Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5418
LJN AD5418, Rechtbank 's-Gravenhage, AWB 01/19061

Inhoudsindicatie:

SAMENVATTING

Bewaring / kennisgeving / schadevergoeding.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat de bewaring is opgeheven, omdat verweerder de rechtbank niet tijdig met toepassing van artikel 96, eerste lid, Vw 2000 , in kennis heeft gesteld van het voortduren van de bewaring. Gelet op de laatste volzin van artikel 121, tweede lid, Vw 2000 , had deze kennisgeving uiterlijk op 28 april 2001 moeten worden gedaan. De gemachtigde heeft verzocht de aan betrokkene toe te kennen schadevergoeding te matigen, in die zin dat over de eerste twee weken na 28 april 2001 geen schadevergoeding is verschuldigd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het niet tijdig doen van de kennisgeving een formeel gebrek is. Voorts heeft de rechtbank op grond van artikel 96, tweede en derde lid, Vw 2000, na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving een termijn van in totaal twee weken voor het verrichten van vooronderzoek en het doen van uitspraak. Gelet hierop is de bewaring eerst na afloop van die termijn onrechtmatig, althans is de vreemdeling eerst dan in zijn belangen geschaad door het niet tijdig doen van de kennisgeving, aldus verweerder. De rechtbank overweegt dat deze redenering miskent dat de termijn waarbinnen een kennisgeving ex artikel 96 Vw 2000 moet worden gedaan een essenti ële waarborg is om het onnodig voortduren van de bewaring te voorkomen. Verweerder dient zich binnen deze termijn een oordeel te vormen over de vraag of het voortduren van de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is. Bij een ontkennende beantwoording van die vraag dient verweerder de bewaring onmiddellijk op te heffen. Indien voortduring van de bewaring naar het oordeel van verweerder wél gerechtvaardigd is, dient hij daarvan binnen deze termijn aan de rechtbank kennis te geven, opdat deze zich hierover kan uitspreken. Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat bij overschrijding van de voor het doen van de kennisgeving ex artikel 96 Vw 2000 gestelde termijn de bewaring eerst vanaf een later gelegen tijdstip onrechtmatig is of dat de vreemdeling eerst dan in zijn belangen is geschaad door de termijnoverschrijding. In dit geval eindigde de termijn voor het doen van de kennisgeving ingevolge artikel 121, tweede lid, laatste volzin, Vw 2000, op 28 april 2001. Omdat dit een zaterdag was, wordt deze termijn op grond van artikel 1, eerste lid, Algemene termijnenwet , verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is, te weten tot en met 1 mei 2001. De rechtbank is van oordeel dat de bewaring met ingang van 2 mei 2001 - de dag na die waarop de kennisgeving uiterlijk had moeten worden gedaan - onrechtmatig was en dat betrokkene met ingang van die datum recht heeft op schadevergoeding. Toewijzing verzoek om schadevergoeding.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug