Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Uitspraak



Arrondissementsrechtbank Leeuwarden

Meervoudige kamer

voor

bestuursrechtelijke zaken

Kenmerk: 00/808 WSFBSF P01 G12

U I T S P R A A K

In het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, (Groningen), verweerster.

I. Procesverloop

Eiseres heeft bij het College van beroep studiefinanciering beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster d.d. 23 mei 2000. In dit besluit werd beslist op de bezwaren van eiseres tegen verweersters besluiten Bericht 1999 no. 4 d.d. 10 april 2000 en Bericht 2000 no. 3 d.d. 21 april 2000.

Verweerster heeft de gedingstukken en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben van de gedingstukken afschriften gekregen.

Het beroepschrift is bij brief van 29 september 2000 ter verdere behandeling doorgezonden naar de Arrondissementsrechtbank te Assen, daar het College van beroep studiefinanciering per 1 januari 2001 zal worden opgeheven.

Bij brief van 6 april 2001 heeft de rechtbank nadere vragen aan verweerster gesteld, die zijn beantwoord bij brief van 4 mei 2001.

Mr. L.P.F.M.C. Leeters, advocaat te Haaksbergen, heeft zich bij brief van 31 mei 2001 gesteld als gemachtigde.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 12 juni 2001.

Eiseres is in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Leeters, voornoemd.

Voor verweerster is verschenen mr. P.E. Merema, juridisch medewerker bij de afdeling Bezwaar, Beroep en Juridische Zaken van de Informatie Beheer Groep.

II. Motivering

a. Algemeen

Met ingang van 1 januari 2001 is het College van beroep studiefinanciering (hierna: het College) opgeheven en zijn, gelet op het bepaalde in artikel VIII, eerste lid, van de Wet opheffing College van beroep studiefinanciering, de bij het College aanhangige zaken van rechtswege in de stand waarin zij zich bevonden overgedragen aan de rechtbank, die bij toepassing van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevoegd zou zijn geweest het beroep te behandelen.

b. Feiten en omstandigheden

Eiseres volgde vanaf 1 september 1997 de voltijdstudie [studie], een verkorte opleiding van 2 jaar, aan de Hogeschool [school] te [plaats]. Op haar daartoe strekkend verzoek is aan eiseres studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering (WSF) toegekend. Tevens werd haar een OV-studentenkaart verstrekt.

Eiseres heeft deze OV-kaart op 6 september 1999 bij het postkantoor ingeleverd, alwaar deze kaart werd vernietigd.

Op 13 september 1999 heeft eiseres bij formulier ‘vergoeding/vragen OV-studentenkaart’ verweerster verzocht haar weer in het bezit te stellen van een OV-studentenkaart, waarbij ze heeft vermeld dat ze dacht dat haar recht op een dergelijke kaart beëindigd was, wat niet het geval bleek te zijn.

Enkele weken daarna heeft eiseres een nieuwe OV-kaart voor 1999 en 2000 afgehaald.

Bij besluit van 25 september 1999 heeft verweerster eiseres bericht dat zij vanaf 1 september 1999 alleen recht heeft op een lening omdat aan haar het maximaal aantal maanden basisbeurs en/of aanvullende beurs is toegekend.

Bij besluit van 16 oktober 1999 heeft verweerster eiseres bericht dat zij op 1 januari 2000 nog 56 maanden recht heeft op studiefinanciering in de vorm van een lening en tevens dat er recht bestaat op een OV-studentenkaart.

Op 6 april 2000 heeft eiseres telefonisch aan verweerster doorgegeven dat zij per 1 september 1999 haar studie als extraneus heeft voortgezet en dat de studiefinanciering per die datum dient te worden stopgezet.

Bij besluit van 10 april 2000 heeft verweerster eiseres bericht dat zij vanaf 1 september geen recht heeft op studiefinanciering omdat de aanvraag is beëindigd.

Onder de rubriek 'Wijzigingen' staat vermeld:

Per 1 september 1999: Aanvraag: basisbeurs en lening.

Per 1 september 1999: OV-recht: geen recht op een ov-studentenkaart en/of ov-vergoeding.

Per 2 september 1999: Aanvraag: geen.

Eiseres heeft de OV-kaart op 13 april 2000 weer bij het postkantoor ingeleverd.

Bij besluit van 21 april 2000, Bericht 2000 no. 3, is eiseres medegedeeld dat als gevolg van het feit dat zij geen recht heeft op een OV-studentenkaart er een OV-schuld is ontstaan van ¦ 2100,--.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 2 mei 2000 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij gesteld dat zij, nadat zij op 6 september 1999 telefonisch contact heeft gehad met een medewerkster van verweerster (Cindy Brafs genaamd) over de vraag of en hoe ze wijzigingen, die betrekking hadden op haar studie door moest geven, nu eiseres had besloten zich als extraneus in te laten schrijven bij de studie [studie].

De medewerkster van verweerster zou eiseres er op hebben geattendeerd, dat zij als extraneus wel degelijk recht had op een OV-kaart, die ze enkele weken daarna bij het postkantoor heeft afgehaald.

Een medewerker van HBO-[school] heeft haar er in april 2000 op gewezen dat dit ten onrechte was gebeurd, waarna ze de OV-kaart onmiddellijk weer heeft ingeleverd.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard onder verwijzing naar het gestelde in artikel 12, tweede lid, onderdeel b, WSF, in samenhang met artikel 16, derde lid, WSF , en artikel 32f WSF . Daarbij is gesteld dat eiseres ten onrechte een nieuwe (tweede) kaart voor 1999 en 2000 heeft afgehaald. Hiervoor is zij een bedrag verschuldigd van ¦ 150,-- per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand. Voorts heeft verweerster medegedeeld dat geen aanleiding is gezien voor toepassing van artikel 32f, vierde lid, WSF .

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 29 juni 2000 beroep ingesteld bij het College.

In het verweerschrift van 5 september 2000 heeft verweerster in twijfel getrokken dat eiseres op 13 september 1999 telefonisch contact heeft gehad met Cindy Brafs omdat een dergelijke naam niet in het personeelsbestand voorkomt.

Voorts heeft verweerster het onaannemelijk geacht dat één van haar medewerkers zou hebben gesteld dat eiseres per 1 september 1999 wél recht op studiefinanciering en OV-kaart had, aangezien zij per die datum als extraneus stond ingeschreven en niet als voltijdstudent.

Mogelijkerwijs heeft eiseres bij haar vraagstelling aan de medewerker de nadruk gelegd op het feit dat zij per september 1999 een zogenaamde nul-lening zou aanvragen. In een dergelijke situatie bestaat namelijk recht op een OV-kaart mits aan de andere voorwaarden uit de WSF is voldaan.

c. Beoordeling

Ten aanzien van de rechtmatigheid van het bestreden besluit overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat van de zijde van verweerster in de bezwaarfase geen enkel onderzoek is ingesteld naar hetgeen door eiseres in het bezwaarschrift is aangevoerd.

Eerst in beroep is hieraan door verweerster aandacht geschonken, zoals blijkt uit het verweerschrift van 5 september 2000. Hiermee is verweerster naar het oordeel van de rechtbank duidelijk tekortgeschoten in een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, dat dan ook een deugdelijke motivering ontbeert. Het besluit kan dan ook niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.

De rechtbank ziet echter redenen om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.

In artikel 16 WSF is bepaald dat aan de basisbeurs een reisvoorziening wordt toegevoegd. Op grond van het bepaalde in artikel 32a WSF kan de reisvoorziening bestaan uit een OV-kaart. Dit betekent dat het recht op een OV-kaart is verbonden aan het recht op studiefinanciering.

In artikel 32f, eerste lid, WSF is bepaald dat de studerende verplicht is de OV- kaart in te leveren op een door de verstrekker van de kaart aan te geven wijze uiterlijk op de vijfde werkdag nadat zijn recht op studiefinanciering is beëindigd.

Ingevolge artikel 32f, derde lid, WSF is bij het niet tijdig inleveren van de OV- kaart degene, aan wie de kaart is verstrekt, aan de verstrekker van die kaart voor het nog resterende deel van de geldigheidsduur ervan een bedrag van ¦ 150,-- per halve kalendermaand of deel daarvan verschuldigd, ongeacht of gebruik is gemaakt van de kaart.

In artikel 9, eerste lid, WSF is bepaald dat voorwaarde is voor het in aanmerking komen voor studiefinanciering dat de studerende onderwijs volgt in Nederland en is ingeschreven als student in de zin van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs aan een in artikel 8 van die wet genoemde universiteit voor het volgen van in voltijdse vorm verzorgd onderwijs.

Vast staat dat eiseres zich voor het studiejaar 1999/2000 als extraneus heeft laten inschrijven voor de studie toerisme.

Gelet op het vorenstaande voldoet eiseres per 1 september 1999 derhalve niet aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, eerste lid, WSF , zodat moet worden gesteld dat eiseres vanaf 1 september 1999 geen recht heeft op studiefinanciering, als gevolg waarvan zij per die datum ook geen recht had op een OV-studentenkaart.

Ingevolge artikel 32f, derde lid, WSF is een studerende bij niet tijdige inlevering van de OV-studentenkaart een bedrag aan verweerster verschuldigd van ¦ 150,-- per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand, ongeacht of gebruik is gemaakt van de kaart. In het onderhavige geval betekent dit dat eiseres wegens het onterecht kaartbezit een bedrag aan verweerster verschuldigd is van 14 x ¦ 150,-, derhalve van ¦ 2100,--.

In 32f, vierde lid, WSF is bepaald dat het eerste lid van deze bepaling niet van toepassing is met betrekking tot een periode waarvan degene aan wie de OV-studentenkaart is toegekend, aantoont dat het niet tijdig inleveren van de kaart hem op geen enkele wijze kan worden toegerekend.

Eiseres heeft zich beroepen op het ontbreken van (enige) verwijtbaarheid bij het afhalen c.q. niet inleveren van de kaart, nu zij door een medewerkster van verweerster er op werd gewezen dat zij wél recht had op een OV-studentenkaart, een kaart die door verweerster werd aangemaakt en vervolgens door eiseres werd afgehaald. Op deze toezegging zou zijn vertrouwd.

De rechtbank is van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat zijdens verweerster uitdrukkelijke en ongeclausuleerde onjuiste inlichtingen zijn verstrekt of toezeggingen zijn gedaan die bij eiseres gerechtvaardigde en gedragsbepalende verwachtingen hebben gewekt ten aanzien van het OV-studentenkaartbezit.

Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat van de zijde van verweerster uitdrukkelijk is verklaard dat zij geen persoon met de naam Cindy Brafs in dienst heeft. Voorts acht de rechtbank het weinig waarschijnlijk dat een medewerker van verweerster een dergelijke uitlating, welke haaks staat op hetgeen bij wet is geregeld, in zou hebben gedaan. Ten slotte had eiseres, zelfs indien een medewerker van verweerster een dergelijke uitlating zou hebben gedaan, daarop niet zonder nadere verifiëring af mogen gaan, nu uit door verweerster verstrekte brochures het tegendeel blijkt van hetgeen eiseres heeft aangenomen.

De (enkele) omstandigheid dat eiseres in de veronderstelling verkeerde en er op vertrouwde dat zij recht had op een OV-studentenkaart levert niet een situatie op als bedoeld in artikel 32f, vierde lid, WSF .

De rechtbank ziet aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb . De kosten, die eiseres in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken kunnen worden begroot op ƒ 710,-- wegens kosten van rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

• verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

• bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

• veroordeelt verweerster in de kosten aan de zijde van eiseres gevallen ten bedrage van ƒ 770,--, te betalen door de Informatie Beheer Groep, waarvan ƒ 710,-- aan de griffier van de Arrondissementsrechtbank te Assen en het griffierecht ad ƒ 60,-- aan eiseres dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. H.J. de Mooij , voorzitter en mrs. J.H. de Wildt en

T.F. Bruinenberg en H.J. Boerma als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2001

door mr. H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van H.J. Boerma, griffier.

H.J. Boerma mr. H.J. de Mooij

Afschrift verzonden op:

typ: HJB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature