< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:
Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



22 november 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/078HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen,

t e g e n

SINT WILLIBRORDUS STICHTING, gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.V. Polak.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 22 december 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: Sint Willibrordus - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Sint Willibrordus te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 65.466,33, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 5.052,71 vanaf 27 januari 1995, over een bedrag van ƒ 1.735,60 vanaf 12 september 1995, over een bedrag van ƒ 29.339,01 vanaf 1 september 1994 en over een bedrag van ƒ 29.339,01 vanaf 1 september 1995, telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] haar eis vermeerderd en, onder handhaving van haar hiervoor weergegeven vordering, tevens gevorderd:

- Sint Willibrordus te veroordelen telkens jaarlijks per 12 november de geïndexeerde erfpachtcanon te voldoen, conform hetgeen is bepaald in artikel 10 van de akte van uitgifte in erfpacht en opstalrecht d.d. 11 november 1986, alsmede Sint Willibrordus te veroordelen jaarlijks de geïndexeerde huurprijs van de roerende zaken te voldoen, per 12 november elk jaar, als volgens artikel 10 van de huurovereenkomst van 15 augustus 1986;

- Sint Willibrordus te veroordelen tot betaling van de boete ex artikel 10 k lid 2 ad 1 % per maand, waarbij een gedeelte van een maand tot een volle wordt gerekend, telkens vanaf de vervaldag van de canon, tot aan de dag der voldoening;

- subsidiair Sint Willibrordus te veroordelen tot vergoeding van de door [eiseres] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 1996 tot aan de dag der voldoening;

- meer subsidiair, voor het geval dat er sprake is van natrekking van één of meerdere van de door [eiseres] aan Sint Willibrordus verhuurde zaken, tot veroordeling van Sint Willibrordus tot vergoeding van de door [eiseres] geleden en te lijden schade op grond van ongerechtvaardigde verrijking, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 1996 tot aan de dag der voldoening.

Sint Willibrordus heeft in conventie de vorderingen bestreden en in reconventie - na vermeerdering van eis bij repliek in reconventie - gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren:

primair: [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 225.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data der betaling van de respectieve huurpenningen door Sint Willibrordus tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten conform het incasso tarief van de Nederlandse Orde van Advocaten, en voorts te verklaren voor recht dat tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen respectievelijk heeft bestaan met betrekking tot de goederen als bedoeld op de lijst A en B behorende bij de productie 3 bij de conclusie van eis in reconventie;

subsidiair:

1) te verklaren voor recht dat de redelijke huurprijs voor de schilderijen als genoemd in de hiervoor genoemde productie 3 lijst A bedraagt ƒ 2.000,--;

2) te verklaren voor recht dat tussen partijen geen enkele huurovereenkomst heeft bestaan of bestaat anders dan met betrekking tot genoemde schilderijen, en

3) [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 217.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve betaaldata der huurpenningen, een en ander te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten conform het tarief van de Nederlandse Orde van Advocaten.

[Eiseres] heeft in reconventie de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 31 december 1997 een gerechtelijke plaatsopneming en een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 3 februari 1999 wederom een comparitie van partijen gelast.

Bij vonnis van 1 september 1999 heeft de Rechtbank in conventie Sint Willibrordus veroordeeld om aan [eiseres] vanaf 12 november 1993 jaarlijks per 12 november van elk jaar, de geïndexeerde erfpachtcanon te voldoen conform hetgeen is bepaald in artikel 10 van de akte van uitgifte in erfpacht en opstalrecht d.d. 11 november 1986, zulks te vermeerderen met de boete ex artikel 10 k lid 2 van de akte van uitgifte, telkens vanaf de vervaldag van de canon tot de dag der voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de Rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van Sint Willibrordus en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen de drie vermelde vonnissen heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft [eiseres] haar eis gewijzigd en vermeerderd en, naast hetgeen in eerste aanleg is gevorderd, - verkort weergegeven - gevorderd:

(II) subsidiair: een schadevergoeding wegens wanprestatie, onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking, groot ƒ 25.000,-- per jaar en vermeerderd met de contractueel bepaalde indexering vanaf november 1994 tot aan de dag dat de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd, althans een schadevergoeding gelijk aan de waarde van de nagetrokken zaken, verminderd met ƒ 184.000,--, deze schadevergoeding op te maken bij staat of door het Hof in goede justitie te bepalen;

(III) meer subsidiair en voorwaardelijk, voor het geval de huurovereenkomst wegens dwaling is vernietigd: het gedeeltelijk ontzeggen van de werking aan deze vernietiging, met bepaling dat Sint Willibrordus aan [eiseres] een vergoeding zal voldoen van ƒ 25.000,-- per jaar en vermeerderd met de contractueel bepaalde indexering, vanaf november 1994 tot de dag dat het kerkgebouw niet meer als kerk in gebruik zal zijn, althans een vergoeding gelijk aan de waarde van de nagetrokken zaken, verminderd met ƒ 184.000,--, althans een door het Hof te bepalen vergoeding;

(IV) meest subsidiair en eveneens voorwaardelijk: de vernietiging van de gehele overeenkomst tussen partijen, derhalve de koopovereenkomst met betrekking tot het kerkgebouw en de overige inventaris, de erfpachtovereenkomst en de litigieuze huurovereenkomst, alle op grond van dwaling;

(V) in alle gevallen met veroordeling van Sint Willibrordus tot betaling van de wettelijke rente vanaf 27 januari 1995, althans vanaf 13 januari 2000 tot aan de dag der voldoening.

Bij arrest van 30 november 2000 heeft het Hof de vonnissen van 3 februari 1999 en 1 september 1999, voorzover in conventie gewezen, bekrachtigd, deze vonnissen, voorzover in reconventie gewezen, vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiseres] veroordeeld aan Sint Willibrordus te voldoen een bedrag van ƒ 184.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 1996 tot aan de dag der voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Sint Willibrordus heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, voorzover het betreft de gronden onder 1 tot en met 4 en 6 en 7 van het middel van cassatie, en verzocht ten aanzien van de onderdelen 5.1 en 5.2 te beslissen zoals de Hoge Raad zal menen te behoren.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 vermelde feiten. Die komen erop neer dat [eiseres] in 1986 een kerkgebouw aan Sint Willibrordus heeft verkocht, de grond waarop dit gebouw staat aan Sint Willibrordus in erfpacht heeft gegeven en een aantal kunstvoorwerpen die zich in dat gebouw bevonden aan Sint Willibrordus heeft verhuurd. Het geschil tussen partijen betreft de huur van de kunstvoorwerpen. Sint Willibrordus heeft die huur per 12 november 1994 opgezegd, waarmee [eiseres] niet heeft ingestemd. In conventie vordert [eiseres] - naast een verhoging van de erfpachtcanon die niet in geschil is - huur dan wel schadevergoeding over de periode na de opzegging. Sint Willibrordus stelt zich op het standpunt dat zij uit dien hoofde niets verschuldigd is en vordert in reconventie de door haar in de periode van 1986 tot 1994 voor de kunstvoorwerpen betaalde huur ad ƒ 25.000,-- per jaar als onverschuldigd betaald terug. Volgens Sint Willibrordus is de huurovereenkomst non-existent of vernietigbaar op grond van dwaling omdat de kunstvoorwerpen door natrekking deel uitmaken van het kerkgebouw dat haar eigendom is en zij niet huurder van haar eigen goederen kan zijn.

3.2 De Rechtbank heeft het standpunt van Sint Willibrordus met betrekking tot de natrekking van de kunstvoorwerpen aanvaard, behalve ten aanzien van twee schilderijen. Wat die schilderijen betreft heeft zij de zaak naar de rol verwezen met het oog op het inwinnen van deskundigenbericht teneinde een redelijke huurprijs vast te stellen, maar voor het overige heeft zij de vordering van [eiseres] tot betaling van huur of schadevergoeding in conventie afgewezen en de vordering van Sint Willibrordus in reconventie toewijsbaar geacht. In hoger beroep heeft [eiseres] berust in het oordeel van de Rechtbank over de natrekking van de kunstvoorwerpen, met uitzondering van de twee schilderijen en een aantal biechtstoelen, en haar vorderingen aan haar gewijzigde standpunt aangepast. Zij vorderde nu tevens subsidiair schadevergoeding wegens wanprestatie, onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking en meer subsidiair, voorwaardelijk, voor het geval de huurovereenkomst wegens dwaling is vernietigd, het gedeeltelijk ontzeggen van de werking aan deze vernietiging met bepaling dat Sint Willibrordus haar een vergoeding voor het gebruik van de kunstvoorwerpen verschuldigd is, en meest subsidiair vernietiging van de gehele overeenkomst (koop kerkgebouw en overige inventaris, erfpacht grond en huur kunstvoorwerpen) op grond van dwaling. Evenals de Rechtbank heeft het Hof Sint Willibrordus grotendeels in het gelijk gesteld. Het heeft de afwijzing van de huurvordering van [eiseres] in conventie bekrachtigd en in reconventie [eiseres] veroordeeld tot terugbetaling van ƒ 184.000,--.

3.3.1 Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het Hof in rov. 4.3 over het ontbreken van samenhang tussen de verschillende overeenkomsten van partijen. Wat dat betreft blijkt uit de vaststellingen van de Rechtbank, waarnaar het Hof verwijst, het volgende. Er zijn twee schriftelijke overeenkomsten van 15 augustus 1986. De eerste vermeldt, voorzover hier van belang, A) de verkoop van het kerkgebouw voor ƒ 375.000,-- B) de uitgifte in erfpacht van de grond, C) de jaarlijkse erfpachtcanon van ƒ 10.000,-- en D) de jaarlijkse huurprijs van de kunstvoorwerpen van ƒ 25.000,--. In de tweede overeenkomst wordt vooropgesteld dat [betrokkene 1] eigenaar is van de op de aan de overeenkomst gehechte lijst A vermelde goederen (waaronder de hiervoor in 3.2 bedoelde twee schilderijen) en dat hij de op een eveneens aangehechte lijst B vermelde goederen in bruikleen heeft van het Aartsbisdom Utrecht. Volgens deze overeenkomst geeft [eiseres] de goederen op lijst A "tegen vergoeding in bruikleen" aan Sint Willibrordus en verhuurt zij de goederen op lijst B aan deze, waarbij Sint Willibrordus voor deze goederen samen een huurprijs van ƒ 25.000,-- per jaar verschuldigd is ("geïndexeerd zoals erfpacht"). Art. 10 van deze overeenkomst houdt in dat als de erfpachtcanon van ƒ 10.000,-- wordt verhoogd ("bedrag van de indexering uitgesloten"), de huurprijs van ƒ 25.000,-- dienovereenkomstig wordt verlaagd.

Op 12 november 1986 is een notariële akte gepasseerd "houdende uitgifte in erfpacht en opstalrecht", waarbij aan Sint Willibrordus in de eerste plaats het kerkgebouw met toebehoren in eigendom is overgedragen (met vestiging van een opstalrecht) en in de tweede plaats de grond in erfpacht is uitgegeven. Volgens art. 8 van de akte blijft, voorzover daarvan in deze akte niet wordt afgeweken, tussen partijen gelden hetgeen eerder overigens tussen hen is overeengekomen. Art. 10 bevat een indexeringsclausule met betrekking tot de erfpachtcanon.

3.3.2 Het Hof heeft in rov. 4.3 geoordeeld dat "sprake is van verschillende overeenkomsten die niet onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden". Naar het oordeel van het Hof zijn vier overeenkomsten gesloten, niet - zoals [eiseres] stelt - één overeenkomst die uit vier onderdelen bestaat. De stelling van [eiseres] dat "indien aan één van de onderdelen wordt getornd, daarmee de overige onderdelen op de tocht komen te staan", zou volgens het Hof juist kunnen zijn "indien tussen de vier overeenkomsten zodanige verbinding (bijvoorbeeld door middel van schakelbepalingen) zou zijn gemaakt dat een zich in de ene overeenkomst voordoende omstandigheid ook gevolgen heeft voor de overige overeenkomsten". Dat is echter volgens het Hof "niet dan wel onvoldoende gebleken. Tussen de overeenkomsten van 15 augustus 1986 en die van 12 november 1986 is alleen de verbinding gelegd met betrekking tot de indexering en niet met betrekking tot de hoofdsom". Verder wijst het Hof erop dat de erfpacht eeuwigdurend is en de huur niet, en dat volgens de ene overeenkomst de huur zal eindigen bij het einde van de erfpacht, maar dat de andere overeenkomst niet het omgekeerde bepaalt. Het bepaalde in art. 10 van de overeenkomst van 15 augustus 1986 (zie hiervoor in 3.3.1) vindt het Hof, gelet op het bepaalde in art. 10 van de overeenkomst van 12 november 1986 (zie eveneens 3.3.1) onvoldoende aanwijzing voor (de juistheid van) het standpunt van [eiseres]. Overigens heeft [eiseres] volgens het Hof geen concrete feiten of omstandigheden gesteld en te bewijzen aangeboden die tot een ander oordeel aanleiding zouden kunnen geven.

3.3.3 Met dit oordeel verwierp het Hof de stelling van [eiseres] dat partijen in 1986 één alomvattende overeenkomst hebben gesloten die in vier onderdelen uiteenviel: (a) verkoop van de opstallen (kerk en kapel) voor ƒ 375.000,--, (b) verkoop van de inventaris (niet zijnde de kunstvoorwerpen op de lijsten A en B) voor ƒ 300.000,--,(c) uitgifte van de grond in erfpacht voor een canon van ƒ 10.000,-- per jaar met indexeringsbeding en (d) verhuur van de kunstvoorwerpen op de lijsten A en B voor een huurprijs van ƒ 25.000,-- per jaar met indexeringsbeding. In de onderhandelingen is volgens [eiseres] - naast het ineens door Sint Willibrordus te betalen bedrag van ƒ 675.000,-- - een jaarlijkse vergoeding van ƒ 35.000,-- afgesproken, die alleen om fiscale redenen voor ƒ 10.000,-- is aangemerkt als erfpachtcanon en voor ƒ 25.000,-- als huurprijs van de kunstvoorwerpen, waarvan beide partijen destijds meenden dat zij eigendom waren en zouden blijven van [betrokkene 1] (lijst A), dan wel van het Aartsbisdom dat deze aan [betrokkene 1] in bruikleen had gegeven (lijst B). Volgens [eiseres] is de tussen partijen gesloten overeenkomst één en ondeelbaar: als de titel huurovereenkomst wegvalt omdat de kunstvoorwerpen thans eigendom van Sint Willibrordus zijn, moet volgens [eiseres] hetzij de alomvattende overeenkomst in al haar onderdelen worden vernietigd, hetzij bij wege van conversie de erfpachtcanon worden verhoogd tot het genoemde bedrag van ƒ 35.000,-- per jaar, hetzij een geheel nieuwe overeenkomst totstandkomen.

Sint Willibrordus heeft deze stellingen bestreden. Haar standpunt komt erop neer dat de huurovereenkomst (d) los staat van de drie overige overeenkomsten (a, b en c) en dus afzonderlijk kan worden vernietigd althans opgezegd. In het bijzonder betwistte zij dat één jaarlijkse vergoeding van ƒ 35.000,-- zou zijn overeengekomen.

3.3.4 Volgens onderdeel 1.1 is het hiervoor in 3.3.2 weergegeven oordeel van het Hof onbegrijpelijk in het licht van de eerstgenoemde schriftelijke overeenkomst van 15 augustus 1986. Dit onderdeel faalt. Weliswaar zijn in die schriftelijke overeenkomst de onder (a), (c) en (d) genoemde onderdelen vermeld, maar die enkele omstandigheid noopte het Hof niet tot het oordeel dat deze onderdelen zodanig met elkaar samenhangen, dat vernietiging of opzegging van één ervan zonder meer meebrengt dat één of meer van de andere niet ongewijzigd in stand kunnen blijven.

3.3.5 Onderdeel 1.2 klaagt dat het Hof is voorbijgegaan aan de essentiële stelling van [eiseres] dat de overeenkomsten zodanig met elkaar samenhangen dat vernietiging van één van de overeenkomsten tot gevolg heeft dat een of meer van de overige overeenkomsten niet ongewijzigd in stand kunnen blijven. Dit onderdeel mist feitelijke grondslag. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het Hof die stelling wel heeft behandeld, maar verworpen.

3.3.6 Volgens onderdeel 1.3 heeft het Hof voor het antwoord op de vraag of tussen de overeenkomsten de door [eiseres] gestelde samenhang bestaat, ten onrechte alleen de aanwezigheid van verbindingen tussen de schriftelijke overeenkomsten als in zijn oordeel vermeld beslissend geacht. Ook dit onderdeel mist feitelijke grondslag. Aan zijn desbetreffende overwegingen voegt het Hof immers toe dat [eiseres] overigens geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit een dergelijke samenhang volgt. Dit laatste oordeel wordt echter in onderdeel 1.4 terecht als onbegrijpelijk bestreden. Uit het arrest van het Hof blijkt niet dat het de hiervoor in 3.3.3 samengevatte stellingen van [eiseres] over de samenhang van de overeenkomsten, vooral de stelling omtrent de verdeling van de oorspronkelijk beoogde totale vergoeding van ƒ 35.000,-- over huurprijs en erfpachtcanon en de redenen daarvoor, in zijn overwegingen heeft betrokken. In het licht van die stellingen behoefde het bestreden oordeel echter meer motivering dan het arrest bevat, zodat onderdeel 1.4 gegrond is.

3.3.7 Onderdeel 1.5 bestrijdt op dezelfde gronden als vermeld in de onderdelen 1.1-1.4 rov. 4.10 voorzover het Hof daarin, voortbouwend op rov. 4.3, de stelling van [eiseres] verwerpt dat, indien er al - zoals door Sint Willibrordus gesteld - sprake zou zijn van dwaling, deze ziet op de "gehele" overeenkomst tussen partijen en [eiseres] zich in dat geval kan beroepen op de artikelen 3:53 lid 2 en 6:230 lid 2 BW . Uit hetgeen in 3.3.6 is overwogen, volgt dat ook dit onderdeel gegrond is.

3.4 Op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.7 en 2.8 vermelde gronden kunnen de onderdelen 2 en 3 niet tot cassatie leiden.

3.5 Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 4.13, waar het Hof het beroep van [eiseres] op ongerechtvaardigde verrijking van Sint Willibrordus verwerpt.

Onderdeel 4.1 bestrijdt het oordeel van het Hof dat terugbetaling van de huurpenningen (in verband met de nietigheid van de huurovereenkomst) geen ongerechtvaardigde verrijking van Sint Willibrordus oplevert omdat er geen grond voor huur was. Dit onderdeel klaagt terecht dat het Hof aldus miskent dat [eiseres] het beroep op ongerechtvaardigde verrijking in hoger beroep niet op de aanvankelijk door haar verdedigde huurverhouding baseerde, maar op eigendomsverkrijging ten gevolge van natrekking van de kunstvoorwerpen of onbewuste althans ongewilde overdracht van die zaken, dan wel besparing van kosten of onbillijke bevoordeling.

De onderdelen 4.2 en 4.3 betogen terecht dat het Hof niet, zoals het gedaan heeft, het oordeel van de Rechtbank dat aan de zijde van [eiseres] geen verarming heeft plaatsgevonden, zonder meer mocht overnemen. Dat oordeel berustte op de overweging dat [eiseres] volgens haar eigen stellingen de kunstvoorwerpen in bruikleen had van het Aartsbisdom en daarvoor geen vergoeding schuldig was, maar die motivering kon, wat daarvan overigens ook zij, in ieder geval in hoger beroep dit oordeel niet dragen. Daar nam [eiseres] immers niet meer het standpunt in dat zij de kunstvoorwerpen in bruikleen had. Zij bestreed nu niet meer dat deze door natrekking eigendom waren geworden van de eigenaar van het kerkgebouw maar zij stelde dat zij daardoor, voorafgaande aan de overdracht aan Sint Willibrordus in 1986, zelf als eigenaar van het gebouw ook eigenaar van de kunstvoorwerpen was geworden. Voor het overige berust de verwerping door het Hof van het beroep van [eiseres] op ongerechtvaardigde verrijking van Sint Willibrordus kennelijk op zijn oordeel dat vernietiging van de huurovereenkomst geen gevolgen behoeft te hebben voor de overige overeenkomsten, welk oordeel, zoals hiervoor in 3.3.6 is overwogen, niet in stand kan blijven.

Onderdeel 4 is derhalve in zijn geheel gegrond.

3.6 In rov. 4.18 heeft het Hof geoordeeld dat Sint Willibrordus "voor de op lijst A voorkomende schilderijen geen huur verschuldigd is omdat die schilderijen in bruikleen (dus om niet) zijn gegeven". In onderdeel 5.1 wordt terecht aangevoerd dat het Hof met dit oordeel buiten de rechtsstrijd is getreden. Voor de Rechtbank heeft Sint Willibrordus erkend dat deze schilderijen eigendom van [eiseres] zijn en dat zij daarvoor huur verschuldigd is. In hoger beroep is zij niet van dit standpunt teruggekomen. Het onderdeel, dat in cassatie niet is weersproken, is derhalve gegrond en onderdeel 5.2 behoeft geen behandeling.

3.7 In rov. 4.14 verwerpt het Hof de stelling van [eiseres] dat het beroep van Sint Willibrordus op onverschuldigde betaling in strijd is met redelijkheid en billijkheid. Naar het oordeel van het Hof heeft [eiseres] nagelaten die stelling te onderbouwen. Volgens onderdeel 6 is dit oordeel onbegrijpelijk (vooral) in het licht van het betoog van [eiseres] over de samenhang van de overeenkomsten en de ongerechtvaardigde verrijking van Sint Willibrordus. Nu, zoals hiervoor in 3.3.6 en 3.5 is overwogen, de desbetreffende oordelen van het Hof niet in stand kunnen blijven, slaagt ook dit onderdeel.

3.8 Onderdeel 7 is gericht tegen rov. 4.16, waar het Hof het beroep van [eiseres] op conversie verwerpt. Naar het oordeel van het Hof heeft [eiseres] nagelaten "redengevende feiten en omstandigheden te stellen en te bewijzen aan te bieden, waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat aan de eisen van art. 3:42 BW is voldaan. (...) In het bijzonder heeft [zij] nagelaten te onderbouwen omtrent welke overeenkomst partijen dan overeenstemming zouden hebben bereikt."

Indien het Hof met dit oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat degene die zich op conversie beroept, moet stellen en met argumenten staven welke overeenkomst partijen zouden hebben gesloten als zij zich bewust zouden zijn geweest van de ongeldigheid van de door hen gesloten overeenkomst, berust dit oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Tekst en strekking van art. 3:42 BW brengen mee dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat "aangenomen moet worden", objectief gezien, dat de strekking van de nietige rechtshandeling in voldoende mate beantwoordt aan die van een andere, vervangende rechtshandeling. Tot die toepassing is de rechter ambtshalve bevoegd. Weliswaar is het in strijd met art. 3:42 een nietige overeenkomst om te zetten in een overeenkomst die partijen, naar moet worden aangenomen, niet zouden hebben gesloten als zij zich van de nietigheid van de gesloten overeenkomst bewust zouden zijn geweest, en verdient het mede daarom in het algemeen aanbeveling dat de rechter niet van zijn bevoegdheid in deze gebruik maakt voordat partijen de gelegenheid hebben gehad zich daarover uit te laten, maar daaruit volgt niet dat aan een beroep op conversie de hiervoor bedoelde eisen moeten worden gesteld.

Indien het Hof van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, behoefde zijn oordeel echter nadere motivering, die zijn arrest niet bevat, zulks reeds omdat [eiseres] in hoger beroep, voor het geval de huurovereenkomst ongeldig zou zijn, verschillende mogelijkheden tot conversie heeft genoemd, zoals verhoging van de erfpachtcanon.

Onderdeel 7 is derhalve gegrond.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 november 2000;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage;

veroordeelt Sint Willibrordus in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.283,59 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 22 november 2002.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature