Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Uitspraak



Kamer II

WAMIL

Arrondissementsrechtbank te Arnhem

Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht

Reg.nr.: 1998/1767

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], geboren op [datum] 1939, wonende te [woonplaats], eiser,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, vertegenwoordigd door uitvoeringsinstelling GAK Nederland B.V., verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 20 augustus 1998.

2. Feiten en procesverloop

Eiser was vanaf 1 september 1958 als beroepsmilitair in dienst bij het Ministerie van Defensie. Per 1 september 1971 is eiser eervol ontslagen als beroepsofficier en is hij een 'burgercarrière' begonnen. Per dezelfde datum is eiser benoemd en aangesteld als reservist.

Per 1 juli 1992 is eiser vanwege psychische klachten en gehoorklachten uitgevallen uit zijn functie als [nieuwe functie].

Tijdens een herhalingsoefening als reservist van 18 november 1992 tot en met 5 december 1992 heeft eiser geconstateerd dat hij in verband met voornoemde klachten (ook) niet meer kan functioneren als reservist.

Bij schrijven van 8 december 1992 heeft eiser een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor een invaliditeitspensioen op grond van de Algemene Militaire Pensioenwet (AMPW). In het kader van de beoordeling van eisers recht op het verzochte pensioen op grond van AMPW heeft er een geneeskundig onderzoek bij de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen van de DZPM plaatsgehad. In dat onderzoek is geconstateerd dat de voornoemde gehoorklachten reeds bestonden per datum ontslag als beroepsmilitair in 1971 en dat deze niet zijn verergerd in zijn periode als reservist. Voorts is bepaald dat eiser in verband met de voornoemde klachten per 10 december 1991 gedeeltelijk arbeidsongeschikt in de zin van de AMPW wordt beschouwd. Aan eiser is als gewezen beroepsmilitair met terugwerkende kracht per 10 december 1991 een gedeeltelijk (15-25%) militair invaliditeitspensioen op grond van de AMPW toegekend.

Bij besluit van 11 december 1996 is aan eiser met terugwerkende kracht per 10 december 1991 eervol ontslag verleend uit zijn functie als reservist.

Over de periode van 1 juli 1992 tot 1 maart 1995 is aan eiser voorts een bijzondere uitkering ter derving van inkomsten toegekend in het kader van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).

Met een aanvraagformulier, gedateerd op 28 juli 1997, heeft eiser verweerder verzocht om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (WAMIL) op basis van een op 1 mei 1996 ingetreden arbeidsongeschiktheid als reservist. In een brief van 28 november 1997 heeft eiser aangegeven dat als eerste arbeidsongeschiktheidsdatum 10 december 1992 dient te gelden.

Bij besluit van 3 april 1998 heeft verweerder toekenning van een WAMIL-uitkering terzake op 10 december 1992 ingetreden arbeidsongeschiktheid geweigerd.

Eiser heeft op 22 april 1998 tegen dat besluit bezwaar gemaakt. De gronden van dit bezwaar zijn op 18 mei 1998 aangevuld. Eiser heeft zijn bezwaar toegelicht in een hoorzitting van 2 juni 1998. In een brief van 2 juni 1998 heeft eiser zijn bezwaarschrift opnieuw nader aangevuld.

De bezwaarverzekeringsarts, P.M.H-J. Tjen, heeft op 24 juni 1998 een rapportage algemeen opgemaakt.

Op 22 juli 1998 heeft eiser een nadere reactie gegeven.

Bij het in rubriek 1 genoemde besluit van 20 augustus 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 29 september 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 23 oktober 1998 een verweerschrift ingediend.

Op vragen van de rechtbank heeft eisers gemachtigde mr. H.J. Weekers, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, nadere stukken ingezonden bij brief van 6 oktober 2000.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 11 oktober 2000, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door mr. H.J. Weekers, en waar verweerder zich (na berichtgeving) niet heeft doen vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Verweerder heeft eisers verzoek om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de WAMIL in verband met per 10 december 1992 ingetreden arbeidsongeschiktheid bij besluit van 3 april 1998 geweigerd. In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard en is dit besluit gehandhaafd. Beoordeeld dient te worden of het bestreden besluit rechtens in stand kan blijven.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de reeds sedert arbitrair 1 juli 1992 (in het kader van een eerdere AAW-aanvraag) vastgestelde medische beperkingen in de periode 18 november 1992 tot 6 januari 1993 niet zijn gewijzigd. Voorts is verweerder van oordeel dat eisers verdienvermogen in voornoemde periode niet is gewijzigd en er dus geen arbeidsongeschiktheid is ingetreden, welke vervolgens 52 weken heeft geduurd. Het feit dat eiser niet langer geschikt wordt geacht voor zijn functie als reservist leidt aldus niet tot arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAMIL omdat zijn verdiencapaciteit ten aanzien van passende arbeid in de periode 18 november 1992 tot 6 januari 1993 dezelfde is gebleven als vóór 18 november 1992.

Alvorens tot een nadere beoordeling van het bestreden besluit te kunnen komen, dient naar het oordeel van de rechtbank eerst te worden beoordeeld of eiser ten tijde in geding behoort tot de kring van belanghebbenden als geregeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de WAMIL .

Op grond van het bepaalde in artikel 1, eerste lid, onder a van de WAMIL , zoals luidend ten tijde in geding, dient als belanghebbende in de zin van de WAMIL te worden aangemerkt:

1) dienstplichtigen in de zin van de Dienstplichtwet;

2) hij die verplicht tot het reserve-personeel der krijgsmacht behoort;

3) hij, die is aangesteld bij het reserve-personeel der krijgsmacht om bij het Korps Nationale Reserve, als bedoeld in het Besluit Nationale Reserve, militaire dienst te verrichten

4) hij, die krachtens artikel 51 van de Oorlogswet voor Nederland wordt aangemerkt als militair.

Bij wet van 29 augustus 1991 (Stb. 1991, 460) is de tekst van artikel 1, eerste lid, ten tweede en ten derde gewijzigd. Tot die datum luidde artikellid 2:

2) hij, die behoort tot het reservepersoneel der krijgsmacht en niet krachtens een verbintenis verplicht is tot doorlopende werkelijke dienst.

Blijkens de Memorie van Toelichting (vergaderjaar 1990-1991, 21845, nr.3.) werd de categorie reservepersoneel, die krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot het verrichten van doorlopende werkelijke dienst, sedert de inwerkingtreding van het AMAR aangesteld als beroepsmilitair voor bepaalde tijd. Daarmee diende deze categorie te vervallen als belanghebbende en diende artikel 1, eerste lid, onder a van de WAMIL zo te worden gewijzigd dat zij die verplicht tot het reservepersoneel behoorden, onder de werking van de WAMIL bleven vallen.

Eisers gemachtigde heeft in zijn brief van 6 oktober 2000 de rechtbank bericht dat eiser behoorde tot de categorie van artikel 1, onder a ten tweede, van de WAMIL zoals dat tot september 1991 luidde, te weten degene die behoort tot het reservepersoneel der krijgsmacht en niet krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot doorlopende werkelijke dienst.

In een voorts door eisers gemachtigde overgelegd schrijven van 6 oktober 2000 van het Hoofd van de Afdeling Pensioenen en Sociale Zekerheid van het ministerie van Defensie, is als volgt bericht:

"Kijkend naar artikel 1, eerste lid, onder a, ten eerste van "de Wamil zoals dat artikel na de wijziging in 1991 luidt "(Stb. 1991, 460) is betrokkene geen belanghebbende in de zin "van de Wamil. Voor genoemde wijziging zou betrokken wel als "belanghebbende aangemerkt zijn. Voor de aanleiding van de "wetswijziging verwijs ik naar de hierbij gevoegde "wetsgeschiedenis. Als reden waarom dit artikel is gewijzigd "wordt aangegeven dat de reservist die krachtens een "vrijwillige verbintenis verplicht is tot het verrichten van "werkelijke dienst sedert de inwerkingtreding van het AMAR "(1 januari 1983) word aangesteld als beroepsmilitair voor "bepaalde tijd. Betrokkene is echter ruim voor genoemde datum "van inwerkingtreding van het AMAR bij KB van 16 juli 1971, nr "54 aangesteld bij het reservepersoneel. Deze aanstelling is "in 1983 niet omgezet in een contract voor bepaalde tijd. "Kijkend naar de bedoeling van genoemde wetswijziging had "eigenlijk middels een overgangsbepaling bij deze "wetswijziging voorzien moeten worden in de situatie zoals "geldend voor de heer [eiser] waardoor hij wel naar de "letter van de wet als belanghebbende zou kunnen worden "aangemerkt. Dit is niet gebeurd. Kijkend echter naar de "bedoeling en de geest van de Wamil zou betrokkene als "belanghebbende moeten worden aangemerkt."

Eiser heeft voorts ter zitting nader toegelicht dat men na het vijfenveertigste levensjaar (uitsluitend) als vrijwilliger werkzaam kan zijn als reservist.

Het geheel beziend, komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser niet valt onder het belanghebbende begrip, waarin de wetgever sedert 30 augustus 1991 heeft voorzien. De rechtbank is van oordeel dat het de rechtsvormdende taak van de rechter te buiten zou gaan indien zij niettegenstaande de restrictieve tekst van artikel 1, onder a, ten tweede, van de WAMIL , eiser als belanghebbende zou aanmerken, zulks op grond van de bedoeling en de geest van de WAMIL.

Het vorenstaande houdt in dat verweerder terecht - zij het op andere gronden dan de rechtbank aanneemt - heeft besloten eiser niet in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAMIL.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank mitsdien van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het besluit van 20 augustus 1998 geen doel treffen. Van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel is de rechtbank niet gebleken. Nu er evenmin een andere reden is om het bestreden besluit voor onjuist te houden, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb . Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.J. Schaap, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2000, in tegenwoordigheid van

W.J. Bosveld als griffier.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb , binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 18 oktober 2000

Coll:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature