< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Is het verzoek van betrokkene om in aanmerking te komen voor een verlengde wachtgelduitkering als bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst terecht afgewezen ?

Uitspraak



02/2963 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 april 2002, nr. AWB 01/619 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft desgevraagd een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 januari 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Weekers, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M.B. Maes, advocaat te 's-Hertogenbosch.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij brief van 28 november 1999 heeft appellante, die toen in verband met ontslag een wachtgeld genoot, gedaagde verzocht haar in aanmerking te brengen voor een verlengde wachtgelduitkering als bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Deze bepaling luidt voorzover hier van belang:

"In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten tijde van het ontslag een diensttijd, voorzover geldig voor pensioen, van ten minste 10 jaar heeft volbracht, wordt indien de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging verleend."

1.2. Bij besluit van 15 september 2000 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen, omdat appellante niet voldoet aan het vereiste dat de som van haar leeftijd en diensttijd, voorzover geldig voor pensioen, ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt. Deze som bedraagt volgens gedaagde 58 jaar en zeven maanden. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 30 januari 2001.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat appellante eerst met ingang van 1 augustus 1975 een arbeidsover-eenkomst heeft gesloten met gedaagdes gemeente. Weliswaar verrichtte zij ook daarvoor al als docente jazzballet werkzaamheden voor die gemeente, maar deze werkzaamheden vonden niet plaats op grond van een arbeidsovereenkomst en de tijd dat zij die werk-zaamheden verrichtte kon volgens de rechtbank niet meetellen als diensttijd geldig voor pensioen.

3. Appellante bestrijdt deze overweging in de aangevallen uitspraak. Daartoe stelt zij dat zij al per 1 maart 1974 dan wel 1 augustus 1974 een arbeidsovereenkomst met de gemeente had en dus meer voor pensioen geldige diensttijd heeft opgebouwd dan waarvan gedaagde uitgaat. Weliswaar staat die overeenkomst niet op papier maar zij voldoet aan de vereisten die voor een dergelijke overeenkomst gelden. Indien deze tijd wordt meegerekend, voldoet zij aan artikel 10:8, vierde lid, van de CAR /UWO.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Op verzoek van de Raad is namens appellante een door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) geproduceerd overzicht ingezonden van appellantes totale voor pensioen geldige diensttijd die bij het ABP is geregistreerd. De daarop vermelde zogenoemde pensioenjaren vangen aan op 1 augustus 1975, zijnde klaarblijkelijk de in het bedoelde schriftelijke arbeidscontract opgenomen datum van aanvang van de arbeidsovereenkomst van appellante met de gemeente. Desgevraagd heeft appellante meegedeeld dat zij geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de haar in 1996 door het ABP verstrekte schriftelijke opgave als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet privatisering ABP , welke opgave het uit hoofde van de dienstbetrekking opgebouwde uitzicht op pensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet bevat. De Raad gaat dan ook uit van de juistheid van de in het geding gebrachte opgave, die blijkens het verhandelde ter zitting overeenstemt met die welke destijds op grond van de juist genoemde wettelijke bepaling is verstrekt.

4.2. Appellante heeft voorts een schriftelijk arbeidscontract overgelegd. Volgens artikel 4 daarvan wordt de arbeidsovereenkomst geacht te zijn aangegaan met ingang van 1 augustus 1975. Over de periode vóór de laatstgenoemde datum, heeft appellante geen stukken kunnen overleggen waarin haar stelling voldoende bevestiging vindt dat zij reeds vanaf 1 maart 1974 dan wel 1 augustus 1974 een arbeidsovereenkomst met de gemeente had. Dat appellante naar haar zeggen vanaf augustus 1974 in een bepaald rooster en onder begeleiding van een hoofddocent les gaf in jazzballet is in het licht van de overige gegevens onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de desbetreffende activiteiten slechts op basis van een arbeidsovereenkomst konden zijn ontplooid.

4.3. Gelet op het in 4.1. en 4.2. overwogene moet het er naar het oordeel van de Raad voor worden gehouden dat appellante geen voor pensioen geldige diensttijd heeft opgebouwd vóór 1 augustus 1975. De rechtbank heeft het bestreden besluit dan ook terecht in stand gelaten.

5. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2004.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M. Pijper.

HD

26.01


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature