< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Uitspraak



200204929/1.

Datum uitspraak: 14 mei 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft verweerder krachtens artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer , in samenhang met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) en voorschrift 4.1.4 van de bijlage van het Besluit, een nadere eis gesteld met betrekking tot de activiteiten in de inrichting van appellant op het perceel [locatie]. Dit besluit is op 16 augustus 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 21 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door ing . M.D.N. Deenik en ing. H.A.M.J. van der Sterren, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [partij], derde belanghebbende.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer - voorzover hier van belang – kunnen bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen regels worden gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan - voorzover hier van belang – bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 de verplichting worden opgelegd te voldoen aan nadere eisen met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kan het bevoegd gezag – voorzover hier van belang – nadere eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid voorzover dat in hoofdstuk 4 van de bijlage is aangegeven.

2.2. In voorschrift 4.1.4 van de bijlage van het Besluit is – voorzover hier van belang – bepaald dat het bevoegd gezag een nadere eis kan stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en gedragsregels die in acht moeten worden genomen, teneinde te bereiken dat aan paragraaf 1.1 wordt voldaan.

In paragraaf 1.1 van de bijlage van het Besluit is in voorschrift 1.1.1, aanhef en onder a, bepaald dat – voorzover hier van belang – voor het piekniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten geldt dat de niveaus op de in tabel I genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer mogen bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden.

In voorschrift 1.1.1, aanhef en onder b, van de bijlage van het Besluit is – voorzover hier van belang – bepaald dat de in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur geldende piekniveaus (LAmax) niet van toepassing zijn op het laden en lossen.

2.3. De bij het bestreden besluit gestelde nadere eis luidt als volgt.

“Vanaf 1 september 2002 is het niet toegestaan om binnen de inrichting gemotoriseerde machines niet zijnde bestelwagens in werking te hebben tussen 19.00 uur en 07.00 uur:

- in het bedrijfspand indien ramen en deuren niet zijn gesloten,

- op het buitenterrein van de inrichting.”

2.4. Appellant kan zich niet verenigen met de nadere eis. Hij betwijfelt of de geluidgrenswaarden van voorschrift 1.1.1, voornoemd, worden overtreden als gevolg van het laden en lossen. Voorts acht appellant de nadere eis onnodig bezwarend met het oog op de bedrijfsvoering, met name omdat het verbieden van laden en lossen voor 07.00 uur er toe leidt dat de plaats van bestemming niet tijdig zal kunnen worden bereikt.

2.4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de nadere eis noodzakelijk is om te voorkomen dat de in voorschrift 1.1.1 van de bijlage van het Besluit neergelegde grenswaarden voor het piekgeluidniveau worden overschreden. Volgens hem worden deze waarden overschreden gedurende de avond- en nachtperiode als gevolg van het laden en lossen van machines op en van aanhangers op het buitenterrein van de inrichting. Ten slotte is verweerder van mening dat de gestelde nadere eis niet onnodig bezwarend is en dat de bedrijfsvoering daardoor niet onmogelijk wordt gemaakt dan wel ernstig wordt belemmerd.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat blijkens de stukken het bronvermogen van de in de onderhavige inrichting gebruikte machines varieert van 100 dB(A) tot 110 dB(A). Hetgeen verweerder in het verweerschrift heeft gesteld, te weten dat teneinde aan de in voornoemd voorschrift 1.1.1 genoemde piekgeluidgrenswaarden te kunnen voldoen, het bronniveau van de machines op het terrein van de inrichting in de avondperiode maximaal 100 dB(A) mag bedragen en in de nachtperiode maximaal 95 dB(A), terwijl bij het laden en lossen van de machines piekniveaus voorkomen van ruim 100 dB(A), komt de Afdeling niet onaannemelijk voor. Gelet hierop is de Afdeling er voldoende van overtuigd dat het laden en lossen van machines buiten het gebouw van de inrichting leidt tot overschrijding van de in voornoemd voorschrift 1.1.1 opgenomen geluidgrenswaarden voor piekniveaus gedurende de avond- en de nachtperiode. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bij het bestreden besluit gestelde nadere eis nodig is teneinde te bereiken dat aan de in voorschrift 1.1.1 opgenomen waarden voor het piekgeluidniveau wordt voldaan.

Het betoog van appellant dat de gestelde nadere eis onnodig bezwarend is voor zijn bedrijfsvoering, brengt de Afdeling niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelijk verweerder heeft aangegeven, het in het kader van de bedrijfsvoering noodzakelijke laden en lossen van machines in de dagperiode mag blijven plaatsvinden op het terrein, buiten het gebouw van de inrichting. Tevens laat de nadere eis onverlet dat machines mogen worden geladen en gelost gedurende de avond- en nachtperiode binnen het gebouw van de inrichting. Voorts brengt de nadere eis niet met zich dat bestelwagens niet in werking mogen zijn gedurende de avond- en nachtperiode.

2.5. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2003

179-335.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature