< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Uitspraak



01/2675 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 maart 1998 heeft appellant naar aanleiding van een herbeoordeling in verband met een wijziging van de hoogte van gedaagdes inkomsten uit arbeid beslist dat haar uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ook vanaf 22 december 1997 niet worden uitbetaald.

Bij besluit van 26 februari 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 16 maart 1998 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 april 2001 heeft de rechtbank Amsterdam het door gedaagde tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, een en ander met bijkomende beslissingen inzake de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op bij aanvullend beroepschrift d.d. 16 augustus 2001 aangevoerde gronden.

Mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer, heeft op 18 september 2001 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 januari 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P. Nicolaï, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Deuzen, voornoemd.

II. MOTIVERING

De Raad merkt vooraf op dat hij uit een oogpunt van leesbaarheid van de uitspraak niet afzonderlijk aandacht zal besteden aan de AAW-uitkering, die niet tot uitbetaling kwam omdat de WAO-uitkering hoger was.

Gedaagde was werkzaam als schoonmaakster gedurende 16 uur per week. Zij heeft een herseninfarct gehad. Zij is halfzijdig verlamd en heeft een gehoorstoornis. Terzake van de hierdoor veroorzaakte arbeidsongeschiktheid is aan haar met ingang van 12 januari 1990 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In 1991 heeft zij het diploma machineschrijven A en het diploma tekstverwerken behaald. Deze nieuw verworven bekwaamheden heeft zij in de praktijk gebracht door met ingang van 1 januari 1992 als tekstverwerkster te gaan werken in WSW-verband voor 21,38 uur per week. Haar inkomsten uit de WSW-arbeid werden gekort op haar uitkering onder toepassing van artikel 45 van de WAO . Op 24 november 1994 heeft zij zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld.

Na het bereiken van de maximale uitkeringsduur van de Ziektewet is haar WAO-uitkering met ingang van 16 december 1995 ongekort uitbetaald. Daarbij is tevens haar WAO-dagloon met toepassing van artikel 40 van de WAO verhoogd van f 51,06 (het bedrag dat was afgeleid van haar loon als schoonmaakster) naar f 72,97 (het bedrag dat is afgeleid van haar loon als tekstverwerkster in WSW-verband).

Gedaagde heeft haar werk als tekstverwerkster op 5 maart 1996 hervat voor 22,5 uur per week. Met ingang van deze datum is de haar uit te betalen uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO op nihil gesteld. Op 22 december 1996 meldde gedaagde zich weer ziek. Zij hervatte op 11 augustus 1997 voor 15 uur per week, hetgeen naar medisch oordeel als het maximaal haalbare werd gezien. Met ingang van 22 december 1997 is de omvang van haar WSW-dienstbetrekking gewijzigd in 15 uur per week. Vergelijking van het door gedaagde in 15 uur per week verdiende loon met haar maatmaninkomen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, zodat de uitbetaling van haar uitkering bij het besluit van 16 maart 1998 per 22 december 1997 ongewijzigd op nihil is vastgesteld.

Gedaagde is van mening dat op grond van haar nieuw verworven bekwaamheden bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen maatmaninkomen moet worden uitgegaan van de tekstverwerkster in WSW-verband, in welk geval haar WAO-uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO nog gedeeltelijk tot uitbetaling zou komen.

Appellant erkent dat sprake is van verkregen nieuwe bekwaamheden als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de WAO , doch meent dat een maatmanwisseling niet aan de orde kan zijn, omdat de nieuwe bekwaamheden zijn benut in WSW-verband. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat sprake is van een werkhervatting in niet reguliere arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO . De daaruit genoten inkomsten dienen te worden gekort onder toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO . Ingevolge artikel 44, derde lid, van de WAO is aan het korten van inkomsten uit WSW-arbeid geen maximale termijn verbonden. Inkomsten uit WSW-werk worden blijvend geanticumuleerd. Een uitzondering geldt alleen voor personen die voor hun uitval op basis van WSW-werk verzekerd waren, de zogenaamde beroeps-WSW-ers. Met andere woorden, er kan niet op WSW-arbeid worden geschat zolang de maatgevende arbeid reguliere arbeid betreft.

De rechtbank heeft overwogen dat noch artikel 21, derde lid, van de WAO , noch enig artikel uit de WSW een aanknopingspunt biedt voor appellants standpunt dat een maatmanwisseling van reguliere arbeid naar WSW-arbeid is uitgesloten.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Ook de Raad vermag niet in te zien dat de tekst of de strekking van de WAO zich er ten principale tegen verzet om in een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene op basis van verkregen nieuwe bekwaamheden in combinatie met een urenuitbreiding met WSW-arbeid een hoger inkomen heeft gegenereerd dan in de oorspronkelijke maatmanfunctie in het vrije bedrijf, een maatmanwisseling aan te nemen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door gedaagde in hoger beroep gemaakte proceskosten, en wel tot een bedrag van € 644,- ter zake van verleende rechtsbijstand en een bedrag van € 11,34 ter zake van reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting.

Nu het hoger beroep geen doel treft, dient van het Uwv een griffierecht van € 348,- te worden geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de door gedaagde in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag groot € 655,34 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 348,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature