Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 15 februari 2000 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister) appellant op grond van de Opkoopregeling varkensrechten (hierna: de Opkoopregeling) subsidie verleend ten bedrage van ƒ 934.500,00/€ 424.057,61. Bij besluit van 16 augustus 2000 heeft de minister het bedrag van de subsidie vastgesteld overeenkomstig de subsidieverlening.

Uitspraak



200206857/1.

Datum uitspraak: 1 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 8 november 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2000 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister) appellant op grond van de Opkoopregeling varkensrechten (hierna: de Opkoopregeling) subsidie verleend ten bedrage van ƒ 934.500,00/€ 424.057,61. Bij besluit van 16 augustus 2000 heeft de minister het bedrag van de subsidie vastgesteld overeenkomstig de subsidieverlening.

Bij besluit van 3 april 2002 heeft de minister de door appellant tegen beide besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2002, verzonden op 12 november 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 februari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 maart 2003 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.Th.B. Brockötter, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies kan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij subsidies verstrekken met betrekking tot activiteiten welke passen in het beleid inzake de in dit artikel vermelde beleidsterreinen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van deze wet, voor zover hier van belang, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt, nader worden bepaald alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Opkoopregeling, een ministeri ële regeling als bedoeld in artikel 4 van de wet, kan de minister aan een bedrijf subsidie verlenen ter zake van de beëindiging op dat bedrijf van de varkenshouderij. Ingevolge het tweede lid wordt onder beëindiging van de varkenshouderij verstaan de in artikel 30 van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: de Whv) bedoelde registratie door het Bureau Heffingen van de kennisgeving van het vervallen van het varkensrecht van het bedrijf.

Ingevolge artikel 3 van de Opkoopregeling, voor zover thans van belang, bedraagt de subsidie de som van 100% van het grondgebonden deel van het varkensrecht en 75% van het niet-grondgebonden deel van het varkensrecht, beide vermenigvuldigd met de representatieve marktwaarde per varkenseenheid.

Ingevolge artikel 1 van de Opkoopregeling wordt in deze regeling onder varkensrecht verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Whv.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van de Whv wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder varkensrecht: gemiddeld aantal varkens dat gedurende een jaar op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde ten hoogste op een bedrijf mag worden gehouden, uitgezonderd het aantal varkens dat ingevolge artikel 32 mag worden gehouden.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Whv komt, bij gebreke van enige opgave als bedoeld in de artikelen 6, vierde lid, en 7, tweede lid, het varkensrecht van het bedrijf overeen met 90 % van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door het door de belanghebbende daartoe bij wijze van melding aangegeven deel van het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996 te delen door 7,4 kilogram fosfaat en op de uitkomst 18% in mindering te brengen.

2.2. De minister heeft bij het verlenen van de subsidie het varkensrecht in aanmerking genomen zoals dit voor het bedrijf van appellant bij het Bureau Heffingen is geregistreerd. Appellant is van mening dat bij de registratie van het varkensrecht ten onrechte met toepassing van artikel 8 van de Whv een korting met 18 % op het aantal varkenseenheden heeft plaatsgevonden. Daardoor is, aldus appellant, op grond van de Opkoopregeling een te lage subsidie verleend en vastgesteld.

2.3. Blijkens de memorie van toelichting bij de Whv (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25746, nr. 3, bladzijden 15 en 22) heeft de wetgever bij de Whv gekozen voor een benadering waarbij de registratie bij het Bureau Heffingen bepalend is voor de hoogte van de daar geregistreerde rechten.

2.4. De bij 2.3 vermelde keuze van de wetgever heeft ook haar neerslag gevonden in op de Kaderwet LNV-subsidies gebaseerde regelgeving. De Afdeling wijst in dit verband op de Regeling beëindiging veehouderijtakken waar in artikel 2 is bepaald dat voor de toepassing van die regeling de in dit artikel genoemde rechten, waaronder het varkensrecht, in aanmerking worden genomen zoals deze voor het desbetreffende bedrijf op het tijdstip van de aanvraag tot subsidieverlening door het Bureau Heffingen zijn geregistreerd, alsook op de Beëindigingsregeling varkensbedrijven in de EHS (artikel 2 in samenhang met artikel 6, eerste lid, bij b 1 °, van die regeling ). Op grond van het vorenstaande moet het ervoor worden gehouden dat het de kennelijke bedoeling van de wetgever is geweest ook bij de Opkoopregeling de registratie bij het Bureau Heffingen bepalend te achten voor de hoogte van het daar geregistreerde varkensrecht. Bij toepassing van artikel 3 van de Opkoopregeling dient dan ook te worden uitgegaan van de hoogte van het bij het Bureau Heffingen geregistreerde varkensrecht. Dit is slechts anders in geval van een evidente fout in die registratie. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. H. Bekker en mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003

66-55.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature