< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Uitspraak



200105744/1.

Datum uitspraak: 27 november 2002.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante], gevestigd te [plaats],

en

gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2001, kenmerk 2001/19085, hebben verweerders aan appellante een last onder dwangsom opgelegd als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht . De dwangsom is vastgesteld op ƒ 100.000,00 (€ 45.378,02) per dag dat na vier maanden na verzending van het besluit in de inrichting aan de [locatie] te [plaats] de houtopslag niet plaatsvindt overeenkomstig de tekening van de inrichting die bij de aanvraag om de bij besluit van 18 juni 1996 krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning behoort. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op ƒ 3.500.000,00 (€ 1.588.230,80).

Bij besluit van 2 oktober 2001, verzonden op 10 oktober 2001, hebben verweerders het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en daarbij de begunstigingstermijn bepaald op vijf maanden na verzending van de beslissing op bezwaar. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 19 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door gemachtigde, en mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. F.J.P. Baur, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit hebben verweerders de bij besluit van 10 april 2001 opgelegde last onder dwangsom ten aanzien van de overtreding van artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer onder aanpassing van de begunstigingstermijn gehandhaafd. Aan het dwangsombesluit ligt ten grondslag een aantal controles, waarvan de laatste heeft plaatsgevonden op 19 maart 2001. Volgens verweerders werd binnen het bedrijf aan de Industrieweg hout opgeslagen op niet bij de vergunning van 18 juni 1996 aangewezen plaatsen. Verweerders zijn van mening dat deze illegale situatie moest worden beëindigd, waarbij appellante bij het bestreden besluit een termijn is gegund van vijf maanden na verzending van het besluit op bezwaar.

2.2. Verweerders hebben ter zitting gesteld dat appellante geen procesbelang meer heeft omdat kort vóór afloop van de begunstigings-termijn de (resterende) houtopslag door brand is verwoest. Bij brief van 28 juni 2002 hebben zij aan appellante medegedeeld dat aan de last was voldaan en geen dwangsommen zijn verbeurd.

Appellante heeft echter gesteld nog belang te hebben bij de beoordeling van het onderhavige beroep in verband met kosten die zijn gemaakt ter uitvoering van de haar opgelegde last. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat het procesbelang niet is vervallen.

2.3. Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciaal bestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het derde lid wordt voor het opleggen van een last onder dwangsom niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Ingevolge het vijfde lid wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten, te veranderen of de werking daarvan te veranderen.

2.4. Appellante betoogt dat verweerders zich in het bestreden besluit ten onrechte baseren op een inrichtingstekening met daarop de vermelding “6 november 19954” en “Getekend: [naam rechtspersoon]”. Zij wijst erop dat zij in het bezit is van een inrichtingstekening met daarop de vermelding “18 november 19954” en “Getekend: [naam rechtspersoon]”. Volgens appellante blijkt uit het besluit van 18 juni 1996 niet dat de inrichtingstekening tot de bij dit besluit verleende revisievergunning behoort. Bovendien is de tekening niet als zodanig gewaarmerkt. Voorts wijst zij erop dat de Voorzitter van de Afdeling in een uitspraak van 2 augustus 2001, no. 200103016/1, in het kader van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot het primaire besluit van 10 april 2001, heeft overwogen dat de tekening waarop verweerders zich baseren niet meer dan een slordig uitgevoerde handmatige schets is.

2.4.1. Naar het oordeel van de Afdeling dient de verwijzing van verweerders naar een tekening met de vermelding “6 november 19954” te worden beschouwd als een kennelijke verschrijving; tot de door verweerders toegezonden gedingstukken behoort uitsluitend de – ook door appellante genoemde – tekening met de vermelding “18 november 19954”. Het behoort er verder voor te worden gehouden dat de vermelding “18 november 19954” moet worden gelezen als “18 november 1995”.

De Afdeling overweegt verder dat gezien de korte tijd tussen de datering van de inrichtingstekening (18 november 1995) en de datum van de aanvraag (29 november 1995), en gezien het feit dat in het aanvraagformulier is verwezen naar de inrichtingstekening (bijlage 6), de tekening moet worden geacht tot de aanvraag te behoren. De omstandigheid dat de tekening niet is gewaarmerkt doet daar niet aan af. De aanvraag maakt gezien het dictum van het besluit deel uit van de vergunning. Hetgeen de Voorzitter in voormelde uitspraak van 2 augustus 2001 omtrent de in die zaak overgelegde tekening heeft overwogen leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat het gelet op de omschrijving van die tekening niet de tekening met datum 18 november 1995 betrof.

2.4.2. Vaststaat dat appellante hout had opgeslagen buiten de op de tekening aangeduide houtdepots. Dit betekent dat hout was opgeslagen zonder de ingevolge de Wet milieubeheer vereiste vergunning. Verweerders waren daarom gerechtigd van hun bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen gebruik te maken.

2.5. Appellante betoogt dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten haar een last onder dwangsom op te leggen. Zij voert aan dat er concreet zicht op legalisatie bestond. Volgens haar is reeds op 4 december 2000 kenbaar gemaakt dat vooroverleg omtrent een nieuwe vergunning met de Afdeling Vergunningen van de provincie had plaatsgevonden. De in dat kader uitgewisselde conceptaanvragen hebben uiteindelijk geresulteerd in een op 19 november 2001 ingediende aanvraag om een revisievergunning. Tevens ontbrak volgens appellante het milieuhygiënisch belang om handhavend op te treden. Eventuele nadelige gevolgen voor het milieu worden volgens haar ondervangen door de voorschriften die zijn verbonden aan de eerder voor de inrichting verleende vergunning. Voorts stelt appellante dat de situatie voor gedogen in aanmerking kwam, nu het ging om een overmachtsituatie (de opslag van hout was tijdelijk in omvang toegenomen omdat de afvoer van hout naar een houtvergassingsproject tijdelijk stagneerde) en om een overgangssituatie (de gevraagde revisievergunning kon volgens appellante op korte termijn worden verleend). Verder betoogt appellante dat verweerders onvoldoende rekening hebben gehouden met haar bedrijfseconomische belangen.

2.5.1. De aanvraag om een revisievergunning dateert van na het nemen van zowel het primaire als het bestreden besluit. De Afdeling ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat verweerders er ten tijde van deze besluiten niet van konden uitgaan dat er geen reëel zicht bestond op legalisatie op korte termijn. Het betoog van appellante omtrent de overgangssituatie kan niet slagen. De door haar gestelde overmachtsituatie deed zich evenmin voor, nu aannemelijk is dat appellante het hout kon afvoeren naar een andere verwerker dan het houtvergassingsproject.

Het voorgaande in aanmerking genomen ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders bij afweging van de betrokken belangen aan het bedrijfsbelang van appellante niet een geringer gewicht mochten toekennen dan aan het belang van handhaving van bij of krachtens de Wet milieubeheer gestelde regels, en daarom evenmin voor het oordeel dat zij niet in redelijkheid hebben kunnen overgaan tot het opleggen van de last onder dwangsom.

2.6. Tot slot kan appellante zich niet verenigen met de hoogte van de dwangsom.

Verweerders hebben in het bestreden besluit overwogen dat, indien de hoogte van de dwangsom zou worden gerelateerd aan de kosten voor uitvoer van de totale hoeveelheid hout, een nog hoger bedrag aan maximaal te verbeuren dwangsommen zou moeten worden vastgesteld dan in het primaire besluit is bepaald. Om appellante niet in een nadeliger positie te brengen als gevolg van het indienen van het bezwaarschrift, hebben zij het in het primaire besluit vastgestelde maximum bij de beslissing op het bezwaarschrift niet gewijzigd. Weliswaar is ter zitting gebleken dat de werkelijke afvoerkosten aanmerkelijk lager zijn geweest, maar nu verweerders in dit opzicht zijn uitgegaan van de door appellante zelf verstrekte gegevens kan daaraan geen betekenis worden toegekend. De Afdeling ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het in het primaire besluit vastgestelde dwangsombedrag in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. Ch. W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Gemert

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2002.

243-373.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature