< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No.AWB 02/319 22 februari 2002

32010

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

Aventis CropScience Benelux B.V., te Oosterhout, verzoekster,

gemachtigde: mr W.B. Kroon, advocaat te Breda,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), zetelend te Wageningen, verweerder,

gemachtigde: mr M.K. Polano.

1. De procedure

Bij besluit van 21 december 2001 heeft verweerder, onder verwijzing naar de artikelen 3, 3a en 4 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: de Wet), de aanvraag van verzoekster van 30 september 1997 tot verkrijging van een verlenging van de toelating voor het middel Symphonie afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 21 januari 2002 een bezwaarschrift ingediend. Voorts heeft verzoekster bij verzoekschrift van 7 februari 2002, per fax bij het College ontvangen op die datum, de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het hiervoor genoemde besluit van 21 december 2001 onder bepaling dat het middel moet worden behandeld als ware het toegelaten, althans te bepalen dat het middel mag worden verkocht, in voorraad worden gehouden en mag worden gebruikt tot zes weken nadat op het bezwaarschrift zal zijn beslist.

Verweerder heeft op 12 februari 2002 schriftelijk op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd.

Bij separate brief van 12 februari 2002 heeft verweerder het CSR adviesrapport 08604A00 van 29 oktober 2001 als bijlage overgelegd bij voornoemde reactie en heeft verweerder, met een beroep op het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb , meegedeeld dat uitsluitend de voorzieningenrechter kennis zal mogen nemen van dit rapport omdat het rapport een MTR-berekening betreft op basis van gegevens die in het kader van een aanvraag om toelating van een bestrijdingsmiddel zijn ingediend en om die reden als bedrijfsgeheim worden gezien.

Bij uitspraak van 13 februari 2002 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb afgewezen omdat, kortweg, voormeld adviesrapport louter is gebaseerd op gegevens die van verzoekster zelf afkomstig zijn en er geen derde belanghebbende partijen aan het geding deelnemen.

De voorzieningenrechter heeft het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 15 februari 2002, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben uiteengezet. De gemachtigde van verzoekster heeft zich doen bijstaan door mr M.W.L. Simons-Vinckx, advocaat, en A en B, beiden werkzaam bij verzoekster, de gemachtigde van verweerder door C, werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De voor de rechtsoverwegingen van belang zijnde toepasselijke regelgeving

2.1.1 Artikel 4 van Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, waarvan de bijlagen nadien enkele malen zijn gewijzigd (PbEG L230/1, hierna: de Richtlijn), welk artikel betrekking heeft op de verlening, herziening en intrekking van toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" 1. De Lid-Staten zien erop toe dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten indien:

(…)

b) op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van het onderzoek van het dossier overeenkomstig bijlage III, is vastgesteld dat het middel, wanneer het overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 3, wordt gebruikt en rekening wordt gehouden met alle normale omstandigheden waaronder het kan worden gebruikt, en met de gevolgen van het het gebruik:

(…)

v) geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de volgende aspecten:

- de plaats waar het middel in het milieu terechtkomt en wordt verspreid, met name voor wat betreft besmetting van het water, met inbegrip van drinkwater en grondwater,

- de gevolgen voor niet-doelsoorten;

(…)

4. Onverminderd het bepaalde in de leden 5 en 6 worden toelatingen slechts voor een bepaalde, door de Lid-Staten vastgestelde termijn van ten hoogste 10 jaar verstrekt; zij kunnen worden verlengd nadat is geverifieerd dat nog steeds aan de voorwaarden van lid 1 wordt voldaan. Indien een aanvraag voor een verlenging is ingediend kan zo nodig voor de periode die de bevoegde instanties van de Lid-Staat voor een dergelijke verificatie nodig hebben verlenging worden toegestaan.

5. Een toelating kan te allen tijde worden herzien indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan de in lid 1 genoemde eisen. In een dergelijk geval kan de Lid-Staat van de aanvrager van de toelating of van degene aan wie overeenkomstig artikel 9 toestemming tot uitbreiding van het gebruik is verleend, verlangen om ten behoeve van de herziening aanvullende informatie te verschaffen. De toelating kan zo nodig worden gehandhaafd voor de periode die nodig is om de herziening af te handelen en om deze aanvullende informatie te verschaffen.

6. Onverminderd reeds ingevolge artikel 10 genomen besluiten, wordt een toelating ingetrokken indien blijkt dat:

a) niet of niet meer wordt voldaan aan de eisen ter verkrijging van de toelating;

b) onjuiste of misleidende informatie is verstrekt met betrekking tot de gegevens op basis van waarvan de toelating werd verstrekt;

of wordt zij gewijzigd indien blijkt dat

c) op grond van de nieuwe ontwikkeling van de wetenschappelijk en technische kennis de wijze van gebruik en gebruikte hoeveelheden kunnen worden gewijzigd.

Ook kan de toelating worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de houder van de toelating, met opgave van de redenen van zijn verzoek; wijzigingen kunnen slechts worden toegestaan indien wordt geconstateerd dat nog steeds aan de eisen van artikel 4, lid 1, wordt voldaan.

Wanneer een Lid-Staat een toelating intrekt, stelt hij de houder van de toelating daarvan onverwijld in kennis; voorts kan hij hem een termijn stellen voor de verwijdering, het op de markt brengen of het gebruiken van de bestaande voorraden voor een periode die in verhouding staat tot de redenen van intrekking, (…)."

2.1.2 Artikel 2 van de Wet, zoals laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 12 november 1998 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 in verband met de instelling van een College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (Stb. 1998/689, hierna: de Wijzigingswet 1998), luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" 1. Het is verboden een bestrijdingsmiddel af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, waarvan niet blijkt dat het ingevolge deze wet is toegelaten.

(…)

5. Het college maakt in de Staatscourant bekend dat een bestrijdingsmiddel, dat niet meer is toegelaten, gedurende een bij die bekendmaking bepaalde termijn in afwijking van het in het eerste lid bedoelde verbod nog mag worden afgeleverd, gebruikt dan wel in voorraad of voorhanden gehouden. Daarbij kan het voorschriften met betrekking tot het gebruik geven als bedoeld in artikel 5, tweede lid.

6. Bij regeling van Onze betrokken Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aflevering of het in voorraad of voorhanden hebben van de in het vijfde lid bedoelde bestrijdingsmiddelen. Daarbij kunnen tevens regelen worden gesteld omtrent de verwijdering binnen een daarbij te bepalen tijdvak van een niet meer toegelaten bestrijdingsmiddel.

(…)"

In de oorspronkelijke tekst van artikel 2 ontbraken het vijfde en zesde lid. Het vijfde lid, dat aan artikel 2 van de Wet is toegevoegd bij de Wet van 5 juni 1975 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 1975/381, hierna: de Wijzigingswet 1975), luidde oorspronkelijk:

" Onze betrokken Minister kan bij in de Staatscourant bekend te maken beschikking, in afwijking van het in het eerste lid gestelde verbod, toestaan dat een bestrijdingsmiddel, dat niet meer is toegelaten, nog gedurende een bij zijn beschikking te bepalen tijdvak wordt gebruikt en door de gebruikers voorhanden wordt gehouden met inachtneming van de bij die beschikking te geven voorschriften."

In de Nota naar aanleiding van eindverslag van 23 december 1974 in het kader van het wetsontwerp dat leidde tot de Wijzigingswet 1975 (kamerstukken 1974 - 1975, 11 262, nr. 9) is over deze bepaling opgemerkt:

" Inmiddels is de behoefte naar voren gekomen bij de tweede nota van wijzigingen nog een vijfde lid toe te voegen aan artikel 2. De ze nieuwe bepaling houdt in dat de betrokken Minister het gebruiken en door gebruikers voorhanden hebben van niet meer toegelaten bestrijdingsmiddelen nog gedurende een bepaalde tijd na het einde van de toelatingstermijn kan toestaan. Aan deze bepaling liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

Mede als gevolg van een intensieve controle doet zich in toenemende mate de vraag voor of het redelijk is dat de gebruiker, die na beëindiging van de toelating van een middel nog een hoeveelheid van dat middel heeft en deze opgebruikt, onder alle omstandigheden strafbaar wordt gesteld, hetgeen thans principieel het geval is. De ondergetekenden menen dat men in dit verband onderscheid moet maken naar gelang van de wijze waarop beëindiging van de toelating is geschied. Is de toelating van overheidswege ingetrokken of is verlenging ervan geweigerd dan moet een verder gebruik van het middel uiteraard verhinderd worden wegens de daaraan verbonden bezwaren. Er zijn echter ook verscheidene gevallen waarin een toelating niet wordt verlengd omdat de houder van de toelating daarop geen prijs meer stelt. Bij die gevallen doet zich meermalen de situatie voor dat tegen een verlenging geen bezwaren van overheidswege zouden bestaan. In die situatie is het dan ook redelijk en verantwoord de gebruikers van het betrokken middel gedurende een bepaalde tijd de gelegenheid te geven hun resterende voorraad legaal op te gebruiken. Het nieuwe vijfde lid van artikel 2 is uitsluitend daarvoor bedoeld. "

Bij de Wet van 15 december 1994 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 in verband met de implementatie van Richtlijn 91/414/EG (Stb. 1995/4, hierna: de Implementatiewet) is het vijfde lid van artikel 2 van de Wet gewijzigd. Deze bepaling kwam toen als volgt te luiden:

" Onze betrokken Minister kan in afwijking van het in het eerste lid bedoelde verbod bij regeling toestaan dat een bestrijdingsmiddel, dat niet meer is toegelaten, nog gedurende een door hem te bepalen tijdvak wordt afgeleverd, wordt gebruikt of in voorraad of voorhanden wordt gehouden met inachtneming van de bij die regeling gestelde regelen. Bij deze regeling kunnen tevens regelen worden gesteld omtrent de verwijdering binnen een te bepalen tijdvak van een niet meer toegelaten bestrijdingsmiddel."

Omtrent deze wijziging is in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt (kamerstukken Tweede Kamer 1992 - 1993, 23 177, nr. 3):

" Het vijfde lid wordt aangepast in verband met het bepaalde in artikel 4, zesde lid, derde alinea, van de richtlijn [91/414/EG]. Daarin wordt geregeld dat bij de intrekking van de toelating van een middel een termijn gesteld kan worden voor de verwijdering, het op de markt brengen of het gebruiken van de bestaande voorraden. Het huidige vijfde lid biedt de basis voor de zogenoemde opgebruik-regeling. Daar de bepaling uit de richtlijn echter niet alleen op het gebruik ziet maar ook op het op de markt brengen (afleveren) en op het verwijderen, vindt aanpassing plaats. De te stellen termijn zal afhangen van de aard van het bestrijdingsmiddel."

Bij regeling van 9 juli 1997 (Stcrt. 1997/139), houdende wijziging Uitvoeringsregeling bestrijdingsmiddelen, heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister van LNV) invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 2, vijfde lid, van de Wet. Daarbij is onder meer artikel 2 van de Uitvoeringsregeling gewijzigd en een nieuw artikel 2a ingevoegd. Deze - inmiddels vervallen artikelen - luidden, voor zover hier van belang, als volgt:

" Art. 2.-1. Onze betrokken Minister kan op verzoek van de toelatinghouder een niet meer toegelaten bestrijdingsmiddel aanwijzen dat nog gedurende een door hem te bepalen tijdvak mag worden afgeleverd en door fabrikanten en handelaren ten behoeve van afleveren voorhanden of in voorraad mag worden gehouden. Een bestrijdingsmiddel wordt in ieder geval niet aangewezen indien:

a. de beëindiging van de toelating verband houdt met het niet of niet meer voldoen van het bestrijdingsmiddel aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 en 3a van de wet;

(…)

Art. 2a.-1. Onze betrokken Minister kan een niet meer toegelaten bestrijdingsmiddel aanwijzen dat nog gedurende een door hem te bepalen tijdvak mag worden gebruikt en ten behoeve van het gebruik voorhanden of in voorraad mag worden gehouden. Een bestrijdingsmiddel wordt in ieder geval niet aangewezen indien:

(…)

b. beëindiging van de toelating geschiedt op basis van de vaststelling van een schadelijke uitwerking of onaanvaardbare effecten als bedoeld in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 3a van de wet. "

In de in de Staatscourant gepubliceerde toelichting bij deze wijziging is, na de opmerking dat aan de mogelijkheid die artikel 2, vijfde lid, van de Wet biedt tot vaststelling van een aflevertermijn voor niet meer toegelaten bestrijdingsmiddelen invulling wordt gegeven omdat dit in bepaalde gevallen wenselijk kan zijn, opgemerkt:

" De wens hiertoe bestaat met name indien het besluit tot intrekking van een toelating van een bestrijdingsmiddel of het besluit tot het niet verlengen van een toelating van een bestrijdingsmiddel korter dan zes maanden is genomen voor de inwerkingtreding daarvan en dit geen verband houdt met de schadelijkheid van het middel of de beëindiging van de toelating niet plaatsvindt op verzoek of door toedoen van de toelatinghouder."

Voorts is in de toelichting onder meer het volgende opgemerkt:

" Voorts wordt geen opgebruiktermijn vastgesteld voor niet meer toegelaten bestrijdingsmiddelen waarvan een schadelijke uitwerking of onaanvaardbare effecten als bedoeld in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 3a van de wet is geconstateerd. Dit komt overeen met het tot heden gevoerde beleid inzake de vaststelling van opgebruiktermijnen voor niet meer toegelaten bestrijdingsmiddelen."

Bij de Wijzigingswet 1998 is artikel 2, vijfde lid, van de Wet wederom gewijzigd en is een zesde lid toegevoegd. De wijziging met betrekking tot deze artikelleden, die hiervoor reeds zijn opgenomen bij de weergave van artikel 2, zoals dat thans luidt, is als volgt toegelicht (kamerstukken Tweede Kamer, 1995 - 1996, 24 817, nr. 3):

" In deze onderdelen van artikel I worden de wijzigingen in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 aangebracht die voortvloeien uit de instelling van een zelfstandig met de toelating belast college.

De zogenoemde opgebruikregeling zoals voorzien in artikel 2, vijfde lid, van de wet, maakt het mogelijk dat bestrijdingsmiddelen die niet meer zijn toegelaten, nog tijdelijk mogen worden afgeleverd, gebruikt of in voorraad of voorhanden gehouden. Daar in de nieuwe opzet het college zal beslissen omtrent toelatingen en intrekkingen, zal het college de middelen bekend maken die onder de opgebruikregeling vallen en daarbij een termijn stellen. De wijziging van artikel 2, vijfde lid, als voorzien in artikel I, onderdeel B, strekt hiertoe. Het in hetzelfde onderdeel voorziene nieuwe zesde lid van artikel 2 bevat de overige elementen van het bestaande vijfde lid. In het kader van de opgebruikregeling kunnen algemeen geldende regelen worden gesteld. Deze bevoegdheid tot het stellen van algemeen verbindende voorschriften blijft echter bij de verantwoordelijke bewindspersonen. Het nieuwe zesde lid voorziet hierin."

Vervolgens zijn de artikelen 2 en 2a van de Uitvoeringsregeling bij besluit van de Staatssecretaris van LNV van 12 juli 1999 (Stcrt. 1999/136) komen vervallen. De toelichting bij dit besluit luidt als volgt:

" Deze regeling wijzigt voor zover nodig de op de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 gebaseerde ministeriële regelingen in verband met de instelling van een College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, hierna het CTB. De wijzigingen houden alle verband met het feit dat het CTB na inwerkingtreding van de Wet van 12 november 1998 tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 in verband met de instelling van een College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (Stb. 689) zelfstandig kan beslissen over het al dan niet toelaten van bestrijdingsmiddelen. Tot voor deze wetswijziging nam het CTB beslissingen inzake toelatingen van bestrijdingsmiddelen uitsluitend namens de betrokken minister."

2.1.3 Bij de Wet is voorts onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 3

1. Een bestrijdingsmiddel wordt slechts toegelaten indien:

a. op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 3a vastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling, is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt gebruikt:

1. voldoende werkzaam is;

2. geen onaanvaardbare uitwerking heeft op planten of plantaardige

produkten;

3. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de mens, hetzij

direct, hetzij indirect;

4. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van dieren, hetzij

direct, hetzij indirect;

5. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van

degene die het middel toepast;

6. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van

diegenen, die na toepassing van het middel door het verrichten van

werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in aanraking komen;

7. de hoedanigheid van voedingsmiddelen niet schaadt;

8. het welzijn van de te bestrijden gewervelde dieren niet onnodig schaadt;

9. geen schadelijke uitwerking heeft op het grondwater;

10. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, (…)

(…)

Artikel 3 a

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen

worden gesteld met betrekking tot de toelatingscriteria als bedoeld in artikel 3,

eerste lid, onderdeel a, en kunnen beginselen voor de beoordeling worden

vastgesteld.

(…)

Artikel 4

(…)

2. Onze betrokken minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag, de bij een aanvraag door de aanvrager over te leggen gegevens en

zelfstandigheden, de aan de gegevens en zelfstandigheden ten grondslag liggende onderzoeksmethoden en omstandigheden en de wijze van behandeling daarvan.

(…)

Artikel 5

1. De toelating van een bestrijdingsmiddel geldt voor een in het besluit tot

toelating te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren. De toelating kan één of

meerdere malen met ten hoogste tien jaren worden verlengd indien is gebleken

dat nog steeds aan de voorwaarden voor toelating is voldaan..

Zonodig kan de toelating worden verlengd voor de periode die met de

beoordeling van de aanvraag tot verlenging gemoeid is.

(…)"

Ter uitvoering van artikel 3a van de Wet is het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Stb 1995/37) (hierna: Bmb) vastgesteld. In het Bmb zoals dit laatstelijk is gewijzigd is - voorzover hier van belang - het volgende bepaald:

" § 1. Algemene bepalingen

Artikel l

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

c. NOEC: de hoogste concentratie van een stof in een toxiciteitstoets waarbij

geen effect wordt waargenomen;

(…)

e. DT50: tijd die nodig is voor de omzetting van 50% van een hoeveelheid van

een stof;

(…)

i. MTR: maximaal toelaatbaar risiconiveau waarbij het voortbestaan van 95% van de soorten binnen een ecosysteem volledig wordt gewaarborgd;

Artikel 3

1. Onverminderd het tweede lid, wordt een gewasbeschermingsmiddel slechts

toegelaten indien het middel voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 5 tot

en met 7a gestelde regels, (…)

§ 2. Persistentie in de bodem

Artikel 5

1. Het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten hebben

een DT50 van minder dan 90 dagen.

2. Het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten vormen,

bij laboratoriumproeven, geen grondgebonden residuen in hoeveelheden groter

dan 70% van de begindosis na 100 dagen, en hebben geen mineralisatie snelheid lager dan 5% binnen 100 dagen.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de aanvrager

onderscheidenlijk houder van de toelating aantoont:

a. dat de toepassing van het middel en zijn omzettingsprodukten niet leidt tot een onaanvaardbare accumulatie in de bodem dan wel op de lange termijn geen

gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de

doelsoorten, en

b. dat de som van de concentraties waarin het middel en zijn

omzettingsprodukten ontstaan, niet zodanig is dat het MTR voor

bodemorganismen en organismen die afhankelijk zijn van

deze bodemorganismen wordt overschreden twee jaar na het tijdstip waarop het

middel voor het laatst is gebruikt, in de bovenste 20 cm van de bodem op de

plaats waar het middel is gebruikt.

4. Bij regeling van Onze Minister worden voor de toepassing van dit artikel

nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop:

a. de DT50 wordt vastgesteld;

(…)

d. het MTR voor bodemorganismen en daarvan afhankelijke organismen wordt

bepaald;

(…)"

In de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (Stcrt. 41) (hierna: Rtb 1995), een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet, zoals deze laatstelijk is gewijzigd, is het volgende bepaald:

" Art. 7.-1. Aanvragen tot toelating van een bestrijdingsmiddel, tot verlenging van de toelating van een bestrijdingsmiddel en tot wijziging van de samenstelling of uitbreiding van het gebruiksgebied van een toegelaten bestrijdingsmiddel worden ingediend bij het college onder gebruikmaking van aldaar verkrijgbare formulieren.

(…)

-3. Een aanvraag tot verlenging van een toelating wordt tenminste 14 maanden voor de afloop van de toelating ingediend, met dien verstande dat, indien het een aanvraag betreft om verlenging van een toelating als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van de wet, de aanvraag ten minste tien maanden voor de afloop van de toelating wordt ingediend.

-4. Binnen twee weken na ontvangst van het aanvraagformulier wordt de ontvangst van de aanvraag onder mededeling van een aanvraagnummer aan de aanvrager schriftelijk bevestigd. Binnen acht weken na de ontvangst van zowel het aanvraagformulier als de op grond van het tweede lid verschuldigde aanvraagkosten wordt de aanvrager meegedeeld of de aanvraag in behandeling is genomen (…).

-5. Het college kan indien de behandeling van een aanvraag tot verlenging van een toelating niet tijdig kan zijn afgerond de betreffende toelating verlengen voor de duur die benodigd is voor de afronding van deze behandeling.

(…)

Art. 10

1. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vierendertig weken na ontvangst van het op grond van artikel 38 verschuldigde bedrag, wordt de aanvrager een opgave gedaan van door hem, binnen een bij die opgave gstelde termijn alsnog te leveren dan wel aanvullend te leveren gegevens en van te verrichten onderzoekingen (...).

2. Binnen acht weken na de ontvangst van zowel de gegevens, bedoeld in het eerste lid, als het verschuldigde bedrag wordt de aanvrager meegedeeld of de gegevens in behandeling zijn genomen.

(...)

4. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan, indien de overgelegde gegevens aanleiding zouden kunnen zijn voor een besluit houdende gehele dan wel gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag, de procedure overeenkomstig het eerste en tweede lid éénmaal worden herhaald. De aanvrager dient aannemelijk te maken dat de door hem alsnog te leveren gegevens voor het college aanleiding kunnen zijn voor het nemen van een ander besluit dan bedoeld in de eerste volzin.

(…)

Art. 14

1. Het college neemt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een termijn van achtenveertig weken na de ontvangst van het op grond van artikel 38 verschuldigde bedrag dan wel na het in behandeling nemen van de gegevens, bedoeld in artikel 10, en de ontvangst van het in verband met deze gegevens op grond van artikel 38 verschuldigde bedrag, een besluit houdende toe- of afwijzing van de aanvraag.

2. In afwijking van het eerste lid neemt het college op een aanvraag voor een toelating als bedoeld in artikel 25c, eerste lid, van de wet, niet zijnde een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel dat op het moment van indiening van de aanvraag niet was toegelaten, dan wel op een verlenging van een toelating als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van de wet een besluit binnen tien maanden na de indiening van de aanvraag, mits de aanvraag binnen de daartoe op het aanvraagformulier aangegeven termijn volledig bij het CTB is ingediend en de op grond van de artikelen 37 en 38 verschuldigde bedragen binnen de daarvoor gestelde termijnen zijn voldaan.

3. In de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen is niet inbegrepen de duur van een schorsing als bedoeld in artikel 1 2. "

In de ter uitvoering van het Bmb gegeven Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (hierna: Rumb) zoals deze laatstelijk is gewijzigd is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

" § 2. Persistentie in de bodem

Artikel 3

1. De DT50 van een gewasbeschermingsmiddel en van elk van zijn omzettingsproducten worden vastgesteld aan de hand van standaard laboratoriumstudies met betrekking tot de omzettingssnelheid, zoals genoemd in het aanvraagformulier. Als DT50 wordt beschouwd de gemiddelde waarde van de naar standaardomstandigheden omgerekende uitkomsten van geschikt bevonden onderzoek; het beoordelen van de geschiktheid van het onderzoek geschiedt met toepassing van Bijlage I. Indien aan de hand van genoemde laboratoriumstudies een DT50 van 90 dagen of meer wordt vastgesteld, kan,

met toepassing van Bijlage II, alsnog door veldgegevens worden aangetoond dat de DT50 minder dan 90 dagen bedraagt.

(…)

4. Het MTR voor bodemorganismen en daarvan afhankelijke organismen wordt bepaald overeenkomstig het daaromtrent gestelde door het College.

5. De som van de concentraties waarin een gewasbeschermingsmiddel en zijn omzettingsproducten ontstaan, bedoeld in het derde lid, binnen het perceel in de bovenste 20 cm van de bodem is binnen twee jaar na de laatste toepassing kleiner dan het MTR, bedoeld in het vierde lid.

6. Van een onaanvaardbare accumulatie in de bodem is sprake als:

a. de DT50 gelijk is aan of hoger is dan 180 dagen, of

b. de DT50 tussen 90 en 180 dagen ligt en niet is voldaan aan het vijfde lid.

(…)"

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoekster is toelatinghouder van het bestrijdingsmiddel Symphonie op basis van de werkzame stof flutolanil. Het middel wordt toegepast als ontsmettingsmiddel voor pootaardappelen, bestemd voor de teelt van consumptie- en fabrieksaardappelen. De toepassing mag uitsluitend plaatsvinden door middel van een knolbehandeling.

- Bij brief van 30 november 2000 heeft verweerder het voornemen tot beëindiging van alle toepassingen van dit middel met ingang van 1 december 2001 bekend gemaakt, kortweg, omdat flutolanil in Symphonie niet aan de norm voor persistentie, zoals opgenomen in het Bmb, voldoet. Daarbij heeft verweerder verzoekster in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken haar zienswijze omtrent dit voornemen kenbaar te maken.

- Bij besluit van - eveneens - 30 november 2000 heeft verweerder, onder meer onder verwijzing naar artikel 5 van de Wet, de toelating voor Symphonie procedureel verlengd tot 1 december 2001 teneinde verzoekster in de gelegenheid te stellen gegevens te leveren ten behoeve van de berekening van een MTR bodem. In dat besluit is onder meer het volgende vermeld:

" (…)

Beoordeling van het risico voor het milieu

Persistentie en uitspoeling

Persistentie in de bodem

Voor flutolanil zijn de volgende DT50-waarden beschikbaar: 119, 152, 383, 412 dagen (gemiddelde: 267 dagen, range 119 - 412 dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat flutolanil een gemiddelde lab DT50-waarde heeft van 267 dagen. Uit de data blijkt dat na 100 dagen niet meer dan 70% grondgebonden residu van de begindosis in combinatie met minder dan 5% CO2 van de begindosis is gevormd. Op grond van bovenstaande voldoet flutolanil niet aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb) en dient onderstaand onderzoek te worden geleverd:

o In verband met: overschrijding van de grenswaarde van 90 dagen voor de gemiddelde DT50 (lab) voor flutolanil door middel van veldgegevens

aantonen dat DT50 (veld) &lt; 90 dagen is, of,

i. dat de toepassing van het bestrijdingsmiddel niet leidt tot een

onaanvaardbare accumulatie van de werkzame stof en zijn metabolieten, dan wel op de lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van andere soorten dan de doelsoorten én

ii.dat de som van de concentraties waarin de werkzame stof en zijn

metabolieten ontstaan, niet zodanig is dat 2 jaar na het tijdstip waarop het

bestrijdingsmiddel voor het laatst is gebruikt in de bovenste 20 cm van de

bodem op de plaats waar het bestrijdingsmiddel is gebruikt het MTR voor

bodemorganismen en organismen die afhankelijk zijn van deze

bodemorganismen wordt overschreden.

De volgende veld-DT50's zijn beschikbaar: 88, 60, 144, 392, 257, 368 dagen. De gemiddelde veld-DT50 is 218 dagen. Derhalve voldoet flutolanil in eerste instantie niet aan de norm voor persistentie. Wanneer echter binnen de DT50-waarden onderscheid wordt gemaakt naar de toepassingsmethode, blijkt dat flutolanil voor de volveldsbehandeling wel te voldoen aan de persistentienorm. Voor de veldtoepassingen (zie toepassingsoverzicht) zijn veld-DT50-waarden van 88 en 60 dagen beschikbaar, wat een gemiddelde veld-DT50 oplevert van 74 dagen. Op basis van deze beschikbare data voldoet flutolanil voor de veldtoepassingen aan de norm voor persistentie. Ter bevestiging dienen echter wel veldgegevens geleverd te worden voor een derde grondsoort.

Voor pootgoedbehandeling (zie toepassingsoverzicht) van het middel Symphonie zijn vier veld-DT50-waarden beschikbaar: 144, 392, 257en 368 dagen. Dit levert een gemiddelde op van 290 dagen, zodat flutolanil voor de pootgoed behandeling niet voldoet aan de norm voor persistentie.

(…)

Conclusies m.b.t. milieu

Monarch

(…)

Symphonie

Geconcludeerd kan worden dat:

1. flutolanil niet voldoet aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in het

Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb). De onderhavige toepassing in de teelt van pootgoed dient te worden beëindigd tenzij binnen

de overgangstermijn door middel van veldgegevens wordt aangetoond dat:

i. de toepassing van het bestrijdingsmiddel niet leidt tot een onaanvaardbare

accumulatie van de werkzame stof en zijn metabolieten, danwel op de

lange termijn geen gevolgen heeft voor de diversiteit en rijkdom van

andere soorten dan de doelsoorten én

ii. de som van de concentraties waarin de werkzame stof en zijn metabolieten ontstaan, niet zodanig is dat 2 jaar na het tijdstip waarop het bestrijdingsmiddel voor het laatst is gebruikt in de bovenste 20 cm van de bodem op de plaats waar het bestrijdingsmidd is gebruikt het MTR voor bodemorganismen en organismen die afhankelijk zijn van deze

bodemorganismen wordt overschreden.

Ten behoeve van de bepaling van het MTR voor bodemorganismen dienen de volgende aanvullende gegevens geleverd worden:

a) een groeitoets met planten volgens OECD 208, waarbij tenminste één voor de aangevraagde toepassingen relevante plantensoort in beschouwing wordt genomen; en

b) een reproductietoets met insecten, waarbij tenminste het organismeFolsomia candida (volgens ISO draft ISO/DIS 11267), in beschouwing wordt genomen; en

c) een toets met (bodem)schimmels, waarbij tenminste één genus uit een orde in beschouwing wordt genomen.

d) daar het een fungicide betreft is een test met een genus uit een andere orde vereist.

e) subletale toxiciteit van flutolanil voor regenwormen volgens H.4.2 van het aanvraagformulier.

Voor effecten op regenwormen(acuut) en nitrificatie zijn reeds gegevens geleverd. De LC50 regenwormen is &gt; 1000 mg/kg en op nitrificatie is geen effect waargenomen bij 270 mg/kg. De eindpunten zijn in deze studies niet expliciet afgeleid. Daardoor zal bij de afleiding van het MTR voor bodem waarschijnlijk gebruik worden gemaakt van een worst-case benadering door de LC50 voor regenwormen te stellen op 1000 mg/kg en de NOEC voor nitrificatie op 270 mg/kg. De aanvrager heeft de gelegenheid nieuwe studies naar de effecten op regenwormen (acuut) en nitrificatie te leveren.

(…)

Gegevens van de volgende aspecten ontbreken:

1. Ten behoeve van de bepaling van het MTR voor bodem organismen dienen

de volgende aanvullende gegevens geleverd te worden:

a) een groeitoets met planten volgens OECD 208, waarbij tenminste één

voor de aangevraagde toepassingen relevante plantensoort in beschouwing wordt genomen; en

b) een reproductietoets met insecten, waarbij tenminste het organisme

Folsomia candida (volgens ISO draft ISO/DIS 11267), in beschouwing

wordt genomen; en

c) een toets met (bodem)schimmels, waarbij tenminste één genus uit een orde in beschouwing wordt genomen.

d) daar het een fungicide betreft is een test met een genus uit een andere orde vereist.

Voor effecten op regenwormen(acuut) en nitrificatie zijn reeds gegevens geleverd. De LC50 regenwormen is &gt; 1000 mg/kg en op nitrificatie is geen effect waargenomen bij 270 mg/kg. De eindpunten zijn in deze studies niet expliciet afgeleid. Daardoor zal bij de afleiding van het MTR voor bodem waarschijnlijk gebruik worden gemaakt van een worst-case benadering door de LC50 voor regenwormen te stellen op 1000 mg/kg en de NOEC voor nitrificatie op 270 mg/kg. De aanvrager heeft de gelegenheid nieuwe studies naar de effecten op regenwormen (acuut) en nitrificatie te leveren.

2. acute toxiciteit van de werkzame stof flutolanil voor kreeftachtigen volgens H.2.1 van het aanvraagformulier (OECD-richtlijn 202).

3. semi-chronisch orale toxiciteit van de werkzame stof flutolanil voor vogels

volgens H. 1.3 van het aanvraagformulier (OECD-richtlijn 206).

4. subletale toxiciteit van de werkzame stof flutolanil voor regenwormen volgens H.4.2 van het aanvraagformulier.

Onderbouwing verlengingstermiinen.

afwerken C-besluiten: 2 maanden

hoorprocedure 3 maanden

verwerken reactie op 3 maanden

voornemen

opstellen collegebesluit + 2 maanden

behandeling in College

adminstratief afwerken 2 maanden

collegebesluit

totaal 12 maanden"

- Bij brief van 8 februari 2001 heeft verzoekster op het voornemen tot beëindiging van de toelating gereageerd en heeft zij de verwachting uitgesproken dat alle benodigde gegevens binnen de overgangstermijn konden worden overgelegd omdat zij reeds in een vroegtijdig stadium begonnen was met het uitvoeren van de betreffende studies.

- Bij brief van 9 april 2001 heeft verzoekster aan verweerder meegedeeld dat nog niet alle studies beschikbaar waren en het daarom nog niet mogelijk was een definitieve MTR voor bodemorganismen te berekenen, maar dat zij wel op grond van de reeds beschikbare gegevens een voorlopige MTR berekening heeft gemaakt waaruit - aldus verzoekster - blijkt dat het risico voor bodemorganismen zeer klein is. Voorts heeft verzoekster aangegeven dat alle nog lopende studies uiterlijk in juli 2001 beschikbaar zullen zijn, waarna zo spoedig mogelijk een definitieve MTR berekend kan worden.

- Bij brief van 2 oktober 2001 heeft verzoekster aan verweerder het volgende medegedeeld:

" In aansluiting op onze brief van 9 april jl. (ref. MM/01.017) sturen wij u bijgaand een addendum op de MTR-berekening voor bodemorganismen t.b.v. de verlenging van de toelating van het middel Symphonie. Bijgesloten vindt u tevens de eindrapporten van de uitgebreide sublethale testen met Aleochara bilineata en Eisenia foetida en van de groeitest met planten. Het eindrapport van de schimmeltesten zal volgende week beschikbaar komen; wel sturen wij u vast een tabel met de resultaten.

In het position document dat u in april van ons ontving werd vermeld dat de Collembola (Folsomia candida) studie in mei beschikbaar zou zijn. Door problemen met de uitvoering van deze studie is het eindrapport echter nog steeds niet beschikbaar. Bijgaand sturen wij u een verklaring van het contract laboratorium en enkele voorlopige resultaten. De resultaten van deze studie zijn niet opgenomen in de definitieve MTR-berekening.

Zoals blijkt uit de MTR-berekening is het risico voor bodemorganismen gering. Graag ontvangen wij zo spoedig mogelijk bericht over de verlenging van de toelating van het middel."

- Op 10 oktober 2001 heeft verweerder aan het RIVM opdracht gegeven om een samenvatting van de door verzoekster geleverde milieu gegevens op te stellen en aan de hand van deze gegevens een nieuw MTR vast te stellen.

- Per e-mail bericht van 19 oktober 2001 heeft het RIVM verweerder, voor zover hier van belang, het volgende medegedeeld:

" (…)

Het MTRbodem (daar gaat het toch om) komt nu uit op 0,12 mg/kg bij 10% o.m. (0,06 voor landbouwgrond). Echter; deze is niet gebaseerd op de vereiste data: collembola, fungi en planten ontbreken nog. Derhalve kan CTB

overwegen dit MTR niet vast te stellen omdat niet aan de dossiervereisten voldaan is. (…)

(…)

diverse studies in het dossier voor het MTR zijn niet zinvol (overspuiten

op glas etc.). (…)

- voor collembolen en schimmels zijn alleen resultaten aangeleverd; het

rapport zou zsm volgen volgens de firma. Hiermee kunnen wij niets. Het is

wel essentieel; het gaat samen toch om 9 soorten-NOECs. Tot nog toe hebben we alleen een spin en een kever en een worm, alle drie nogal dubieus omdat de formulering getest is (de noec zou wel eens te laag kunnen zijn

geschat). De plantenstudie is volgens mij een efficacy test die verkocht wordt als OECD208.

(…)"

- Op 22 oktober 2001 heeft verzoekster per e-mail de draft van de Collembola studie en het rapport van de fungi studie verstrekt.

- Vervolgens is door het RIVM in het CSR-rapport 08604a00 van 29 oktober 2001, voorzover thans van belang, het volgende geconcludeerd:

" 3. Overzicht beschikbare gegevens

3.1 (…)

3.2 Toxiciteitsgegevens

(…)

3.2.1 Bodem

(…)

Bruikbare gegevens ten aanzien van collembola, schimmels, en planten ontbreken. Aangezien flutolanil wordt gebruikt in schimmelbestrijdingsmiddelen, wordt het voor een adequate beoordeling noodzakelijk geacht over gegevens ten aanzien van effecten op schimmels te beschikken. Het MTR kan derhalve niet worden afgeleid."

- Verzoekster is door verweerder vervolgens in de gelegenheid gesteld op dit rapport te reageren.

- In het CTB Collegestuk C-115 3.12 van 5 november 2001 is door verweerder - voor zover hier van belang - het volgende voorstel geformuleerd:

" (…)

Voorstel

Het College besluit:

· Het voornemen om alle toepassingen van het middel SYMPHONIE, op basis van de werkzame stof flutolanil per 1 december 2001 te beëindigen om te zetten in een definitieve beëindiging, aangezien voor de toepassingen van dit middel niet voldoet aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in het besluit militeutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb).

· (…)

· (…)

Motivering van het voorstel

Eerdere besluitvorming van het College

(…)

Symphonie

Reactie Toelatinghouder

(…)

Beoordeling geleverde gegevens

Collembola

(…)

De resultaten ten aanzien van overleving en reproductie vertonen een te grote spreiding om een betrouwbare schatting te maken van de NOEC. Aangezien comlete informatie over de test ontbreken kunnen ook de geleverde ruwe meetgegeves niet gebruikt worden voor een nadere analyse.

Schimmels

De testen zijn uitgevoerd in agar-media en de resultaten kunnen niet omgerekend worden naar een NOEC in grond.

Planten

(…) Het rapport is opgezet conform OECD 208, maar de test als zodanig wijkt op een aantal punten af van deze richtlijn. (…) Gelet op deze tekortkomingen kan uit de studie geen bruikbare NOEC worden afgeleid en is de studie niet bruikbaar voor de MTR-afleiding.

Conclusie

Bruikbare gegevens ten aanzien van collembola, schimmels, en planten ontbreken. Het MTR kan derhalve niet worden afgeleid. Het is derhalve niet mogelijk een adequate risicobeoordeling uit te voeren ten aanzien van de persistentie van flutolanil in de bodem."

- Per email-bericht van 9 november 2001 heeft verzoekster van de gelegenheid gebruik gemaakt om te reageren op het CSR-rapport 08604a00 van het RIVM van 29 oktober 2001 en heeft zij de conclusies van het RIVM in een zogenoemd Response Document tegengesproken.

- In de vergadering van 15 november 2002 heeft verweerder voornoemd collegestuk C-115.3.12 besproken.

- Op 26 november 2001 heeft verzoekster per email-bericht het volgende aan verweerder bericht:

" We were very disappointed to hear from you that the arguments brought

forward in Aventis' response document (sent to you by E-mail on 9 November 2001) have not been able to convince the RIVM-experts of the acceptability

of the Collembola-, the soil fungi- and non-target plant studies with flutolanll to establish a MTR/MPC flutolanil in soil. We learned orally that CTB has decided in its 15 November meeting to end the registration of Symphonie as per 1-12-2001.

In order to be able to decide whether or not to enter into legal procedures, we would like to receive , if necessary unofficially, the RIVM-comments on our response document. This is a win-win situation for both in terms of time.

Please let us know a.s.a.p. when you will be able to sent us the required information."

- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 21 december 2001 genomen dat aan het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening ten grondslag ligt.

2.3 De geschiedenis van de totstandkoming van amendement Nr. 9 van het wetsontwerp tot wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962

- In het kader van de behandeling van het wetsvoorstel houdende wijziging van de Wet (implementatie biociden richtlijn 98/8/EG), TK 27 085, is door de leden van de Tweede Kamer Ardenne-van der Hoeven, Udo en Feenstra op 25 september 2001 een amendement, Nr. 7, ingediend, luidende:

" De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Na artikel II wordt een nieuw artikel III ingevoegd, luidende:

ARTIKEL II I

Biociden waarvan de werkzame stof of stoffen overeenkomstig de toepasselijke communautaire maatregel is of zijn aangemeld voor opname in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG en waarvoor de communautair vereiste informatie en gegevens binnen de voorgeschreven periode zijn verstrekt, worden, onverminderd het bepaalde in artikel 5 en 7 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 , geacht te zijn toegelaten of geregistreerd in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 totdat op communautair niveau over opname in bedoelde bijlage is beslist.

Toelichting

Voor biociden is op communautair niveau een werkprogramma

vastgesteld voor een systematisch onderzoek van alle werkzame stoffen

die bij het inwerkingtreden van Richtlijn 98/8 reeds op de markt waren. Na voltooiing van dit werkprogramma kunnen alleen biociden worden

toegelaten op basis van werkzame stoffen, die beoordeeld en geplaatst zijn op annex I, IA en IB bij de betrokken richtlijn.

Doel van deze bepaling is enerzijds het Nederlandse toelatingsbeleid te laten sporen met de Europese beoordeling en anderzijds te bevorderen dat de beoordeling onder Nederlandse omstandigheden plaatsvindt aan de hand van volledige Europese dossiers. Op deze wijze kan de beschikbare beoordelingscapaciteit van het CTB optimaal worden ingezet om de allerwege noodzakelijk geachte voortvarende Europese beoordeling van bestaande werkzame stoffen te bewerkstelligen. Tevens wordt hiermee bereikt, dat de beoogde (en door het kabinet onderschreven) herprioritering van het CTB

- voor zover nodig - een sterkere juridische verankering in de Wet krijgt."

- Bij brief van 28 september 2001 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS), de voorzitter van de Tweede Kamer, als volgt bericht:

" Tijdens de behandeling van eerdergenoemd wijzigingsvoorstel van de BMW heeft de Minister van VROM de bij hem en mij levende twijfels over de juridische houdbaarheid van het amendement uitgesproken. Er zou sprake kunnen zijn van een amendement dat strijdig is met de biociden richtlijn (98/8 EG). Tevens is aan de orde geweest deze mogelijke strijdigheid te laten toetsen. Ter toetsing van deze mogelijke strijdigheid zullen de Minister van VROM en ik het amendement aan de Raad van State voorleggen. Over de uitkomst zullen wij u zo spoedig mogelijk informeren. Ik verzoek u derhalve de stemming over het wetsvoorstel aan te houden."

- Op 6 november 2001 is door de leden Feenstra en Udo met betrekking tot voornoemd voorstel van wet opnieuw een amendement, Nr. 9, ingediend, luidende:

" De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

In artikel I wordt na onderdeel X een nieuw onderdeel ingevoegd:

Y

Na artikel 25c wordt een artikel ingevoeg d:

Artikel 25 d

1. Een bestrijdingsmiddel, waarvan de werkzame stof of stoffen door

het college zijn aangewezen, is, in afwijking van het bepaalde bij of krachtens de

artikelen 3 en 3a en van de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, van rechtswege

toegelaten of geregistreerd met ingang van het in het derde lid bedoelde tijdstip.

2. Bij de aanwijzing van een werkzame stof, bedoeld in het eerste lid, wordt

rekening gehouden met de effecten van de betrokken werkzame stof, bedoeld in

artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende.

3. De toelating of registratie, bedoeld in het eerste lid, is van kracht met

ingang van het tijdstip van beëindiging van de uit hoofde van artikel 4 afgegeven

toelating of registratie, met dien verstande dat indien dit tijdstip van beëindiging

reeds is verstreken, de toelating, onderscheidenlijk registratie terug werkt tot en

met dat tijdstip. De toelating, onderscheidenlijk registratie geldt, in afwijking

van artikel 5, eerste lid, tot het tijdstip waarop uiterlijk uitvoering moet zijn

gegeven aan een met betrekking tot de betrokken werkzame stof vastgestelde

communautaire maatregel als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, met

dien verstande dat zij in ieder geval doorloopt na 26 juli 2003, dan wel 15 mei

2010 indien uiterlijk op die onderscheiden datum geen communautaire maatregel

is vastgesteld die vermeldt of de betrokken werkzame stof mag worden gebruikt

als basis voor een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk biocide.

4. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde bestrijdingsmiddelen

is het verboden te handelen in strijd met de krachtens artikel 5, tweede en derde

lid, gegeven voorschriften, zoals deze golden tot het moment van beëindiging

van de toelating of registratie uit hoofde van artikel 4, en met de krachtens

artikel 13 gegeven voorschriften.

5. Onverminderd de artikelen 5 en 7 wordt een toelating of registratie als

bedoeld in het eerste lid, door het college ingetrokken of worden de

voorschriften, bedoeld in artikel 5, tweede lid, door het college gewijzigd indien

dat noodzakelijk is ter uitvoering van een communautaire maatregel. Artikel 7,

derde en vierde lid, zijn op de intrekking van de toelating, onderscheidenlijk

registratie van toepassing.

6. Het eerste lid is:

a. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de toelating of

registratie ingevolge een communautaire maatregel niet verleend mag worden;

b. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de toelating of

registratie ingevolge een communautaire maatregel dient te worden ingetrokken,

vanaf het tijdstip waarop aan die maatregel uiterlijk uitvoering moet zijn

gegeven;

c. uitsluitend van toepassing op een bestrijdingsmiddel dat een werkzame stof

bevat die reeds vóór 26 juli 1993, indien het een gewasbeschermingsmiddel

betreft, onderscheidenlijk 15 mei 2000, indien het een biocide betreft, werd

afgeleverd en niet bij een in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bedoelde

communautaire maatregel is aangewezen;

d. uitsluitend van toepassing op een bestrijdingsmiddel dat is toegelaten of

laatstelijk op 1 januari 2001 toegelaten is geweest of is geregistreerd;

e. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de toelating of

registratie is ingetrokken op verzoek van de toelating houder of ten aanzien

waarvan geen aanvraag tot verlenging van de toelating of registratie is ingediend

overeenkomstig de krachtens artikel 4 gestelde regelen omtrent het indienen van

een aanvraag;

f. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarop artikel II van de wet van

25 januari 2001, houdende wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962

(landbouwkundig onmisbare gewasbeschermingsmiddelen) van toepassing is of

is geweest.

7. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt door de zorg van Onze

Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in de Staatscourant bekend

gemaakt. Hij gaat daartoe niet eerder over dan nadat de aanwijzing aan beide

Kamers der Staten-Generaal is overgelegd voor een periode van 30 dagen.

8. Onze betrokken minister kan, ter uitvoering van een communautaire

maatregel, dit artikel onder door hem te stellen regelen van overeenkomstige

toepassing verklaren voor bestrijdingsmiddelen op basis van door hem

aangewezen werkzame stoffen.

(…)

Toelichting

(…)

Aangezien de problematiek die aanleiding heeft gegeven tot de herprioritering, zich niet beperkt tot biociden, ziet het onderhavige amendement niet alleen op biociden maar tevens op gewasbeschermingsmiddelen."

- Op 8 november 2001 heeft de Raad van State over het amendement van

25 september 2001, Nr. 7, advies uitgebracht. Dit advies en het nader rapport de dato 16 november 2001, aangeboden aan de Koningin door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS), mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM) zijn opgenomen in stuk 27 085, B, Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002. Dit stuk, waarin het advies van de Raad van State cursief is afgedrukt, luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

" 1. Inleiding

Bij het wetsvoorstel implementatie biociden richtlijn1 hebben de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Van Ardenne-Van der Hoeven, Udo en Feenstra een amendement ingediend dat ertoe strekt dat biociden waarvan de werkzame stof overeenkomstig richtlijn 98/8/EG2 is aangemeld bij de Commissie en de benodigde gegevens daarbij zijn verstrekt, geacht worden te zijn toegelaten of geregistreerd3. De vraag is opgekomen of dit amendement in overeenstemming is met richtlijn 98/8/EG.

Volgens de toelichting is het doel van het amendement enerzijds het Neder- landse toelatingsbeleid te laten sporen met de Europese beoordeling en anderzijds te bevorderen dat de beoordeling onder Nederlandse omstandigheden plaatsvindt aan de hand van volledige Europese dossiers. Op deze wijze kan de beschikbare beoordelingscapaciteit van het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (CTB) optimaal worden ingezet om de allerwege noodzakelijk geachte voortvarende Europese beoordeling van bestaande werkzame stoffen te bewerkstelligen. Tevens wordt hiermee volgens de toelichting bereikt, dat de beoogde (en door het kabinet onderschreven) herprioritering van het CTB - voorzover nodig - een sterkere juridische verankering in de wet krijgt.

Uit deze toelichting, in samenhang met hetgeen in de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is besproken, kan worden afgeleid dat het in wezen om twee problemen gaat.

Ten eerste is er verzet tegen het in Europees licht bezien restrictieve beleid met

betrekking tot het op de Nederlandse markt toelaten van biociden. Dat zet het Nederlandse bedrijfsleven op achterstand en houdt ook de ontwikkeling in Nederland tegen.

Ten tweede zijn er zorgen over de voortgang van de afhandeling van aanvragen voor de toelating of registratie van biociden door het CTB.

Bij deze twee punten komt de vraag op of de gekozen oplossing - een bepaling waarbij de voorlopige toelating respectievelijk registratie van bepaalde biociden van rechtswege plaatsvindt - in overeenstemming is met de richtlijn.

(…)

5. Het amendement

Zoals in de inleiding is vermeld, zijn bij dit amendement de volgende aspecten van belang:

- de mogelijkheid tot het voeren van een restrictief, dan wel ruimhartig beleid

betreffende toelating en registratie van biociden;

- de termijn voor afhandeling van aanvragen;

- de gekozen oplossing: toelating en registratie van rechtswege.

Hierna wordt op deze aspecten nader ingegaan.

Restrictief/ruimhartig beleid

Zoals uit het voorgaande blijkt, staat de richtlijn toe dat de lidstaten hun

toelatingsbeleid voortzetten zolang er geen beslissing over de desbetreffende werkzame stof is genomen in het kader van het onderzoeksprogramma (artikel 16, eerste lid ). Als dat beleid ruimhartig was, mag het in zoverre nog worden

voortgezet. Als dat beleid restrictief was, mag dat restrictieve beleid worden voortgezet, binnen de beperkingen die gelden ingevolge het vrije verkeer, zoals hiervoor in punt 3 aan de orde is geweest. De omstandigheid dat een biocide in één of meer andere lidstaten is toegelaten en de omstandigheid dat terzake van dat biocide de procedure is opgestart in het kader van het onderzoeks- programma, zullen bij de beoordeling in het kader van het vrije verkeer dan ook een rol spelen.

Het gebruikmaken van de mogelijkheid tot voortzetting van het eigen systeem is niet verplicht. Het huidige beleid mag - onder de voorwaarden van artikel

16, eerste lid - worden voortgezet, maar het is ook toegestaan om de bedoelde

afwijkingen van het hoofdstelsel van de richtlijn te laten vervallen. Het gevolg van het schrappen is dat de hoofdregels van de richtlijn, zoals hiervoor beschreven, gaan gelden. De mogelijkheid van artikel 15, tweede lid, van een voorlopige toelating in afwachting van een beslissing over de plaatsing van de werkzame stof op de lijst, kan daarbij wel worden benut.

Artikel 16, eerste lid, van de richtlijn staat niet allerlei soorten van de richtlijn afwijkend beleid toe. Het moet gaan om een voortzetting van «zijn huidige systeem of praktijk». Het geeft dus niet de mogelijkheid om nieuw van het stelsel van de richtlijn afwijkend beleid te gaan voeren. Aangezien het amendement niet als bestaand systeem of bestaande praktijk kan worden beschouwd, valt het niet onder de regels van artikel 16 van de richtlijn. Het huidige systeem van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 kent deze rechtsfiguur immers niet.

(…)

Vergunningverlening van rechtswege

Met het amendement worden alle biociden die elders in Europa mogen

worden gebruikt, al is het maar in één lidstaat, en waarvoor de formaliteiten in het kader van het onderzoeksprogramma zijn vervuld, geacht ook in Nederland te zijn toegelaten of geregistreerd. Daarmee worden naar de bedoeling van het

amendement twee vliegen in één klap geslagen: enerzijds is maximale

toegang verzekerd, en anderzijds zijn de betrokken bedrijven niet meer afhankelijk van het CTB.

Beoordeling

Een stelsel van vergunningverlening van rechtswege is, zoals hiervoor reeds is

gesteld, een maatregel die niet valt onder de mogelijkheden van artikel 16, eerste lid, van de richtlijn tot voortzetting van een bestaand systeem. Bovendien komt toelating of registratie van rechtswege in strijd met de richtlijn, in het bijzonder artikel 3, eerste en tweede lid, alsmede met de regels die uit de richtlijn voortvloeien met betrekking tot de beoordeling van dossiers

en dergelijke. Daar komt nog bij dat aan een systeem dat neerkomt op een

vergunning van rechtswege een mate van onzekerheid inherent is die zeker op dit terrein zou moeten worden vermeden.

6. Conclusies

Met het amendement wordt een minder restrictief toelatings- en registratie- beleid en versnelling van de afhandeling van aanvragen voor toelating en registratie beoogd. Ook de beoogde versnelling van procedures voor de afhandeling van aanvragen is op zichzelf niet in strijd met de oogmerken van de richtlijn.

De in het amendement voorgestelde oplossing - de systematiek van toelating

en registratie van biociden van rechtswege - past echter niet in het stelsel van de richtlijn. Deze is evenmin te beschouwen als een voortzetting van de bestaande systematiek in de zin van artikel 16 van de richtlijn, aangezien de huidige Bestrijdingsmiddelenwet 1962 deze mogelijkheid niet kent. Wel bestaat de mogelijkheid ingevolge artikel 15, tweede lid, van de richtlijn tot voorlopige toelating. Ook versnelling van procedures voor de afhandeling van aanvragen is verenigbaar met de richtlijn."

De regering heeft op deze conclusie als volgt gereageerd:

" 6. Met de door de Raad getrokken conclusies, namelijk

a. dat de in het amendement voorgestelde oplossing - de systematiek van

toelating en registratie van biociden van rechtswege - niet past in het

stelsel van de richtlijn; alsmede

b. dat deze evenmin te beschouwen is als een voortzetting van de bestaande systematiek in de zin van artikel 16 van de richtlijn, aangezien de huidige Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (BMW) deze mogelijkheid niet kent, kan dezerzijds worden ingestemd.

De door de Raad getrokken conclusies onderstrepen de eerder door het kabinet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kenbaar gemaakte aarzelingen, reden waarom de aanvaarding van het amendement Van Ardenne c.s. moet worden ontraden."

- Bij brief van 27 november 2001 heeft de Minister van VWS de voorzitter van de Tweede Kamer als volgt bericht:

" De Raad van State heeft advies uitgebracht over het amendement van het kamerlid Van Ardenne-van der Hoeven c.s. (27 085, nr. 7). Dat advies, alsmede het aan de Koningin naar aanleiding van dat advies uitgebrachte nader rapport, zend ik u hierbij toe (27 085-B).

Hangende de onderhavige adviesaanvraag hebben de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Feenstra en Udo op 6 november 2001 een amendement ingediend om voor de door het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (CTB) doorgevoerde herprioritering van de behandeling van aanvragen voor herbeoordeling van toelatingen en registraties van bestrijdingsmiddelen een specifieke voorziening in de BMW op te nemen. Ingevolge deze voorziening zal het CTB de werkzame stoffen in de toegelaten respectievelijk geregistreerde bestrijdingsmiddelen aanwijzen teneinde te bereiken dat:

- de betrokken werkzame stoffen met een hoog risicoprofiel voor mens, dier en milieu nationaal onverkort zullen worden herbeoordeeld in het kader van de verlenging van de lopende toelatingen en registraties, en

- de betrokken werkzame stoffen met een laag risicoprofiel voor mens, dier en milieu nationaal zullen worden herbeoordeeld in het kader van het

communautaire besluitvormingstraject van deze stoffen.

Het CTB zal bij deze aanwijzing rekening houden met de risico's van de betrokken werkzame stoffen voor mens, dier en milieu. Deze zal slechts werkzame stoffen betreffen met een dusdanig risicoprofiel dat er geen noodzaak bestaat om vast te houden aan een volledige herbeoordeling op korte termijn van bestrijdingsmiddelen op basis van die stoffen. De toelating, onderscheidenlijk registratie van bestrijdingsmiddelen op basis van de aangewezen bestaande werkzame stof duurt in principe tot het tijdstip waarop de lidstaten naar aanleiding van de besluitvorming met betrekking

tot de betrokken werkzame stof in het kader van het werkprogramma van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, maatregelen moeten treffen teneinde de nationale toelatingen in overeenstemming te brengen met het betrokken besluit van de Commissie. Voorts geldt dat voor het betrokken bestrijdingsmiddel een aanvraag tot verlenging van de toelating of registratie moet zijn ingediend bij het CTB.

De onderhavige voorziening zal niet van toepassing zijn op bestrijdings- middelen:

- die op 1 januari 2001 niet meer waren toegelaten

- waarvoor ingevolge een communautaire maatregel geen toelating of registratie mag worden afgegeven, of

- waarvoor op grond van artikel II van de wet van 25 januari 2001, houdende wijziging van de BMW (landbouwkundig onmisbare

gewasbeschermingsmiddelen) een toelating heeft gegolden.

Tijdens de plenaire behandeling van het onderhavige voorstel van wet tot wijziging van de BMW heeft de Minister van VROM mede namens mij de volgende drie voorlopige bezwaren geuit tegen het amendement van Van Ardenne-van der Hoeven c.s. van 25 september jl.:

a. Inhoudelijk: er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de te herbeoordelen werkzame stoffen.

b. Politiek: het is contraproductief het goede in Nederland ingezette

beleid om risicovolle werkzame stoffen vooruitlopend op Europa te

herbeoordelen, weg te geven.

c. Juridisch: twijfel of er wel overeenstemming is met de biociden richtlijn.

Het op 6 november jl. ingediende amendement komt tegemoet aan deze bezwaren. Het is van wezenlijk belang dat er thans een onderscheid wordt aangebracht tussen riskante stoffen voor mens, dier en milieu en minder riskante dan wel twijfelachtige stoffen. De riskante stoffen zullen nationaal onverkort worden herbeoordeeld in het kader van de verlenging van de lopende toelatingen en registraties. Hiermee wordt het Nederlandse beleid om risicovolle stoffen vooruitlopend op Europa te herbeoordelen, in stand gehouden. Met het aanbrengen van het onderscheid tussen riskante stoffen voor mens, dier en milieu en minder riskante dan wel twijfelachtige stoffen vindt er een beoordeling plaats van de risico's van de betrokken werkzame stoffen. Dit onderscheid past in het huidige Nederlandse stelsel van beoordeling. Een en ander brengt mij tot de conclusie dat er geen bezwaar is tegen het amendement van 6 november jl."

3. Het besluit ten aanzien waarvan het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en het standpunt van verweerder

Het hier aan de orde zijnde besluit houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in dat de aanvraag om verlenging van de toelating van het middel Symphonie is afgewezen.

In de bij het besluit behorende bijlage I is ter motivering van dat besluit onder meer het volgende uiteengezet:

" (…)

Flutolanil is in het kader van de herprioritering geclassificeerd als een zgn. categorie C stof. De werkzame stof wordt hier toch inhoudelijk beoordeeld omdat -zoals vastgesteld n.a.v. C-1 04.7 (december 2000)- voor een C-stof waarvoor een voornemen tot beëindiging is geüit, de besluitvorming dient te worden afgerond.

(…)

Reactie toelatinghouder op het voornemen tot beëindiging

(…)

De geleverde gegevens zijn voorgelegd aan het RIVM met de opdracht om op basis van bruikbare gegevens een MTR bodem af te leiden. In het RIVM CSR-rapport 08604a00 komt het RIVM tot de conclusie dat een afleiding van een MTR voor de werkzame stof flutolanil niet mogelijk is op basis van de thans beschikbare gegevens.

Beoordeling geleverde gegevens

Collembola

Het aantal juvenielen per replica wordt gepresenteerd als het gemiddelde van 2 tellingen onder een binoculaire microscoop. De afzonderlijke resultaten van deze 2 tellingen worden niet gegeven. Onduidelijk is of het aantal gebaseerd is op tellingen in een grid of totale tellingen. Totaaltellingen worden niet nauwkeurig geacht, gelet op het hoge aantal. Er wordt in het rapport geen methode beschreven van de wijze waarop uitbijters worden geïdentificeerd. Bij het hanteren van de methode "het gemiddelde plus of min 3 keer de standaard-deviatie", zou betekenen dat er geen uitbijters zijn.

In de analyse van de waargenomen reproductie mogen replica's niet zomaar te zijde worden gelegd op basis van een afwijkend overlevingscijfer. Immers, de eitjes kunnen gelegd zijn voor het sterven. Een lage of hoge overlevingsgraad hoeft niet per definitie van invloed te zijn op reproductie. Ter illustratie: bij de hoogste concentratie heeft replica 3 met 70% overleving hetzelfde aantal juvenielen als replica 4 met 20% overleving.

Het aantal bruikbare replica's bij de controle is te klein voor een robuuste statistische analyse van de resultaten. Bij de controle replica 4 is de overleving minder dan 80%, waardoor deze replica niet meegenomen mag worden. Bij de

statistische analyse blijkt dat de NOEC groter is dan de EC50.

De resultaten ten aanzien van overleving en reproductie vertonen een te grote spreiding om een betrouwbare schatting te maken van de NOEC. Aangezien complete informatie over de test ontbreken kunnen ook de geleverde ruwe meetgegevens niet gebruikt worden voor een nadere analyse.

Schimmels

De testen zijn uitgevoerd in agar-media en de resultaten kunnen niet omgerekend worden naar een NOEC in grond.

Planten

De resultaten zijn slechts in samenvattende tabellen gepresenteerd. De zaaddichtheid is onbekend. Het rapport is opgezet conform OECD 208, maar de test als zodanig wijkt op een aantal punten af van deze richtlijn. Onder andere:

1) de bodem karakteristieken ontbreken;

2) de test-stof is gespoten na het zaaien of planten in plaats van mengen met de

grond voorafgaand aan het zaaien;

3) de gekozen plantensoorten, met uitzondering van de tarwe, komen niet

overeen met de aanbevelingen in de richtlijn;

4) in plaats van proeven in potten lijken de proeven te zijn uitgevoerd op

plotjes;

5) milieu-omstandigheden zijn niet gerapporteerd.

Gelet op deze tekortkomingen kan uit de studie geen bruikbare NOEC worden afgeleid en is de studie niet bruikbaar voor de MTR-afleiding.

Conclusie

Bruikbare gegevens ten aanzien van collembola, schimmels, en planten ontbreken. Het MTR kan derhalve niet worden afgeleid. Het is derhalve niet mogelijk een adequate risicobeoordeling uit te voeren ten aanzien van de persistentie van flutolanil in de bodem.

Eindconclusie

Het College besluit het voornemen om alle toepassingen van het middel SYMPHONIE, op basis van de werkzame stof flutolanil per 1 december 2001 te beëindigen, aangezien flutolanil niet voldoet aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb). Derhalve kan niet worden vastgesteld dat het middel geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft (artikel 3, eerste lid onder a, ten tiende van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962). "

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat eerst op basis van de lab gegevens wordt beoordeeld of aan de voor de DT50 -waarde geldende norm van 90 dagen wordt voldaan. Indien dit het geval is wordt dit vervolgens op basis van veldgegevens getoetst. De motivering van het in geding zijnde besluit dient in samenhang te worden gelezen met het besluit van 30 november 2000. De relevante passages van dat besluit zijn hiervoor in rubriek 2.2 weergegeven.

Verweerder heeft ter zitting voorts toegelicht dat voor de bepaling van de persistentie van een middel in de bodem eerst wordt vastgesteld of aan de norm van artikel 5, lid 1 en lid 2, Bmb wordt voldaan. Indien dit niet het geval is wordt vervolgens beoordeeld of op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 5 Bmb, lid 1 en lid 2 van dit artikel niet van toepassing zijn omdat de aanvrager onderscheidenlijk houder van de toelating heeft aangetoond dat voldaan is aan de in lid 3 onder a en b vermelde criteria.

Ten aanzien van het amendement van de leden Feenstra en Udo, nr 9, van 6 november 2001, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat onzeker is of dit onderdeel van het wetsontwerp tot Wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, 27 085, kracht van wet zal krijgen.

4. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft ter ondersteuning van haar verzoek om voorlopige voorziening

- samengevat - het volgende aangevoerd.

Verzoekster wijst er allereerst op dat op grond van de door verzoekster geleverde gegevens niet definitief is vastgesteld dat de werkzame stof niet aan de norm voor persistentie voldoet. Vastgesteld is slechts dat de door verzoekster ingediende gegevens ten aanzien van collembola, schimmels en planten onvoldoende deugdelijk worden geacht om een MTR te kunnen afleiden. Definitieve conclusies met betrekking tot de persistentie kunnen derhalve nog niet worden getrokken. Verzoekster hecht belang aan dit feit omdat slechts als is vastgesteld dat een middel niet aan de norm voor persistentie voldoet dit in de weg staat aan het verlenen van een procedurele verlenging.

Primair is verzoekster van oordeel dat op basis van de ingediende studies wel degelijk een MTR kan worden afgeleid en dat daaruit volgt dat geen sprake is van een onaanvaardbaar risico voor bodemorganismen. De toelating had derhalve verlengd moeten worden op grond van artikel 3 en 3a Bmw.

Subsidiair is verzoekster van oordeel dat het dossier dermate volledig is en de verwachting omtrent de uitkomst van nader onderzoek dermate positief, dat zij onder deze omstandigheden op basis van een procedurele verlenging op grond van artikel 5, lid 1, Bmw in de gelegenheid had moeten worden gesteld extra onderzoek uit te voeren. De door het CTB verlangde gegevens strekken slechts ter verkrijging van meerdere zekerheid dat het middel aan de norm voldoet.

Als argumenten voor zowel het primaire als het subsidiaire standpunt voert verzoekster het volgende aan:

". tussen wetenschappers onderling is niet in discussie dat flutolanil niet

persistent is; ook het CTB twijfelt daar niet aan;

. het eveneens op flutolanil gebaseerde middel Monarch is niet persistent

bevonden; de door verzoekster gegenereerde gegevens leveren een MTR

bodem op, waaraan het middel met een zeer ruime veiligheidsmarge voldoet;

. de door het RIVM aangedragen redenen om de gegevens als onbruikbaar

terzijde te schuiven zijn aanvechtbaar;

. de door het RIVM terzijde geschoven gegevens zijn ook volgens het RIVM

niet alle onbruikbaar doch behoeven wellicht aanvulling; de wel beschikbare

gegevens kunnen dienen als basis voor de conclusie dat het middel niet

schadelijk voor het bodemleven is; aanvullend onderzoek strekt ter verkrijging

van meerdere zekerheid;

. verzoekster heeft het commentaar van het RIVM ontvangen op een moment

dat het laten uitvoeren van nieuw onderzoek binnen de toelatingsperiode niet

meer mogelijk was; van het ontbreken van extra gegevens op de

expiratiedatum kan verzoekster derhalve geen verwijt worden gemaakt;

. met het uitvoeren van nieuw onderzoek is reeds een aanvang gemaakt; de

resultaten zullen al in de eerste helft van 2002 beschikbaar zijn;

. op 18 december 2001 heeft de Tweede Kamer de motie Feenstra/Udo van

6 november 2001 aangenomen; indien de tekst van deze motie wet wordt -

hetgeen volgens de verwachting van een ieder slechts een kwestie van

(beperkte) tijd is - zal het middel Symphonie met terugwerkende kracht tot de

expiratiedatum van rechtswege zijn toegelaten, zónder dat de thans als

ontbrekend aangemerkte gegevens behoeven te worden ingediend;

. bij de afweging van belangen die aan de orde zijn bij de vraag of gebruik kan

worden gemaakt van de bevoegdheid om een procedurele verlenging af te

geven, had het CTB de motie Feenstra/Udo moeten betrekken, althans zou het

CTB deze motie alsnog in het kader van de heroverweging bij zijn

besluitvorming moeten betrekken. Verzoekster lijdt immers onnodig en

onaanvaardbaar grote schade indien Symphonie komend toepassingsseizoen

(maart/april 2002) niet kan worden verkocht en gebruikt, terwijl het een jaar

later als gevolg van een thans reeds voorzienbare wetswijziging weer gewoon

op de markt is.

In haar bezwaarschrift - dat verzoekster als hier herhaald en ingelast - wenst te zien beschouwd, heeft verzoekster met betrekking tot haar primaire en subsidiaire standpunt onder andere aangevoerd:

" (…)

Vaststellen dat niet aan de norm wordt voldaan vs. nog niet kunnen vaststellen dat wél wordt voldaan

(…)

In het eerste geval - vaststellen dat een middel niet aan de norm voldoet - is dat een conclusie op basis van gegevens die tot die conclusie dwingen. Toegepast op de onderhavige casus: de onderzoeksgegevens leveren een MTR op, dat bij toepassing van Symphonie wordt overschreden. Daarvan is in casu geen sprake.

In dit geval kunnen juist nog geen definitieve conclusies worden getrokken, omdat (volgens het RIVM) daartoe de juiste gegevens ontbreken. (…)

Het lijdt geen twijfel dat in casu niet definitief is vastgesteld dat het middel niet aan de nórm voldoet, maar slechts dat de ingediende gegevens voor het CTB onvoldoende zijn om een adequate risico-analyse uit te voeren.

Na deze inleiding zal Aventis ter onderbouwing van haar bezwaar het RIVM-commentaar op de verschillende studies bespreken:

Groeitest met planten

Het RIVM heeft zich op het standpunt gesteld dat deze studie had moeten worden uitgevoerd overeenkomstig OECD-richtlijn 208 uit 1984. In plaats daarvan is de studie door Agriresearch, UK (aan welke firma het onderzoek is uitbesteed) uitgevoerd overeenkomstig de OECD 208 draft July 2000. De door Agriresearch gemaakte keuze ligt voor de hand, omdat deze draft guideline de meest recente technische en wetenschappelijke inzichten vertegenwoordigt. Dat het hier een concept-richtlijn betreft doet daar niet aan af.

(…)

In dit verband benadrukt Aventis dat flutolanil als fungicide - naar algemeen wordt aangenomen - niet giftig is voor planten. Het onderzoek op de vier gekozen planten, uit vier verschillende families, laat zien dat die aanname juist is. Overigens is het onderzoek voor twee aanvullende soorten reeds uitgezet en zal er spoedig gerapporteerd kunnen worden.

Bodemschimmels

Voor wat betreft de bodemschimmels is Aventis tegen het probleem aangelopen dat ten tijde van het stellen van de aanvullende vraag - in december 2000 - nog geen protocol voor dit type onderzoek bestond. Aventis heeft het gevraagde onderzoek uitgevoerd met de grootste zorgvuldigheid op basis van een wetenschappelijk verantwoorde opzet. Zij is van mening dat het onderzoek voldoende inzicht geeft in de effecten op bodemschimmels en dat de resultaten als basis kunnen dienen voor de berekening van een MTR. Het uitvoeren van de testen op agar-agar moet volgens haar gezien worden als een worst-case benadering in vergelijking met testen in grond.

(…)

Over de exacte randvoorwaarden voor dit onderzoek heeft Aventis overigens tot op heden nog geen uitsluitsel verkregen. Op dit moment is er nog steeds geen vast protocol voor dit type onderzoek vastgesteld. Consensus over de uitgangspunten is vanzelfsprekend een voorwaarde voor het kunnen verstrekken van een nadere onderzoeksopdracht.

Collembola

Het RlVM heeft naar het stellig oordeel van Aventis de collembola-studie op een veel te gemakkelijke wijze als onbruikbaar terzijde geschoven. In het Response Document van 9 november 2001 heeft de expert van Aventis het commentaar van het RlVM met deugdelijke argumenten weerlegd. Deze argumentatie is kennelijk - het besluit geeft daar onvoldoende inzicht in en ontbeert aldus een deugdelijke motivering - te licht bevonden.

Ook hier geldt echter, dat Aventis zich - hoewel naar haar oordeel overbodig - bereid heeft verklaard het onderzoek opnieuw uit te voeren. Gelet op het feit dat de reeds ingediende onderzoeksresultaten aantonen dat voor een onaanvaardbaar risico geenszins behoeft te worden gevreesd, dient dit nieuwe onderzoek slechts ter verkrijging van meerdere zekerheid. Aventis zou derhalve in de gelegenheid moeten worden gesteld dit onderzoek birmen de vigeur van een toelating uit te voeren. Omdat met het onderzoek niet veel tijd gemoeid is, kan in beginsel worden volstaan met een procedurele verlenging van beperkte duur.

Conclusie ten aanzien van de ingediende studies

Aventis is van oordeel dat de door haar ingediende gegevens kunnen dienen als basis voor het afleiden van een MTRbodem. De door Aventis uitgevoerde berekening1 laat zien dat het berekende MTR ten opzichte van de berekende initiële concentraties flutolanil in de bodem een zeer ruime veiligheidsmarge geeft. Aldus is aangetoond dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar risico als bedoeld in artikel 3 en 3a Bmw. Het middel is derhalve toelaatbaar.

Daarbij moet ook worden bedacht dat slechts de knolbehandeling met flutolanil een overschrijding van de maximale DT50-waarde laat zien. De knolbehandeling moet volgens Aventis dan ook als een puntbelasting worden aangemerkt, die alleen speelt in de directe omgeving van de aardappelknol. Het lijkt zeer plausibel aan te nemen dat het werkelijke effect, gemeten over het gehele grondoppervlak, op z'n minst vergelijkbaar (dus even gunstig) zal zijn met dat van Monarch, gezien het verschil in dosering a.s. per ha (4500 gram via Monarch/veld-rijbehandeling versus 200 gram via ymphonie/knolbehandeling).

(…)"

Meer subsidiair is verzoekster van mening dat haar tenminste een aflever- en opgebruiktermijn had moeten worden gegund om het aankomende toepassingsseizoen te redden.

Tenslotte is verzoekster van mening dat het CTB in de hiervoor genoemde motie Feenstra/Udo aanleiding zou moeten vinden om in dit geval af te wijken van het beleid terzake van aflever- en opgebruiktermijnen zoals het CTB dat op 18 augustus 2001 heeft vastgesteld. Het onverkort toepassen van dit beleid - hetgeen in casu neerkomt op het achterwege laten van een dergelijke termijn - leidt tot een evident onredelijke uitkomst, nu de toelating voor Symphonie waarschijnlijk in 2002 tengevolge van het amendement herleeft. In de tussentijd zouden verzoekster en de telers dan onnodig schade lijden, doordat het middel tijdelijk - maar dan juist tijdens het beperkte toepassingsseizoen - uit de markt is geweest. Dat geldt temeer nu partijen het er over eens zijn dat er geen grond is te vrezen dat het middel in het veld onaanvaardbare schade aan bodemorganismen toebrengt.

Op grond van het vorenstaande vraagt verzoekster de voorzieningenrechter een voorziening te treffen die ertoe strekt dat het gewraakte besluit wordt geschorst en te bepalen dat het middel moet worden behandeld als ware het toegelaten, althans te bepalen dat het middel mag worden verkocht, in voorraad worden gehouden en mag worden gebruikt tot zes weken nadat op het bezwaarschrift zal zijn beslist. Omdat het toepassingsseizoen van het middel Symphonie uitsluitend de maanden maart en april bestrijkt en het CTB bij monde van zijn directeur aan verzoekster heeft laten weten het niet mogelijk te achten nog deze maand op het ingediende bezwaarschrift een besluit te nemen, heeft verzoekster een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

Ter zitting heeft verzoekster hieraan - kort samengevat - nog het volgende toegevoegd.

Eerst een dag voor deze zitting heeft verzoekster ontdekt dat er mogelijk een fout is gemaakt in de proefneming voor het bepalen van de DT50-waarde van het onderhavige middel. Verzoekster heeft ter zitting toegelicht welke vergissing lijkt te zijn begaan en heeft opgemerkt dat hierin een verklaring gevonden zou kunnen worden voor de verschillen in de resultaten die na onderscheid in toepassingsmethode tussen volveldsbehandeling (Monarch) en pootgoedbehandeling (Symphonie) bleken te bestaan met betrekking tot de persistentie van deze middelen in de bodem. Indien de proefneming juist zou zijn uitgevoerd zou dit tot de conclusie hebben geleid dat voldaan wordt aan de eis van artikel 5, lid 1, Bmb, te weten, een DT50 van minder dan 90 dagen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van die beslissing beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.2 Bij het door verzoekster aangevochten besluit van 21 december 2001 heeft verweerder de aanvraag om verlenging van de toelating van het middel Symphonie afgewezen op de grond dat, kort gezegd, niet is voldaan aan de bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet gestelde criteria. Aldus betreft dit besluit een inhoudelijke beslissing op een aanvraag tot verlenging van evenbedoelde toelating. Met het verzoek om voorlopige voorziening wordt van de voorzieningenrechter in wezen gevraagd om de toelating alsnog te verlengen gedurende de bezwaarprocedure. Een zodanig ingrijpende voorziening kan eerst voor toewijzing in aanmerking komen, indien door verzoekster wordt aangetoond dat evenbedoelde inhoudelijke beslissing onmiskenbaar op onjuiste gronden berust.

Partijen, die hun discussie kennelijk - en naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht - vooral hebben geplaatst tegen de achtergrond van het bepaalde bij artikel 5, lid 1, Bmb in samenhang gelezen met het bepaalde in het derde lid van dat artikel, zijn in de eerste plaats verdeeld over het antwoord op de vraag of verweerder al dan niet terecht heeft geoordeeld dat het middel niet voldoet aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in het Bmb.

Verzoekster heeft, samengevat weergegeven, gesteld dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat de werkzame stof flutolanil niet aan de norm van persistentie voldoet en derhalve niet kan worden vastgesteld dat het middel geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft. Verweerder heeft zulks onder verwijzing naar de stukken gemotiveerd weersproken.

Voor de beantwoording van de hiervoor aangegeven vraag heeft in de eerste plaats de

in rubriek 2.2 geciteerde bijlage bij het besluit van 30 november 2000 - waarvan de voor de beslissing op het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening relevante passages zijn weergegeven in die rubriek - de aandacht van de voorzieningenrechter getrokken. Uit deze bijlage, die tevens dient als onderdeel van de motivering van het besluit van 21 december 2001, blijkt dat op basis van de aan verweerder ter beschikking staande gegevens is vastgesteld dat flutolanil een gemiddelde lab DT50-waarde heeft van 267 dagen en mitsdien de grenswaarde van 90 dagen voor de gemiddelde DT50 (lab) wordt overschreden. Vervolgens is uit de beschikbare veld-DT50's gebleken dat de gemiddelde veld-DT50 218 dagen is en derhalve ook de DT50-veld de grenswaarde van 90 dagen overschrijdt, zodat flutolanil voor wat betreft de persistentie niet aan de in artikel 5, lid 1 van het Bmb besloten liggende norm voldoet. Bij onderscheid naar toepassingmethode bleek - aldus het gestelde in deze bijlage - flutolanil voor de volveldsbehandeling (Monarch) wel te voldoen aan de persistentienorm, maar voor pootgoedbehandeling (Symphonie) bleek de gemiddelde DT50-waarde 290 dagen te bedragen.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 3 en 3a van de Wet in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 5, lid 1, Bmb wordt een gewasbeschermingsmiddel slechts toegelaten als dat middel en elk van zijn omzettingsproducten een DT50 van minder dan 90 dagen hebben.

In het licht van vorenstaande conclusies, welke zijn gebaseerd op door verzoekster geleverde gegevens, kan, naar voorlopig oordeel, niet staande worden gehouden dat het standpunt van verweerder, dat met betrekking tot het onderhavige middel niet aan de in artikel 5, lid 1, van het Bmb besloten liggende norm wordt voldaan, in dit opzicht op onmiskenbaar onjuiste gronden is gebaseerd.

Dat verweerder bij het innemen van dit standpunt voorbij zou zijn gegaan aan hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht bij 'Response Document' van 9 november 2001 is niet, althans onvoldoende, aannemelijk geworden.Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat ook het zogenaamde Response Document van verzoekster van 9 november 2001

- telefonisch - ter beoordeling aan het RIVM is voorgelegd en met medewerkers van het RIVM is besproken en dat deze werkwijze in een geval als dit, waarin slechts nog een korte tijd ter beschikking staat voordat een inhoudelijke beslissing moet worden genomen, niet ongebruikelijk is. Deze uiteenzetting komt de voorzieningenrechter niet onaannemelijk voor.

De voorzieningenrechter gaat er mitsdien voorshands van uit dat verweerder op grond van de aan de in geding zijnde beslissing ten grondslag gelegde gegevens terecht heeft geconcludeerd dat het middel voor de pootgoedbehandeling niet voldoet aan de norm voor persistentie als bedoeld in artikel 5, lid 1, Bmb . Uit het voorgaande volgt tevens dat de argumenten die verzoekster heeft willen ontlenen aan het feit dat het middel Monarch wel is toegelaten overtuigingskracht missen nu dit laatste middel kennelijk wel aan de persistentienorm voldoet.

Hetgeen door verzoekster ter zitting met betrekking tot een mogelijk verkeerde proefneming met betrekking tot het middel Symphonie is gesteld, kortweg inhoudende dat aan deze proefneming ontleende gegevens kennelijk onjuist zouden zijn en de door verweerder getrokken conclusies niet zouden kunnen dragen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Vast staat immers dat de proefneming onder verantwoordelijkheid van verzoekster is uitgevoerd, terwijl niet is gebleken dat verzoekster verweerder over de mogelijk foute proefneming in een zodanig vroeg stadium heeft ingelicht dat verweerder daar rekening mee heeft kunnen houden. Verweerder mocht derhalve uitgaan van de juistheid van de door verzoekster geleverde onderzoeksgegevens.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen van de door verzoekster in dit verband ontwikkelde grieven doel treft.

5.3 Nu ervan uit dient te worden gedaan dat flutolanil niet aan de norm voor persistentie als bedoeld in artikel 5, lid 1, Bmb voldoet, staat vervolgens ter beoordeling of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster niet heeft aangetoond dat aan de vereisten van artikel 5, lid 3, onder a en b, Bmb is voldaan en derhalve geen sprake is van een situatie op grond waarvan het bepaalde in artikel 5, lid 1, Bmb niet van toepassing is.

Kernpunt van het tussen partijen dienaangaande ontstane geschil is de vraag of op grond van de door verzoekster geleverde gegevens een MTR voor bodem kon worden uitgevoerd.

Uit bijlage I bij voornoemd besluit van 30 november 2000, dat, als gezegd, mede dient ter motivering van het besluit van 21 december 2001 ten aanzien waarvan thans een voorlopige voorziening wordt gevraagd, blijkt dat door het RIVM de beoordeling van het risico voor bodemorganismen en bodemprocessen niet kon worden uitgevoerd omdat de MTR voor bodem is uitgevoerd op basis van toxiciteitgegevens van flutolanil voor waterorganismen.

Voorts blijkt uit genoemd besluit dat, teneinde een MTR voor de bodem te kunnen uitvoeren, verzoekster aanvullende gegevens diende te leveren, onder andere een groeitoets met planten en studies met betrekking tot schimmels en Colembolla. Ten behoeve van de afronding van de besluitvorming heeft verweerder op basis van artikel 5, eerste lid, Bmw en artikel 7, vijfde lid, Rtb 1995 de toelating van het middel Symphonie verlengd tot

1 december 2001.

Door verzoekster zijn gedurende deze procedurele verlengingsperiode een aantal rapporten en studies overgelegd. Verweerder heeft echter ook deze gegevens als onvoldoende aangemerkt om een adequaat MTR bodem te kunnen vaststellen. Verzoekster meent daarentegen dat op grond van deze gegevens wel degelijk een MTR bodem kan worden vastgesteld.

De in de schriftelijke stukken en ter zitting hieromtrent door partijen, onder verwijzing naar allerhande gegevens, gevoerde discussie, vertoont de trekken van een wetenschappelijk debat en gaat het bestek van deze voorlopige voorzieningenprocedure te buiten. In een geval als het onderhavige is het bij uitstek de procedure die leidt tot de beslissing op het bezwaarschrift waarin partijen hun discussie nader gestalte kunnen geven en eventuele onduidelijkheden tot klaarheid kunnen brengen.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening in een geval als hier aan de orde, waar het op dit punt gaat om de beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster niet heeft aangetoond dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 5, lid 3, onder a en b, Bmb, is in beginsel dan ook slechts plaats wanneer deze vraag - naar voorlopig oordeel - ontkennend dient te worden beantwoord. Verzoekster zal dan aannemelijk moeten maken dat verweerder op grond van de hem ter beschikking staande gegevens, in het licht van de stand van de wetenschap, niet tot een zodanige conclusie heeft kunnen komen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verzoekster daarin niet geslaagd. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Op basis van de door verzoekster binnen de haar gestelde termijn geleverde gegevens is door het RIVM vastgesteld dat bruikbare gegevens ten aanzien van collembola, schimmels, en planten ontbreken en dat het MTR bodem derhalve niet kan worden afgeleid. Op grond van deze conclusies van het RIVM heeft verweerder zijn besluit van 21 december 2001 genomen waarbij hij zijn eerder ingenomen standpunt omtrent het niet voldoen aan de norm voor persistentie heeft gehandhaafd.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster van haar kant te weinig overtuigend materiaal aangedragen om aannemelijk te doen zijn dat verweerder op grond van de hem ter beschikking staande gegevens, in het licht van de stand van de wetenschap, niet tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

Verzoekster heeft veronderstellingen geuit met betrekking tot de effecten van de thans in uitvoering zijnde Collembola studie. Voorts heeft zij met betrekking tot de verlangde gegevens betreffende schimmels gesteld dat de NOEC bij een 'super' worst case scenario uit zal komen op 5 mg/kg en heeft zij ten aanzien van de plantenstudie medegedeeld dat ook zij deze studie niet gelukkig vindt, maar dat deze studie kan worden aangepast en alsdan geen grote verschillen te verwachten zijn. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder niet gehouden worden om op basis van veronderstellingen en verwachtingen ten aanzien van nog te leveren gegevens een gunstig oordeel met betrekking tot de MTR bodem te vormen.

Ook met hetgeen verzoekster op dit punt overigens heeft aangevoerd is zij er niet in geslaagd aan te tonen dat verweerder op grond van de hem ter beschikking staande gegevens niet het standpunt heeft kunnen innemen dat zij niet heeft aangetoond dat is voldaan aan het bepaalde bij artikel 5, lid 3, onder a en b, van het Bmb .

Dat verweerder verzoekster te weinig tijd zou hebben gegund om toereikende gegevens aan te leveren is niet gebleken. Uit de gehele gang van zaken met betrekking tot de behandeling van verzoeksters aanvraag blijkt het volgende.

Verweerder heeft onderzoek laten verrichten door het RIVM aan de hand van door verzoekster ten behoeve van bedoelde aanvraag geleverde gegevens. Op basis van de uitkomst van dit onderzoek heeft zij verzoekster geïnformeerd omtrent het voornemen tot beëindiging van de toelating van het middel en heeft zij verzoekster een termijn van één jaar gegund om gegevens aan te dragen op grond waarvan alsnog een MTR voor bodemorganismen berekend zou kunnen worden kennelijk teneinde te kunnen vaststellen of het bepaalde in artikel 5, derde lid, van het Bmb , toepassing zou kunnen vinden. Verzoekster heeft geen bezwaar gemaakt tegen de termijn van deze - procedurele - verlenging. Integendeel, in haar brief van 8 februari 2001 heeft verzoekster, zo verstaat de voorzieningenrechter, de verwachting uitgesproken binnen de gestelde termijn alle benodigde gegevens te kunnen overleggen. In haar brief van 9 april 2001 heeft zij verweerder bericht dat alle nog lopende studies uiterlijk in juli 2001 beschikbaar zijn en dat zij ervan uit gaat dat de planning voor het indienen van de nog resterende gegevens acceptabel is. Derhalve moet er voorshands van worden uitgegaan dat verweerder verzoekster voldoende tijd heeft gegund om de verlangde gegevens te leveren.

Verweerder heeft, naar voorlopig oordeel, derhalve terecht geconcludeerd dat geen sprake is van een situatie op grond waarvan het bepaalde in artikel 5, lid 1, Bmb hier niet van toepassing is.

Nu door verzoekster niet is aangetoond dat is voldaan aan de vereisten van artikel 5 van het Bmb , heeft verweerder terecht geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat er geen sprake is van voor het milieu onaanvaardbare risico's en derhalve niet wordt voldaan aan het bepaalde bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet. De door verzoekster in dit verband opgeworpen grieven kunnen derhalve niet tot het door haar gewenste resultaat leiden.

5.4 Voor zover verzoekster heeft betoogd dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de hem ter beschikking staande mogelijkheid om tot een procedurele verlenging te besluiten, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Gelet op de conclusie dat op grond van de in de, afgeronde, (verlengings-) aanvraagprocedure aangedragen en toegelichte gegevens, niet wordt voldaan aan het bepaalde bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet, biedt de Wet, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, in een situatie als de onderhavige geen ruimte om, onder verwijzing naar artikel 5 van de Wet, dan niettemin tot verlenging van de toelating van de in geding zijnde bestrijdingsmiddelen over te gaan.

Het specifieke karakter van het instituut van de procedurele verlenging geeft naar zijn aard slechts een termijn met het oog op het verkrijgen van inzicht in de vraag of nog steeds aan de voorwaarden voor toelating wordt voldaan. Dit karakter valt af te leiden uit het bepaalde bij artikel 5, eerste lid, derde volzin, van de Wet, waaruit blijkt dat de toelating kan worden verlengd voor de periode, die met de beoordeling van de aanvraag tot verlenging is gemoeid.

De uitkomst van die beoordeling is, blijkens het bepaalde bij artikel 5, eerste lid, tweede volzin, van de Wet beslissend voor het antwoord op de vraag of ten aanzien van de betrokken middelen nog steeds aan die voorwaarden voor toelating is voldaan.

Gelet op het eerstoverwogene valt niet in te zien dat nu verweerder in het thans aangevallen besluit tot de conclusie is gekomen dat met betrekking tot het onderhavige bestrijdingsmiddel voor de hier relevante toepassingen niet ten volle aan het bepaalde bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet is voldaan - een noodzaak tot verder onderzoek en dus tot verlenging zou bestaan.

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat er geen wettelijke grondslag valt aan te wijzen waarop verlenging van de gewraakte toelating in een geval als het onderhavige kan worden gebaseerd. Hetgeen verzoekster in dit verband heeft betoogd slaagt derhalve niet.

5.5 Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het oordeel dat verweerder in het onderhavige geval ten onrechte geen afleverings- en opgebruiktermijn heeft gesteld, zoals door verzoekster is bepleit. Daartoe wordt het volgende overwogen.

In de systematiek van artikel 4 van de Richtlijn, waarin, blijkens de rubricering, de verlening, herziening en intrekking van toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen is geregeld, kan een toelating eindigen door niet-verlenging daarvan na het verstrijken van de periode waarvoor de toelating is verstrekt (lid 4), door herziening (lid 5) en door intrekking (lid 6).

De bevoegdheid van de Lid-Staat aflever- en opgebruiktermijnen vast te stellen is uitsluitend opgenomen in het zesde lid van artikel 4. Bij strikt grammaticale interpretatie van de Richtlijn op dit punt zou zulks tot de opvatting kunnen leiden dat zodanige termijnen uitsluitend kunnen worden vastgesteld in het geval de toelating op de in dat artikellid geregelde wijze wordt beëindigd. Uitgaande van die opvatting zouden aflever- en opgebruiktermijnen slechts kunnen worden vastgesteld in het geval een toelating wordt ingetrokken. De voorzieningenrechter sluit evenwel niet uit, naar hij reeds bij eerdere gelegenheid heeft overwogen (uitspraak van de president van het College van 12 juni 2001, geregistreerd onder nummer Awb 01/370), dat de Richtlijn, gelet op de strekking van met name het bepaalde bij artikel 4, lid 6, onder a, toch, in voorkomende, bijzondere gevallen, met name waarin de toelating abrupt is beëindigd en die in zoverre met een intrekking op één lijn kunnen worden gesteld ruimte laat voor het toestaan van een aflever- en opgebruiktermijn, die in verhouding moet staan tot de redenen van die beëindiging.

Ingevolge artikel 2, vijfde en zesde lid, van de Wet kan een aflever- en opgebruiktermijn worden vastgesteld voor "een bestrijdingsmiddel, dat niet meer is toegelaten".

De tekst van artikel 2 laat aldus in principe ruimte voor het vaststellen van zodanige termijnen in alle situaties waarin de toelating van een bestrijdingsmiddel wordt beëindigd of is geëindigd. Gelet evenwel op de omstandigheid dat, naar voorlopig oordeel, ingevolge de Richtlijn, die in de Wet is geïmplementeerd, hoogstens aflever- en opgebruiktermijnen kunnen worden vastgesteld in de situatie waarin een toelating door intrekking is geëindigd of in situaties die daarmee op één lijn moeten worden gesteld, moet, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, ervan worden uitgegaan dat ook de in artikel 2, vijfde en zesde lid, van de Wet neergelegde bevoegdheid om dergelijke termijnen vast te stellen uitsluitend tot die situaties is beperkt. De oorspronkelijke, in de Nota naar aanleiding van het eindverslag van 23 december 1974 verwoorde bedoeling van de wetgever, dat het toepassingsbereik van het vijfde lid van artikel 2 van de Wet in feite is beperkt tot die gevallen waarin een toelating wordt ingetrokken op verzoek van de toelatinghouder, sluit hierbij in wezen aan.

Gelet op de omstandigheid dat artikel 2, vijfde lid, van de Wet, gelet op het bepaalde in de Richtlijn, in wezen slechts in de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever past in de op de aflever- en opgebruiktermijnen betrekking hebbende systematiek van de Richtlijn, kan bezwaarlijk worden aangenomen dat thans ook in andere situaties dan die van intrekking

- of een daarmee op één lijn te stellen situatie - gebruik kan worden gemaakt van de in artikel 2, vijfde en zesde lid, van de Wet neergelegde bevoegdheid. Bovendien heeft de wetgever met de in de Implementatiewet en in de Wijzigingswet 1998 opgenomen wijzigingen van het vijfde lid van artikel 2 - in lijn met de hiervoor geschetste systematiek van de Richtlijn - niet beoogd het toepassingsbereik van dit artikellid te verruimen. Uit de wetsgeschiedenis van eerstgenoemde wijzigingswet blijkt daarentegen dat genoemd artikellid is gewijzigd omdat het oorspronkelijke vijfde lid slechts de basis bood opgebruiktermijnen vast te stellen, terwijl artikel 4, zesde lid, van de Richtlijn niet alleen daarvoor een grondslag biedt, maar ook voor het vaststellen van termijnen voor aflevering en verwijdering. Om die reden is de in het vijfde lid neergelegde bevoegdheid opgebruiktermijnen vast te stellen uitgebreid met de bevoegdheid aflever- en verwijderingstermijnen vast te stellen. De wijziging van het vijfde lid van artikel 2 en de toevoeging van het huidige zesde lid bij de Wijzigingswet 1998 hield blijkens de wetsgeschiedenis van deze wet uitsluitend verband met de verzelfstandiging van verweerder. Ditzelfde geldt, zo blijkt uit de in rubriek 2.1.1 opgenomen toelichting bij het besluit van Staatssecretaris van 12 juli 1999, voor het vervallen van de artikelen 2 en 2a van de Uitvoeringsregeling bestrijdingsmiddelen .

Op grond van het vorenoverwogene moet derhalve, voorlopig, worden geconcludeerd dat, de ruimte om aflever- en opgebruiktermijnen toe te staan beperkt is tot gevallen waarin een toelating wordt ingetrokken en de gevallen die daarmee op één lijn zijn te stellen.

Van intrekking kan eerst sprake zijn wanneer het gaat om een ingreep in reguliere toelatingen, waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken. Dat is hier niet het geval. Bij het besluit van 21 december 2001 heeft verweerder de aanvragen om verlenging van de toelating afgewezen.

Evenmin is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in casu sprake van een geval waarin de toelating abrupt is beëindigd en die in zoverre met een intrekking op één lijn kan worden gesteld. Uit de hiervoor geschetste voorgeschiedenis blijkt dat verzoekster bij brief van 30 november 2000 van het voornemen tot beëindiging van de toelating op de hoogte is gesteld en dat bij besluit van - eveneens - 30 november 2000 de toelating van het middel procedureel is verlengd tot 1 december 2001, teneinde verzoekster in de gelegenheid te stellen alsnog aanvullende gegevens te leveren ten behoeve van de bepaling van het MTR voor bodemorganismen.

Het voorgaande leidt tot het, voorlopige, oordeel dat het verweerder in een situatie als hier, gelet op het bepaalde bij de Wet, zoals deze in het licht van de Richtlijn moet worden uitgelegd, niet vrijstond om voor het onderhavige middel een aflever- of opgebruiktermijn vast te stellen. Dat verzoekster binnen de haar gestelde termijn er niet in is geslaagd het gevraagde aan te tonen, maakt dit niet anders.

5.6 Evenmin behoefde de omstandigheid dat inmiddels een voorstel tot wijziging van de Wet aanhangig is en waarmee onder meer beoogd wordt een nieuw artikel 25d aan de Wet toe te voegen, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor verweerder aanleiding te zijn om tot een ander besluit te komen.

Uit het gestelde in rubriek 2.3 van deze uitspraak blijkt dat van de zijde van de Raad van State fundamentele juridische kritiek is uitgeoefend op dit onderdeel van het wetsontwerp. Die kritiek houdt onder meer in dat hier een systeem wordt geïntroduceerd dat neerkomt op een vergunning van rechtswege waaraan een mate van onzekerheid inherent is die zeker op dit terrein zou moeten worden vermeden. Deze kritiek lijkt ook na indiening van het amendement van de leden Feenstra en Udo, nr 9, van 6 november 2001, dat niet alleen op biociden ziet, niet geheel zonder voorwerp te zijn. Mede bezien in het licht van deze kritiek heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het onzeker is of dit onderdeel van het wetsontwerp tot Wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, 27 085, kracht van wet zal krijgen, zodat verweerder reeds hierom daarin geen aanleiding heeft behoeven vinden om anders te beslissen dan hij hier heeft gedaan.

Het verzoek om voorlopige voorziening moet, gelet op al het vorenstaande, worden afgewezen. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter, in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2002.

w.g. R.R. Winter w.g. M.J. van den Broek-Prins


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature