< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 02/220 15 april 2002

18400 Gaswet

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

B.V. Netbeheer Haarlemmermeer, te Hoofddorp, verzoekster,

gemachtigde: mr M. de Rijke, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen

de directeur van de Dienst uitvoering en toezicht Energie (DTe), te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr H.C.T.M. Borburgh.

1. De feiten

Bij besluit van 19 december 2001 (nr.: 100535/12) heeft verweerder verzoekster op grond van artikel 13, derde lid, van de Gaswet (Wet van 22 juni 2000, houdende regels omtrent het transport en de levering van gas, Stb. 2000, 305) een bindende aanwijzing gegeven, inhoudende dat verzoekster binnen een termijn van een maand na bekendmaking van dit besluit de indicatieve tarieven en voorwaarden voor het jaar 2002 dient vast te stellen met in achtneming van enkele in het besluit vermelde bepalingen van de Gaswet en de Richtlijnen Gastransport.

Bij brief van 21 januari 2002 heeft verzoekster een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit van verweerder.

Bij brief van gelijke datum, ter griffie van het College ontvangen op 22 januari 2002, heeft verzoekster zich tevens tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek om een voorlopige voorziening, strekkende tot schorsing van het besluit van 19 december 2001.

Bij besluit van 25 januari 2002 (nr.: 100520/22) heeft verweerder onder meer besloten tot wijziging van zijn bovenvermelde besluit van 19 december 2001 in die zin dat de werking van de aan verzoekster gegeven bindende aanwijzing ex artikel 13, derde lid, van de Gaswet gedeeltelijk wordt opgeschort tot zes weken nadat op de door verzoekster ingediende bezwaren is beslist.

Bij faxbericht van 6 februari 2002 heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure.

Bij brief van 8 februari 2002 is verweerder in de gelegenheid gesteld schriftelijk op het verzoek om proceskostenveroordeling te reageren.

Bij faxberichten van 22 maart 2002 en 4 april 2002 heeft verweerder de voorzieningenrechter medegedeeld dat hij geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om verweer te voeren tegen het verzoek om veroordeling in de kosten van de procedure en ervan uitgaat dat het verzoek conform het Besluit proceskosten bestuursrecht zal worden afgehandeld.

2. De beoordeling

Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

Nu verweerder ter zake geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en ook overigens geen feiten of omstandigheden bekend zijn die tot een ander oordeel nopen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bij het besluit van 25 januari 2002 aan verzoekster gedeeltelijk is tegemoetgekomen. Gelet hierop ligt het verzoek om kostenveroordeling kennelijk voor toewijzing gereed en veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten van het geding.

Rekening houdend met de omstandigheid dat het verzoek van verzoekster nagenoeg gelijktijdig met een tweetal gelijkluidende verzoeken (AWB 02/209 en AWB 02/221) is ingediend tegen nagenoeg identieke besluiten van verweerder, zodat met een inhoudelijk gelijkluidend verzoekschrift kon worden volstaan, alsmede dat in deze drie zaken rechtsbijstand is verleend door éénzelfde gemachtigde, en gelet op bijlage C1 bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten begroot op 1 (verzoekschrift) x 1 (gewicht) : 3 (samenhangende zaken) x € 322,-- = € 107,33.

Het griffierecht dient ingevolge het bepaalde bij artikel 8:82, derde lid, van de Awb aan verzoekster te worden terugbetaald.

Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:84 van de Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb toe;

- veroordeelt verweerder in de kosten die verzoekster in verband met het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs

heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 107,33 (zegge: honderdenzeven euro en drieëndertig cent);

- wijst de Nederlandse Mededingingsautoriteit aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 218,-- (zegge: tweehonderdachttien euro) door de griffier wordt

terugbetaald;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2002.

w.g. R.R. Winter w.g. M.S. Hoppener


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature