< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Uitspraak



Kenmerk: 02/308 BESLU

U I T S P R A A K

van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Assen op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

en

Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2002 heeft verweerder aan [secretaris], zijnde de secretaris van de Wildbeheereenheid (WBE) "De Grensstreek"(hierna: ontheffinghouder) voor de periode 10 april 2002 tot en met 31 december 2003 ontheffing verleend voor het in het kader van wetenschappelijk onderzoek onder zich hebben, vervoeren, ten vervoer aanbieden, afleveren en doden van exemplaren van de roek (Corvus frugilegus), met als doel inzicht te verkrijgen in het effect van verschillende verjagingsmethoden en als mogelijk resultaat dat op termijn minder afschot nodig zal zijn.

Verzoekster heeft bij brief van 16 april 2002 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster bij brief van 16 april 2002 aan de voorzieningenrechter van de rechtbank meegedeeld het eerder gedane verzoek om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te handhaven.

Verweerder heeft bij brief van 25 april 2002 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Een verweerschrift is op 1 mei 2002 ingezonden.

De ontheffinghouder heeft op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als partij aan het geding deelgenomen.

Partijen hebben afschriften van de gedingstukken ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 mei 2002, alwaar namens verzoekster - daartoe ambtshalve opgeroepen - [gemachtigde] is verschenen. Voor verweerder is - daartoe ambtshalve opgeroepen - verschenen mr. J.M. Hagoort. Verder is de ontheffinghouder verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] van de Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Zoals uit het navolgende zal blijken is er ook overigens geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten en omstandigheden

Op 22 maart 2002 is door [secretaris] namens WBE "De grensstreek" op grond van artikel 27 van de Jachtwet een vergunning aangevraagd voor het onder zich hebben, het vervoeren en het doden (of pogen te doden) van roeken voor de periode 22 maart 2002 tot en met 1 januari 2004. Bij deze aanvraag is een omschrijving van het project "experiment bejaging en verjaging van Roeken in Zuidoost Drenthe", zoals deze door de NLTO, KNJO, WBE, Provincie Drenthe en het Faunafonds is goedgekeurd, gevoegd.

Bij het bestreden besluit van 9 april 2002 heeft verweerder aan de ontheffinghouder voor de periode 10 april 2002 tot en met 31 december 2003 ontheffing verleend voor het in het kader van wetenschappelijk onderzoek onder zich hebben, vervoeren, ten vervoer aanbieden, afleveren en doden van exemplaren van de roek (Corvus frugilegus), met als doel inzicht te verkrijgen in het effect van verschillende verjagingsmethoden en als mogelijk resultaat dat op termijn minder afschot nodig zal zijn. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden. Daarin is onder meer opgenomen dat vaste medewerkers van WBE "De Grensstreek" die staan vermeld op de lijst van ontheffinghouders die bij de aanvraag is gevoegd middels een machtiging gebruik mogen maken van de verleende vergunning en dat het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de projectomschrijving "experiment bejaging en verjaging van Roeken in Zuidoost Drenthe" met bijbehorende kaart.

Standpunten partijen

Verzoekster geeft aan bezwaar te hebben tegen het doden van roeken in het algemeen en tegen het doden van deze dieren in het broedseizoen in het bijzonder. Verzoekster wijst er daarbij op dat roeken, alsmede hun nesten, wettelijke bescherming genieten. Volgens verzoekster is het doden van dieren in het broedseizoen ook inhumaan. Verzoekster betwijfelt het wetenschappelijk gehalte van het experiment waarvoor de ontheffing is verleend en geeft daarbij aan dat het experiment er alleen toe zal leiden dat de dieren zich naar andere gebieden verplaatsen.

Verzoekster stelt verder nog dat het bestreden besluit niet juist is gepubliceerd, nu die publicatie alleen in de Staatscourant heeft plaatsgevonden en niet tevens in een of meer dag-, nieuws, of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze is gepubliceerd.

Ten aanzien van het vereiste spoedeisend belang wijst verzoekster er op dat op dit moment al roeken worden doodgeschoten en dat juist nu het broedseizoen is.

In het verweerschrift wordt verwezen naar het verweerschrift zoals dat is ingediend in de zaak bij de rechtbank bekend onder nummer 01/723 BESLU. In dit verweerschrift is aangegeven dat aan de basisvoorwaarden van het opstarten van een onderzoek wordt voldaan, waarbij er op wordt gewezen dat de uitvoering van het onderzoek door een daartoe ingeschakeld bureau plaatsvindt, dat de resultaten van het onderzoek kunnen worden gebruikt om standpunten te formuleren hoe in de toekomst zo goed mogelijk kan worden omgegaan met de aanwezigheid van roeken en de kans op schade en dat de partijen die bij het onderzoek betrokken zijn uit alle geledingen komen, waaraan volgens verweerder niet af doet dat de Vogelbescherming zich heeft teruggetrokken en de Dierenbescherming geen betrokkenheid wenst bij de bejaging. Verweerder wijst er voorts op dat het voor de bepaling van de effectiviteit van de overige wijzen van schadebeperking van belang is dat er, ter vergelijking, in een deel van het proefgebied ook afschot gehanteerd wordt in de periode dat de schade optreedt. Nu die schade vooral optreedt tijdens het broedseizoen is er volgens verweerder een gegronde reden ook tijdens het broedseizoen roeken te schieten, waarbij verweerder er op wijst dat de EG-Richtlijn van 2 april 1979 zich hiertegen niet verzet.

Beoordeling

Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling toe te komen, ziet de voorzieningenrechter zich geplaatst voor de vraag of verzoekster wel belanghebbende is bij het bestreden besluit en daartegen als zodanig rechtsmiddelen kan aanwenden. Gelet op de doelomschrijving in de statuten, zijnde de bescherming van het milieu in al zijn verschijningsvormen, de feitelijke werkzaamheden van verzoekster, welke mede liggen op het terrein van het beschermen van dieren en gelet op de tekst van de considerans van de Vogelrichtlijn, waaruit blijkt dat onder het begrip milieu ook acties de vogelbescherming betreffende vallen, gaat de voorzieningenrechter er - net als partijen - voorshands vanuit dat verzoekster belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb .

De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat de onderhavige ontheffing is verleend aan [secretaris] en niet aan de rechtspersoon WBE "de Grensstreek". Ter zitting is door verweerder aangegeven dat hier sprake is van een vergissing en dat beoogd is de ontheffing aan WBE "De Grensstreek" te verlenen. De voorzieningenrechter acht dit aannemelijk en gaat ervan uit dat voornoemde vergissing in bezwaar zal worden rechtgezet.

De voorzieningenrechter komt thans toe aan de vraag of er aanleiding is de verleende ontheffing, in afwachting van de beslissing op het bezwaarschrift van verzoekers te schorsen. Daarbij is van belang dat namens verzoekster ter zitting (desgevraagd) is aangegeven dat haar bezwaren voornamelijk zijn gelegen in de in de verleende ontheffing neergelegde bevoegdheid roeken te doden, zodat de voorzieningenrechter zijn beoordeling thans daartoe beperkt.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Richtlijn van de Raad van 2 april 1979, inzake het behoud van de vogelstand (79/409 EEG), verder de Vogelrichtlijn, juncto bijlage II bij deze richtlijn mag op de roek alleen worden gejaagd in Frankrijk, Engeland en Zweden en derhalve niet in Nederland.

In artikel 9 van de Vogelrichtlijn is bepaald dat de lidstaten, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, mogen afwijken van (onder meer) artikel 7, (onder meer) ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren en voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs.

In artikel 9 van de Flora- en faunawet is, voor zover hier van belang, bepaald dat het verboden is dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort te doden. Op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, van de Flora- en Faunawet juncto bijlage 2 bij de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten is de roek aangewezen als een beschermde inheemse diersoort.

Ingevolge artikel 75, derde lid, van de Flora- en faunawet kan de minister, voorzover niet overeenkomstig artikel 68 van de ze wet door gedeputeerde staten ontheffing is of kan worden verleend, ontheffing verlenen van onder meer het bepaalde bij of krachtens artikel 9 van de Flora- en faunawet . In het vierde lid van artikel 75 is, voor zover hier van belang, bepaald dat ontheffingen, tenzij uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties noodzaakt tot het verlenen van ontheffing om andere redenen, slechts worden verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort en ten behoeve van de in dat artikellid aangegeven belangen, waaronder onderzoek en onderwijs.

De grondslag voor het bestreden besluit vormt - zo is ter zitting door verweerder bevestigd - artikel 75, derde en vierde lid, van de Flora- en faunawet . Verweerder heeft in de onderhavige zaak van de in deze artikelleden neergelegde bevoegdheid gebruik gemaakt om de effectiviteit van verschillende methoden, gericht op het beperken van de schade die roeken aan landbouwgewassen veroorzaken, te onderzoeken.

Hoewel op grond van artikel 7 van de Vogelrichtlijn het jagen op roeken verboden is, kan hiervan op grond van artikel 9 van de Vogelrichtlijn worden afgeweken onder meer ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs. De strekking van de Vogelrichtlijn, alsmede de in artikel 9 van de richtlijn opgenomen zinsnede dat er geen andere bevredigende oplossing dient te bestaan, brengt mee dat met de in artikel 9 van de Vogelrichtlijn opgenomen uitzonderingen zeer terughoudend dient te worden omgegaan.

Aangenomen kan worden dat de roek, juist in het broedseizoen - omdat dan het graan pas is ingezaaid - belangrijke schade aan gewassen veroorzaakt en dat het onderhavige onderzoek er op is gericht door middel van een onderzoek naar de verschillende methoden, waaronder het afschieten van roeken, te komen tot een beperking van de hierbedoelde schade. Daarmee kan worden aangenomen dat zich omstandigheden voordoen die een uitzondering op het in artikel 7 van de Vogelrichtlijn neergelegde verbod kunnen rechtvaardigen.

Nu het project er op gericht is, naast het afschieten van roeken, ook andere methoden om schade aan landbouwgewassen te beperken te onderzoeken, kan (nog) niet worden gesteld dat een andere bevredigende oplossing bestaat. Dit zal afhangen van de resultaten van het onderhavige onderzoek en daarop kan thans niet worden vooruitgelopen. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de mogelijkheid achteraf de door roeken veroorzaakte schade aan landbouwgewassen vergoed te krijgen geen bevredigende oplossing is als hier bedoeld.

Als mogelijk resultaat van het project wordt genoemd dat op termijn minder afschot nodig zal blijken te zijn. Hieruit volgt dat niet op voorhand kan worden gesteld dat afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Het voorgaande brengt mee dat verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd was op grond van artikel 75, derde lid, van de Flora- en faunawet ontheffing te verlenen. In dit verband is nog van belang dat bij de voorzieningenrechter vooralsnog geen twijfel bestaat over het wetenschappelijk gehalte van het project. Daaromtrent is door verzoekster ook onvoldoende naar voren gebracht. De ontheffing is voorts verleend voor een beperkte, aangegeven, periode en voor een beperkt grondgebied. In zoverre kan niet worden gezegd dat verweerder van zijn bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken.

De voorzieningenrechter constateert echter nog wel dat in het bestreden besluit ontheffing wordt verleend voor het doden van roeken, zonder dat daarbij nadere grenzen zijn aangegeven omtrent de maximale hoeveelheid roeken die mogen worden afgeschoten. Daarmee is niet voldoende gewaarborgd dat niet meer roeken worden gedood dan strikt noodzakelijk is. Evenwel wordt hierin geen aanleiding gevonden het bestreden besluit te schorsen, gelet op de ter zitting gegeven toelichting omtrent de feitelijke gang van zaken, voortvloeiend uit het project. Blijkens de projectomschrijving blijven de geschoten roeken gedurende de dag liggen om de effectiviteit van verjaging te vergroten en de kans op meer afschot te verkleinen. Voorts is ter zitting verklaard dat niet meer roeken worden afgeschoten dan in het belang van het onderzoek ter voorkoming van schade aan gewassen strikt noodzakelijk is en dat er vooralsnog maar weinig roeken daadwerkelijk zijn afgeschoten.

In de beslissing op het bezwaarschrift zal aan dit punt nog wel een nadere invulling moeten worden gegeven.

Hetgeen door verzoekster naar voren is gebracht omtrent de wijze van publicatie is, daargelaten de juistheid daarvan, geen reden tot schorsing van het bestreden besluit over te gaan, reeds omdat verzoekster daardoor hoe dan ook niet in haar belangen is geschaad.

Het voorgaande brengt mee dat verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid van zijn in artikel 75, derde lid, van de Flora- en faunawet neergelegde bevoegdheid ontheffing te verlenen gebruik heeft kunnen maken en dat ook niet kan worden gezegd dat de Vogelrichtlijn zich in de onderhavige situatie tegen het gebruik maken van deze bevoegdheid verzet. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr., voorzieningenrechter en uitgesproken in het

openbaar op

door mr. J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Tobé, griffier.

mr. L.M. Tobé mr. J.S. van der Kolk

Afschrift verzonden op:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature