< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Uitspraak



00/2505 WAOCON

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), dat ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen juncto artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1997, Stb. 1997, 769, wat betreft de overeenkomstige toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), bedoeld in artikel 32, eerste lid, juncto artikel 46, tweede lid, van de Wet privatisering ABP (WPA), met ingang van 1 januari 1998 in de plaats is getreden van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv en het bestuur van het FAOP.

Bij besluit van 15 april 1997 heeft appellant gedaagde met ingang van 17 maart 1997 in aanmerking gebracht voor een WAO-conforme uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 28 oktober 1998 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 21 maart 2000, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van 26 mei 1997 met inachtneming van het gestelde in haar uitspraak.

Appellant heeft op bij het beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren.

Namens gedaagde heeft mr. I. Bruna, werkzaam bij de vakorganisatie CFO, bij schrijven van 15 augustus 2000 van verweer gediend.

Desverzocht heeft appellant bij brief van 14 mei 2002 een inlichting verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 augustus 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs, werkzaam bij het Uwv en waar gedaagde, met kennisgeving, niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en de van toepassing zijnde regelgeving verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent in de aangevallen uitspraak is vermeld.

De rechtbank heeft overwogen dat appellant de medische beperkingen van gedaagde op de datum in geding op een juiste wijze heeft vastgesteld. Ook de arbeidskundige kant van de onderwerpelijke schatting heeft de rechtbank in stand gelaten. Niettemin heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, van oordeel zijnde dat appellant in strijd had gehandeld met het bepaalde in het Besluit einde wachttijd c.q. toekenning en uitlooptermijn AAW/WAO van 19 maart 1997, gepubliceerd in de Stcrt. 1997, 64 en in werking getreden op 5 april 1997 (hierna: Besluit einde wachttijd). Hierin is geregeld dat de uitvoeringsinstelling per einde wachttijd een arbeidsongeschiktheidsuitkering toekent naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, als tijdig een aanvraag is ingediend en op einde wachttijd nog geen aanzegging heeft plaatsgevonden. De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven omstandigheden van dit geval tot het oordeel gekomen dat er voor appellant geen ruimte was om af te wijken van het Besluit einde wachttijd.

Ingevolge het uitsluitend door appellant ingestelde hoger beroep is in dit geding alleen nog aan de orde of appellant in strijd heeft gehandeld met het Besluit einde wachttijd door gedaagde na het bereiken van de wachttijd van 52 weken op 17 maart 1997 niet in aanmerking te brengen voor een WAO-conforme uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellant heeft ter zitting van de Raad aangevoerd dat het Besluit einde wachttijd is genomen door het Lisv en dat het bestuur van het FAOP tot 1 januari 1998, op welke datum het Lisv zijn rechtsopvolger werd, niet daaraan gebonden was. Voorts is aangevoerd dat dit Besluit door het bestuur van het FAOP ook niet van overeenkomstige toepassing is verklaard, omdat aan toekenning van een voorschot bij einde wachttijd geen behoefte bestond, aangezien er een loondoorbetalingsverplichting bij einde wachttijd voor overheidswerkgevers bestaat. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat de ratio van het Besluit einde wachttijd erin is gelegen dat de betrokkene na het verstrijken van de wachttijd geen negatieve gevolgen ondervindt die te wijten zijn aan de trage besluit-vorming van de uitvoeringsinstelling. Voorts heeft appellant erop gewezen dat bij de door het Lisv doorgevoerde wijzigingen van het Besluit einde wachttijd, bij besluit van

1 april 1998, Stcrt. 1998, 70 en bij besluit van 25 november 1998, Stcrt. 1998, 236, welke besluiten ook voor werknemers bij overheidswerkgevers gelden, de toevoeging is opgenomen dat de verplichting tot toekenning van een voorschot naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% alleen bestaat als er geen doorbetalingsverplichting voor de werkgever is en er ook geen recht is op wachtgeld ten laste van de werkgever.

De Raad volgt appellant in zijn opvatting dat de rechtbank ten onrechte als haar oordeel heeft gegeven dat appellant in strijd heeft gehandeld met het Besluit einde wachttijd. Appellants rechtsvoorganger, het bestuur van het FAOP, was ten tijde in geding niet gehouden besluiten van het Lisv, waaronder begrepen het Besluit einde wachttijd, op te volgen c.q. in voorkomende gevallen toe te passen.

De Raad ziet voorts geen aanleiding de bij brief van 14 mei 2002 gedane mededeling van appellant in twijfel te trekken dat voor 1 januari 1998 in de gevallen waarin eerst na ommekomst van de wachttijd de toekenning van WAO plaatsvond, geen (voorlopige) toekenning heeft plaatsgehad naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Mitsdien is van een eigen beleid, overeenkomstig het in het Besluit einde wachttijd vervatte beleid, van het bestuur van het FAOP ten tijde hier in geding geen sprake geweest.

Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking en dient het inleidend beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2002.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



∧ naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature