Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Uitspraak



200204417/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 juni 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het bestuur van het Jachtfonds te Dordrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 1999 heeft het bestuur van het Jachtfonds te Dordrecht (hierna: het Jachtfonds) een verzoek van appellante om een tegemoetkoming in de door roeken in 1996 aangerichte schade aan laanbomen op haar boomkwekerij aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2001 heeft het Jachtfonds het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 juni 2002, verzonden op 3 juli 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 oktober 2002 heeft het Jachtfonds van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2002, waar appellante vertegenwoordigd door [directeur] en bijgestaan door mr. G.W.A. Bernards, advocaat te Veldhoven, en het Jachtfonds, vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergezeld van [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts zijn [deskundigen] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Jachtwet heeft het Jachtfonds tot taak het in stand houden te bevorderen van niet tot het in artikel 8, eerste lid, van de ze wet genoemd wild behorende wildsoorten, welker handhaving in de vrije natuur waardevol is, en de belangen van de landbouw met betrekking tot de jacht te dienen.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Jachtwet tracht het Jachtfonds het in het eerste lid omschreven doel te bereiken door onder meer het treffen van maatregelen die bestaan in het verlenen van tegemoetkomingen in door wild aangerichte schade, met inachtneming van door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te stellen regelen.

Ingevolge artikel 2 van de Beschikking regelen vergoeding door wild aangerichte schade van 10 oktober 1978 (Stcrt. 1978, 200, hierna: de Beschikking) kan door het bestuur van het Jachtfonds aan de grondgebruiker op zijn aanvrage een tegemoetkoming worden verleend in door wild aangerichte schade aan de landbouw.

Ingevolge artikel 3 van de Beschikking wordt de hoogte van de door wild aangerichte schade door het bestuur van het Jachtfonds bepaald, na kennisneming van het advies van de Wildschadecommissie in wier werkgebied de schade is aangericht.

2.2. Het Jachtfonds hanteert als uitgangspunt, dat als er aanleiding bestaat een tegemoetkoming in de schade te verlenen, alleen een tegemoetkoming wordt verleend in die schade, die door of namens de Wildschadecommissie is waargenomen en vastgesteld. Slechts in bijzondere gevallen wordt van dit uitgangspunt afgeweken. Bij de vaststelling van de hoogte van veroorzaakte wildschade gaat het Jachtfonds uit van de taxatierapporten, welke zijn opgesteld door door de Wildschadecommissie aangewezen taxateurs. Deze (onafhankelijke) taxateurs hanteren bij de opstelling van hun rapporten de door het bestuur gegeven aanwijzingen.

2.3. Appellante heeft terzake van de schade op haar laanboomkwekerij, veroorzaakt door kraaiachtigen in het voorjaar/de voorzomer 1996, aanvankelijk de Centrale Expertisedienst Bergweg B.V. te Rotterdam (hierna: Expertisebureau Bergweg) ingeschakeld, die de DLV Boomteelt Diagnostiek te Boxtel (hierna: DLV) opdracht heeft gegeven de schade te taxeren. Deze dienst heeft tijdens een in november 1996 gehouden onderzoek de schade opgenomen en op 2 juni 1997 een taxatierapport uitgebracht.

Op 17 februari 1997 heeft appellante de in 1996 ontstane schade gemeld bij de provinciale Wildschadecommissie. In het kader van het verzoek om tegemoetkoming, heeft appellante het taxatierapport van DLV overgelegd, waarin de in 1996 aangerichte schade is gesteld op ƒ 213.655,00/€ 96952,41. De Wildschadecommissie heeft op 10 maart 1997 aan de Stichting “Expertise, Advies, Taxatie bij wildschade” (hierna: de stichting EAT) opdracht gegeven de schade te taxeren. De taxateur P.H. Schalk (hierna: Schalk) heeft op 18 maart 1997, 16 april 1997, 25 september 1997 en 4 december 1997 de kwekerij bezocht. Op 15 december 1997 heeft Schalk een rapport uitgebracht, waarbij de in 1996 en 1997 door roeken toegebrachte schade is vastgesteld op een bedrag van ƒ 60.575,00/€ 27487,74. Bij besluit van 8 juli 1999 heeft het Jachtfonds na een daartoe strekkend advies van de Wildschadecommissie aan appellante een tegemoetkoming verleend van ƒ 46.264,00/€ 20993,69 voor roekenschade over het jaar 1997, waarin de in 1996 toegebrachte schade deels zou zijn verdisconteerd. Bij het bestreden besluit is gehandhaafd de eerdere beslissing van 19 oktober 1999, gebaseerd op het advies van de Wildschadecommissie en de daaraan ten grondslag liggende rapportage van Schalk, waarbij de gevraagde tegemoetkoming voor de door roeken in 1996 aangerichte schade is geweigerd.

2.4. Appellante heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat de taxateur Schalk van de stichting EAT het taxatieonderzoek niet op de juiste wijze heeft verricht dan wel dat zijn taxatierapport ondeugdelijk is.

2.5. Vast staat dat Schalk terzake van de schade, ontstaan in 1996, geen afzonderlijk taxatierapport heeft opgesteld. Voorzover de schade uit 1996 nog zichtbaar was, is deze meegenomen in het rapport van 15 december 1997. Op het moment dat Schalk werd ingeschakeld was de schade uit 1996, zoals ook blijkt uit diens brief van 8 februari 2000, nog waarneembaar. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling gebleken dat tijdens de bezoeken op 18 maart 1997 en 16 april 1997 geen, dan wel geen nauwkeurige opname van de schade heeft plaatsgevonden. Op 18 maart 1997 niet omdat Schalk het toen daarvoor te koud zou hebben gevonden. Op 16 april 1997 niet omdat Schalk de noodzaak van een eigen schadeonderzoek niet inzag, gelet op het door DLV uit te brengen schaderapport. Na kennisname van het op 2 juni 1997 afgekomen DLV-rapport, was Schalk van mening dat dit rapport onvoldoende gedetailleerd was om te kunnen dienen als basis voor de gevraagde schadevaststelling, waardoor hij zich genoodzaakt zag alsnog de schade aan de bomen zelf vast te stellen, hetgeen daarna pas is geschied tijdens zijn bedrijfsbezoeken op 25 september 1997 en 4 december 1997. Inmiddels waren echter vanaf mei 1997 snoeiwerkzaamheden uitgevoerd, waardoor de schade die in 1996 was ontstaan niet, dan wel vrijwel niet meer was vast te stellen. De snoeiwerkzaamheden dienden plaats te vinden om te voorkomen dat de schade vele malen hoger zou worden. De noodzaak tot het snoeien, mede teneinde de schade te beperken, is niet betwist en was, naar mag worden aangenomen, ook aan Schalk als boomdeskundige bekend. Onder deze omstandigheden had van Schalk mogen worden verlangd dat hij met de nodige voortvarendheid te werk was gegaan en niet het rapport van DLV zou hebben afgewacht. Gelet hierop acht de Afdeling de overweging van de rechtbank dat niet is gebleken dat Schalk het taxatieonderzoek niet op de juiste wijze heeft verricht, onjuist.

2.6. Appellante kan ook worden gevolgd in haar betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Schalk op de rapportage van DLV niet heeft hoeven af te gaan, nu door appellante niet zou zijn weersproken dat is gewerkt met schattingen van het aantal boomplaatsen, zoals deze door appellante aan DLV zijn medegedeeld, en daarbij alle gezaagde en gerooide bomen zonder meer als beschadigd zijn aangemerkt. Appellante heeft in beroep gesteld dat functionarissen van DLV en Expertisebureau Bergweg nauwgezet tellingen hebben uitgevoerd en heeft terzake bewijs aangeboden. Appellante heeft bij de rechtbank reeds een verklaring van Burger, die destijds als laanboomadviseur in dienst was bij DLV, en samen met [deskundige], die destijds werkte voor het Expertisebureau Bergweg, het onderzoek waar het DLV rapport op is gebaseerd heeft uitgevoerd, van 12 maart 2002 overgelegd, waarin is gesteld dat de schade is geïnventariseerd aan de hand van tellingen van de op dat moment op de percelen aanwezige beschadigde bomen. Ter zitting hebben [deskundigen] uitdrukkelijk weersproken dat alle gezaagde en gerooide bomen zonder meer als beschadigd zijn aangemerkt. Zij hebben verklaard dat het aantal beschadigde bomen door daadwerkelijke waarnemingen en tellingen is vastgesteld.

2.7. Gelet op het vorenstaande is het taxatierapport van Schalk niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand gekomen en heeft het Jachtfonds gehandeld in strijd met artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht door het advies van de Wildschadecommissie, gebaseerd op dit rapport aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen. De rechtbank heeft dit miskend.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.9. Het bestuur van het Jachtfonds dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 juni 2002, AWB 01/1362;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het bestuur van het Jachtfonds te Dordrecht van 5 april 2001;

V. draagt het bestuur van het Jachtfonds te Dordrecht op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het bestuur van het Jachtfonds te Dordrecht in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1577,39, waarvan een gedeelte groot € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door het Jachtfonds te Dordrecht te worden betaald aan appellante;

VII. gelast dat het Jachtfonds te Dordrecht aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 204,20 en € 327,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. E. Korthals Altes en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2003

97-367.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature