< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Uitspraak



200204954/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2002, kenmerk 855356, heeft verweerder krachtens de Grondwaterwet aan appellant een vergunning geweigerd voor het onttrekken van grondwater op een diepte van 45 meter beneden maaiveld tot een capaciteit van 35 m3 per uur voor het beregenen van gewassen gelegen op het perceel [locatie]. Dit besluit is op 5 september 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door ing . J. Ram, ambtenaar van de provincie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet is bepaald dat het verboden is grondwater te onttrekken of water te infiltreren, tenzij daarvoor door gedeputeerde staten vergunning is verleend.

In het derde lid van dit artikel is, voorzover hier van toepassing, bepaald dat bij het verlenen van de vergunning rekening wordt gehouden met het in artikel 7 van de Wet op de waterhuishouding bedoelde plan.

2.2. Appellant betoogt dat het verzoek om een vergunning voor het onttrekken van grondwater op een diepte van 45 meter beneden maaiveld tot een capaciteit van 35 m3 per uur voor het beregenen van gewassen een bijzonder geval betreft dat afwijking van het door verweerder gevoerde beleid rechtvaardigt. Appellant voert hiertoe aan dat hij in 1998 het perceel aan de [locatie] heeft gekocht in de veronderstelling dat de benodigde vergunningen voor het onttrekken van grondwater van de desbetreffende locatie reeds waren aangevraagd en verleend. Dit bleek echter niet het geval te zijn. Omdat het beregenen van de gewassen door middel van de beregeningsput, die reeds sedert 1973 in werking is, noodzakelijk is om zijn bedrijfsvoering rendabel te houden, heeft appellant alsnog om de desbetreffende vergunning verzocht.

2.2.1. Verweerder stelt dat sedert het tweede waterhuishoudingsplan “Samen werken aan water” van 11 september 1998 een standstill-beleid wordt gevoerd ten aanzien van grondwateronttrekkingen. Volgens dit beleid dienen de beschikbare hoeveelheden grondwater te worden gereserveerd voor hoogwaardige doeleinden en dienen voor laagwaardig gebruik, zoals onder meer voor beregening, waar mogelijk alternatieven te worden ingezet. Dit houdt, blijkens het bestreden besluit, in dat geen extra onttrekkingen van grondwater voor beregening meer zullen worden toegestaan. Verweerder ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden om van dit beleid af te wijken.

2.2.2. In het door verweerder gehanteerde waterhuishoudingsplan is bepaald dat wordt gestreefd naar een standstill-doelstelling met betrekking tot verdroging van de natuur conform de Derde Nota Waterhuishouding, waarin het rijksbeleid is vastgelegd. Dit wordt in Noord-Brabant gerealiseerd door een standstill-beleid voor het totaal van onttrekkingen. Hierbij wordt gestreefd naar het op termijn beëindigen van beregening met grondwater van akker- en tuinbouwgronden en graslanden. Het beleid zoals vorenomschreven acht de Afdeling, mede gelet op de uitgangspunten van de Derde Nota Waterhuishouding, waaronder het streven om de daling van de grondwaterstand en daarmee de verdroging tegen te gaan, niet onredelijk en voldoende kenbaar. De Afdeling stelt voorts vast dat het uitgangspunt van verweerder om geen extra onttrekking van grondwater toe te staan, past binnen de doelstelling van dit beleid.

De in het geding zijnde weigering is, gelet op het vorenstaande, dan ook in overeenstemming met het provinciale beleid inzake het grondwaterbeheer. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd die verweerder tot de conclusie had moeten brengen dat zich een bijzonder geval voordoet op grond waarvan van het door hem gevoerde beleid zou moeten worden afgeweken.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

179-375.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature