< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Evenredige verlaging van het WW-dagloon van een werkloze seizoenarbeider levert geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel, aangezien de na afloop van het seizoen intredende werkloosheid inherent is aan de aard van seizoenarbeid.

Uitspraak



01/1328 WW

01/1385 WW

01/1386 WW

01/1387 WW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde 1], wonende te [woonplaats 1], gedaagde 1;

De erven van [overledene], wonende te [plaatsnaam], gedaagde 2;

[gedaagde 3], wonende te [woonplaats 2], gedaagde 3 en

[gedaagde 4], wonende te [woonplaats 3], gedaagde 4.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 9 april 1999 heeft appellant het bezwaar van gedaagde 1 tegen het primaire besluit van 16 november 1998, waarbij aan gedaagde 1 met ingang van 26 oktober 1998 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) is toegekend, voor zover het de toepassing van artikel 12 van de Dagloonregels Invoeringswet Stelselherziening Sociale Zekerheid (IWS) betreft, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 4 mei 1999 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van wijlen [overledene] tegen het primaire besluit van 7 december 1998, waarbij aan hem met ingang van 30 november 1998 een uitkering ingevolge de WW is toegekend, berekend naar een dagloon van f. 92,59.

Bij besluit van 4 mei 1999 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde 3 tegen het primaire besluit van 21 oktober 1998, waarbij aan gedaagde 3 met ingang van 1 oktober 1998 een uitkering ingevolge de WW is toegekend, berekend naar een dagloon van f. 92,45.

Bij besluit van 4 mei 1999 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde 4 tegen het primaire besluit van 21 oktober 1998, waarbij aan gedaagde 4 met ingang van 1 oktober 1998 een uitkering ingevolge de WW is toegekend, berekend naar een dagloon van f. 87,53.

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 19 januari 2001 de tegen voornoemde besluiten door gedaagde 1, wijlen [overledene], gedaagde 3 en gedaagde 4 (gedaagden) ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, bepaald dat appellant met inachtneming van hetgeen in de uitspraak overwogen opnieuw op de bezwaren van gedaagden dient te beslissen, appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagden en bepaald dat appellant aan gedaagden de betaalde griffierechten dient te vergoeden.

Appellant is op bij aanvullend beroepschriften van 4 juli 2001 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagden heeft mr. R. Boerma-Wubs, werkzaam bij de stichting BAN Personeeldiensten te Assen, bij schrijven van 12 oktober 2001 van verweer gediend.

De gedingen zijn gevoegd met de zaken 00/291 WW, 00/5633 WW, 00/5635 WW, 00/6103 WW, 01/5808 WW, 01/5809 WW, 01/5810 WW en 01/5811 WW behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 januari 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.M. de Boer-Veerman, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde 1, gedaagde 3 en gedaagde 4 in persoon zijn verschenen en voor gedaagde 2 is verschenen mevrouw H. Buurman, bijgestaan door mr. R. Boerma-Wubs, voornoemd.

Na de behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de onderhavige gedingen wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. MOTIVERING

Gedaagden zijn sinds de jaren '90 als seizoenarbeider werkzaam in de groenvoorziening. In de perioden buiten het seizoen hebben zij (vrijwel) niet gewerkt en een uitkering ingevolge de WW ontvangen. Sinds 1997 verrichten zij de werkzaamheden in de groenvoorziening via de stichting [naam stichting]. Na afloop van de seizoenwerkzaamheden in het jaar 1998 hebben zij wederom een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Aan gedaagden is deze uitkering toegekend. Aangezien zij door appellant als seizoenarbeiders worden aangemerkt, is middels toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Dagloonregelen IWS, een verlaagd dagloon vastgesteld. Bij gedaagde 1, wijlen [overledene] en gedaagde 4 heeft bij eerdere toekenningen van een WW-uitkering reeds evenredige vermindering van het dagloon door toepassing van dit artikel plaatsgevonden. Appellant heeft gedaagde 3 bij de toekenning van de uitkering in het jaar 1997 voor de toepassing van dit artikel bij een volgende toekenning van een WW-uitkering gewaarschuwd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat appellant in de onderhavige gevallen ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het seizoenarbeidartikel. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen rechtvaardiging meer voor de inbreuk die artikel 12 van de Dagloonregels IWS volgens de rechtbank maakt op het in artikel 34, tweede lid, van de IWS neergelegde dervingsbeginsel. De rechtbank leidt dit oordeel af uit de discussie tussen de voormalige Sociale Verzekeringsraad (SVr) en de voormalige bedrijfsverenigingen over de afschaffing van het seizoenarbeidartikel voor de WW , de Ziektewet (ZW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank wijst er op dat in deze discussie naar voren werd gebracht dat niet alleen in afnemende mate sprake was van typische seizoenarbeiders, maar dat ook geen sprake meer was van naar verhouding hogere beloning van seizoenarbeiders. Na goedkeuring door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de Minister) zijn de overeenkomstige dagloonbepalingen voor de ZW en de WAO afgeschaft. De afschaffing van het seizoenarbeidartikel voor de WW werd uitgesteld, daar enkele van de voormalige bedrijfsverenigingen bezwaren hadden geuit tegen het laten vervallen van deze bepaling. Nu naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat er geen rechtvaardiging meer bestaat voor de inbreuk, die artikel 12 van Dagloonregels IWS maakt op het dervingsbeginsel, is appellant volgens de rechtbank als regelgever zijn regelgevende bevoegdheid te buiten gegaan door artikel 12 van de Dagloonregels IWS te laten voortbestaan.

Ten aanzien van werknemers, zoals gedaagden, hadden alle uitvoeringsinstellingen naar het oordeel van de rechtbank geen toepassing behoren te geven aan dit artikel.

Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat de SVr er eind jaren '80 bewust voor heeft gekozen om laatstgenoemd artikel te handhaven. Reden hiervoor was mede dat men de consequenties van twee uitspraken van de Raad met betrekking tot artikel 10 van de Dagloonregels IWS, welk artikel bij het schrappen van artikel 12 van de Dagloonregels IWS op de vaststelling van het dagloon van seizoenarbeiders van toepassing zou worden, niet kon overzien. De overeenkomstige dagloonbepalingen voor de ZW en de WAO konden wel worden afgeschaft, daar voor die wetten het dagloon van de werknemer, die uit eigen verkiezing placht afwisselend wel en niet werkzaam te zijn, evenredig kan worden verlaagd met toepassing van artikel 8, eerste lid, sub d, Dagloonregels ZW c.q. artikel 14, eerste lid, sub b, Dagloonregels WAO. Door middel van toepassing van deze artikelen kan ongeveer hetzelfde resultaat als bij toepassing van artikel 12 van de Dagloonregels IWS worden behaald. Met artikel 10 van de Dagloonregels IWS kan dit resultaat naar het oordeel van appellant niet worden behaald en dat is volgens appellant niet gewenst.

Nu deze bepaling imperatief is geformuleerd, stelt appellant zich op het standpunt niet bevoegd te zijn om aan deze bepaling geen toepassing te geven.

Appellant heeft daarbij aangevoerd dat op grond van het bepaalde in artikel 64 van de Invoeringswet Organisatiewet Sociale verzekeringen 1997 (Invoeringswet OSV 1997) de op grond van artikel 34, derde lid, IWS getroffen dagloonregels, met ingang van 1 maart 1997 gelden als regels gesteld door de Minister. Derhalve is appellant van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat (de rechtsvoorganger van) appellant door het laten voortbestaan van artikel 12 van de Dagloonregels IWS als regelgever zijn regelgevende bevoegdheid te buiten is gegaan.

Tevens ziet appellant in de omstandigheid dat de voormalige Bedrijfsvereniging voor het Agrarisch Bedrijf had besloten om (contra-legem) geen toepassing te geven aan artikel 12 van de Dagloonregelen IWS geen aanleiding om eveneens buitenwettelijk beleid te gaan voeren.

Appellant heeft zich onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad voorts op het standpunt gesteld dat het slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk is om een dagloonbepaling buiten toepassing te laten. Dit is volgens appellant mogelijk in de situatie dat toepassing van zo'n bepaling leidt tot een resultaat dat volstrekt niet overeenstemt met het in de wet neergelegde dervingsbeginsel. Een andere situatie is volgens appellant die, waarin onverkorte toepassing van de dagloonregels leidt tot een door de regelgever ken-nelijk niet beoogd en volstrekt onaanvaardbaar resultaat.

Naar het oordeel van appellant doen zich deze situaties in de onderhavige gevallen niet voor. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat gedaagden al jaren uitsluitend in het seizoen werkten en typische seizoenarbeiders zijn. Het feit dat een seizoenarbeider vaak een loon ontvangt dat niet hoger is dan hun collega's in vaste dienst vormt volgens appellant op zich geen reden om artikel 12, tweede lid, van de Dagloonregels IWS buiten toepassing te laten. Anders dan vaste werknemers doen seizoenarbeiders ieder jaar na afloop van het seizoen een beroep op de WW. Als de seizoenarbeider in de periode tussen de seizoenen vrijwel niet werkt en zich gedurende deze perioden ook vrij beperkt opstelt op de arbeidsmarkt, rechtvaardigt dit volgens appellant een dagloonberekening die afwijkt van de normale berekening, waarbij wordt uitgegaan van de gemiddelde verdiensten over de 52 weken voorafgaand aan het intreden van de seizoenwerkloosheid. Appellant heeft nog opgemerkt dat in de regel artikel 12 van de Dagloonregelen IWS eerst wordt toegepast nadat voor de 3e achtereenvolgende maal (vrijwel) uitsluitend in het seizoen is gewerkt en de seizoenarbeider voor de evenredige vermindering van het dagloon is gewaarschuwd.

Ten slotte heeft appellant nog opgemerkt dat een werknemer, die in de tussen de seizoenen gelegen perioden ander werk verricht, een hoger dagloon ontvangt dan een werknemer die uitsluitend in het seizoen werkt.

Gedaagden zijn zich in hoger beroep op het standpunt blijven stellen dat zij sinds zij werkzaam zijn bij de stichting Personeelsdiensten BAN niet als seizoenarbeider maar als uitzendkracht dienen te worden aangemerkt.

Voorts zijn gedaagden van oordeel dat de toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Dagloonregels IWS strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur oplevert.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat gedaagden zijn aan te merken als typische seizoenarbeiders. Naar het oordeel van de Raad doet de omstandigheid dat zij de seizoenwerkzaamheden in de groenvoorziening sinds 1997 via de stichting Personeelsdiensten BAN zijn gaan verrichten daaraan niet af. Blijkens de gedingstukken en het verhandelende ter zitting hebben gedaagden in de perioden tussen de seizoenen immers (vrijwel) geen werkzaamheden verricht en hebben zij een WW-uitkering ontvangen. Ook is gebleken dat gedaagden onvoldoende aantoonbare sollicitatieactiviteiten hebben verricht om buiten het seizoen werkzaam te zijn.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Dagloonregels IWS, dient bij het dagloon van de seizoenarbeider rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat niet gedurende het gehele jaar verzekeringsplichtige arbeid is verricht.

De Raad stelt voorop dat appellant door bij de vaststelling van het dagloon van de aan gedaagden toegekende WW-uitkeringen toepassing te geven aan artikel 12, tweede lid, van de Dagloonregels IWS niet in strijd met het in artikel 34, tweede lid, van de IWS neergelegde dervingsbeginsel heeft gehandeld.

Ingevolge het bepaalde in artikel 34, tweede lid, van de IWS , wordt immers als dagloon beschouwd: hetgeen de werknemer tijdens het ontvangen van de uitkering bij een vijfdaagse werkweek gemiddeld per dag zou kunnen verdienen in het beroep dat hij gewoonlijk uitoefende.

In het derde lid van artikel 34 van de IWS is vervolgens bepaald dat met betrekking tot de vaststelling van het dagloon nadere regels kunnen worden gesteld.

Bij Besluit van 18 juni 1987, Stcrt. 1987, 130, heeft het destijds bevoegde orgaan, de SVr, onder goedkeuring van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij Beschikking van 30 juni 1987, nr. 87/5342, Stcrt. 1987, 130, met hetgeen bepaald in artikel 12 van de Dagloonregels IWS nadere regels gesteld met betrekking tot de vaststelling van het dagloon van de seizoenarbeider.

Ingevolge het bepaalde in artikel 64 van de Invoeringswet OSV 1997 geldt artikel 12 van de Dagloonregels IWS met ingang van 1 maart 1997 als een regel door de Minister gesteld.

Door op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dagloonregels IWS het dagloon van de seizoenarbeider vast te stellen aan de hand van de gemiddelde verdiensten over de 52 weken voorafgaand aan het intreden van de seizoenwerkloosheid en door rekening te houden met de dagen waarop de seizoenarbeider buiten zijn wil niet heeft gewerkt, wordt naar het oordeel van de Raad het dagloon vastgesteld conform het in artikel 34, tweede lid, van de IWS neergelegde dervingsbeginsel dat, zoals hierboven reeds is omschreven, ziet op hetgeen de werknemer bij een vijfdaagse werkweek gemiddeld per dag zou kunnen verdienen indien hij niet werkloos zou zijn geworden.

Voorts is de Raad van oordeel dat de toepassing van artikel 12 van de Dagloonregels IWS in het onderhavige geval geen strijd met het gelijkheidsbeginsel oplevert. Daarbij acht de Raad van belang dat voor de seizoenarbeider het intreden van de werkloosheid na afloop van het seizoen inherent is aan de aard van het seizoenswerk, terwijl voor degene die werkloos wordt na afloop van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet bij voorbaat vaststaat of hij al dan niet verwijtbaar werkloos is, en of hij al dan niet recht heeft op een uitkering krachtens de WW. Door het WW-dagloon van de werkloze seizoenarbeider met toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Dagloonregels IWS evenredig te verlagen, wordt naar het oordeel van de Raad terecht rekening gehouden met de na afloop van het seizoen intredende werkloosheid welke, zoals gezegd, inherent is aan de aard van seizoenarbeid.

De Raad onderschrijft ten slotte niet het standpunt van gedaagden dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen die niet door objectieve gronden wordt gerechtvaardigd doordat niet alle uitvoeringsinstellingen in het geval van seizoenarbeid bij de berekening van de uitkering ingevolge de WW toepassing hebben gegeven aan artikel 12 van de Dagloonregels IWS. In de omstandigheid dat één van de voorheen bestaande uitvoeringsinstellingen van appellant artikel 12 van de Dagloonregels IWS buiten toepassing liet, ziet de Raad onvoldoende grond voor schending van het gelijkheidsbeginsel. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien artikel 12 van de Dagloonregels IWS buiten toepassing zou zijn gelaten ten aanzien van werknemers, die bij met de werkgever van gedaagden vergelijkbare bedrijven seizoenwerkzaamheden zouden hebben verricht. Dit laatste is noch gesteld, noch gebleken.

Vorenstaande overwegingen leiden ertoe dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking komt en het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J.van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2003.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature