< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/36 6 juni 2001

14040

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr W.J.A. van Haperen,

tegen

de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), te Rijswijk, verweerster,

gemachtigde: mr P.Th.J.M. Hamilton.

1. De procedure

Op 18 januari 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen een besluit van verweerster van 13 december 1999.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar dat appellante en

C hebben gemaakt tegen een besluit van verweerster van 23 juni 1999.

Bij schrijven van 18 april 2000 heeft appellante een aanvullend beroepschrift ingediend.

Verweerster heeft op 19 juni 2000 haar verweer ingediend.

Op 9 mei 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij artikel 34 van het Besluit goederenvervoer over de weg (Stb. 1992, 197) is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

" 2. Aan de eis van betrouwbaarheid wordt niet langer voldaan indien herhaaldelijk bij onherroepelijk vonnis van de burgerlijke rechter is vastgesteld dat de in het beroep geldende loon- en andere op geld waardeerbare arbeidsvoorwaarden niet zijn nageleefd.

(...)

4. Bij ministeriële regeling wordt in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgesteld op welk tijdstip de periode van drie jaar een aanvang neemt en bij welke aard van de overtredingen en cumulatie van veroordelingen onderscheidenlijk vonnissen genoemd in het eerste en tweede lid, niet langer meer wordt voldaan aan de eis van betrouwbaarheid."

Bij de Regeling ontvallen betrouwbaarheid (Stcrt. 1992, 99; hierna: de Regeling) is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

" Artikel 1

1. Aan de eis van betrouwbaarheid, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a van de wet wordt niet langer voldaan indien in een aaneengesloten periode van drie jaar:

(...)

b. op grond van vonnissen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, drie of meer punten zijn toegekend

(...)

Artikel 2

(...)

2. Bij onherroepelijke vonnishoudende vaststelling van niet nakoming van de in het beroep geldende loon- en overige op geld waardeerbare arbeidsvoorwaarden wordt per vonnis één punt toegekend.

(...)

Artikel 3

1. De in artikel 1 genoemde periode van drie jaar vangt aan op het tijdstip van de toekenning van een punt (...).

2. Als tijdstip van de toekenning van een punt geldt de datum (...) van het vonnis.

3. Een toegekend punt (...) vervalt drie jaar na het tijdstip van de toekenning.

Artikel 4

1. De Directeur van de Rijksverkeersinspectie doet van een veroordeling als bedoeld in artikel 2 mededeling aan de NIWO.

2. De NIWO kent overeenkomstig deze regeling punten toe en stelt de belanghebbende op de hoogte van de toekenning van een punt (...)."

2.2 De volgende feiten en omstandigheden, voorzover thans van belang, zijn ten processe komen vast te staan.

- De kantonrechter te Arnhem heeft bij vonnis van 4 mei 1998 appellante veroordeeld tot betaling van niet uitbetaalde overuren.

- Verweerster heeft bij besluit van 23 juni 1999 vanwege voormeld vonnis één punt op grond van de Regeling toegekend dat blijkens het besluit moet worden "toegerekend" aan appellante en aan C. Het punt is toegekend vanaf 4 mei 1998.

- Appellante en C hebben tegen voormelde beschikkingen bezwaar gemaakt.

- Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van appellante

Om redenen waarvan hierna zal blijken, kan weergave van het bestreden besluit en het standpunt van appellante achterwege blijven.

4. De beoordeling

Nu het toegekende punt, gelet op artikel 3, derde lid, van de Regeling, per 4 mei 2001 is vervallen en in confesso is dat de toekenning van dit punt geen gevolg heeft gehad in de vorm van een intrekking van de aan appellante verleende vergunning voor goederenvervoer over de weg dan wel anderszins, moet achteraf worden geconstateerd dat de toekenning van dit punt geen rechtens relevante gevolgen heeft gehad. Derhalve valt niet in te zien welk rechtens te honoreren belang appellante nog heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de toekenning van dit punt. Zoals het College reeds meermalen heeft overwogen is een louter principieel belang bij een uitspraak onvoldoende. Desgevraagd heeft appellante niets anders dan juist dit belang aangevoerd.

Het beroep moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

5. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr H.G. Lubberdink, mr M.J. Kuiper en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2001.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. R.P.H. Rozenbrand


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature