< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Uitspraak



Raad vanState

199901124/1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2000

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Budel Zink B.V." te Budel,

appellante,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 1998 heeft verweerder de aanvraag van appellante om een subsidie op grond van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie (hierna: het Subsidiebesluit) ten behoeve van haar project "Century deSO." afgewezen.

Bij besluit van 18 mei 1999, gewijzigd bij besluit van 13 juli 1999, heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Tegen het besluit van 18 mei 1999 heeft appellante bij brief van 27 juni 1999, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 1999, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 31 januari 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door drs. ing . M.W. de leeuw, gemachtigde, en ir. J.F.M. van Driel, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J. Durville en ir. W.C. van der Lans, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wet) kan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het gebied van het milieubeheer subsidie verstrekken.

Ingevolge artikel 15.13, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet worden bij een algemene maatregel van bestuur of ministeri ële regeling als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval regels gesteld omtrent criteria voor de verstrekking.

2.1.2. Ter uitvoering van artikel 15.13, eerste en tweede lid, van de Wet strekt het Subsidiebesluit, dat op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van het Besluit milieusubsidies is ingetrokken met ingang van 1 januari 1999.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van het Besluit milieusubsidies blijft het Subsidiebesluit, zoals dat luidde voor het tijdstip waarop het Besluit milieusubsidies in werking is getreden, van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van laatstgenoemd besluit op grond van het Subsidiebesluit zijn aangevraagd.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Subsidiebesluit - voorzover hier van belang - worden bij de vaststelling van de subsidieplafonds voor de uitvoering van dit besluit, krachtens artikel 15.13, derde lid, van de Wet tevens de programma 's of zakelijke inhoud daarvan vastgesteld in het kader waarvan op grond van dit besluit subsidie kan worden verstrekt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Subsidiebesluit - voorzover hier van belang - kan op aanvraag een bijdrage worden verleend, indien de aanvrager in hoofdzaak in Nederland een project uitvoert dat past binnen een programma en dat, mede gelet op de in het tweede lid genoemde aspecten, voorzover deze van toepassing zijn, naar het oordeel van de Minister bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c en g, van het Subsidiebesluit - voorzover hier van belang - zijn de aspecten, bedoeld in het eerste lid, tenminste de oorspronkelijkheid van het project en de toepassingsmogelijkheden van producten, apparaten, systemen of technieken waarop het project betrekking heeft en de markt daarvoor.

2.1.3. Bij besluit van 6 maart 1998 heeft de Minister vastgesteld de regeling "Vaststelling programma's en subsidieplafonds 1998 Subsidiebesluit milieugerichte technologie" (Stcrt. 1998, 50).

Ingevolge artikel 1 van de ze regeling kunnen met toepassing van het Subsidiebesluit in 1998 subsidies worden verstrekt voor projecten in het kader van - onder meer - het in artikel 5 bedoelde programma.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de regeling heeft het Programma Milieutechnologie 1998 als doet het bevorderen van de praktische toepassing van milieugerichte technologie. Op het programma kan subsidie worden aangevraagd door bedrijven, (onderzoeks)instellingen, universiteiten en andere organisaties, die niet tot de rijksoverheid behoren, die innovatieve grensverleggende technologieën ontwikkelen en demonstreren, leidend tot schonere processen.

2.1.4. Bij besluit van 16 mei 1998 heeft de Minister vastgesteld de regeling “Mandaatregeling Novem Subsidiebesluit milieugerichte technologie" (Stcrt. 1998, 99). Op basis van deze regeling heeft de Minister aan bepaalde personen van de Nederlandse onderneming voor energie en milieu B.V. (Novem) mandaat verleend tot het nemen van besluiten als thans aan de orde.

2.2. Voorop moet worden gesteld dat het beroep, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van verweerder van 13 juli 1999.

2.3. Op 15 september 1998 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een subsidie in het kader van het Programma Milieutechnologie 1998 voor de basismetaalindustrie ten behoeve van haar demonstratieproject "Century deSO.". Dit project voorziet in een verwijderingstechniek voor zwaveldioxide, waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenoemde dubbelabsorptie in een 3 + 2 configuratie, bestaande uit een combinatie van drie met cesium gedoteerde katalysatorbedden met tussenabsorptie en twee met cesium gedoteerde katalysatorbedden met eindabsorptie.

2.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van deze aanvraag gehandhaafd. Hij heeft hiertoe overwogen dat - hoewel de toepassing van een 3 + 2 configuratie in combinatie met een cesium-katalysator in Nederland nog niet is gerealiseerd - deze toepassing niet substantieel grensverleggend is, maar-moet worden beschouwd als 'good engineering practice'. Daarmee is het project naar het oordeel van verweerder onvoldoende oorspronkelijk. Hij is voorts van oordeel dat de toepassingsmogelijkheden van de techniek in Nederland te beperkt zijn.

2.5. Appellante heeft aangevoerd dat het project aanzienlijk grensverleggend is, omdat een verlaging van de emissie van SOx tot minder dan 200 mg/Nm3 en een verhoging van het percentage SO. dat kan worden verwijderd van 99,81 % naar ten minste 99,92%, bij de toepassing van een katalysator uniek is. Zij heeft gesteld dat niet zozeer sprake is van 'good engineering practice', als wel van een nieuwe stand der techniek. Appellante heeft verder betoogd dat haar technologie generiek toepasbaar is bij industriële nieuwbouw en bij de bestaande zwavelzuurfabrieken in Nederland.

2.6. De Afdeling overweegt dat verweerder - gelet op artikel 3, eerste lid, van het Subsidiebesluit - beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of het project van appellante bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het Programma Milieutechnologie 1998. Gegeven deze beoordelingsvrijheid en gezien het negatieve advies van het Programmacollege Milieutechnologie van 6 oktober 1998, dat met het oog op de voorliggende aanvraag is opgesteld en dat verweerder bij zijn gehandhaafde afwijzing heeft betrokken, kan niet staande worden gehouden dat verweerder niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het door appellante aangevraagde project in zijn geheel beschouwd onvoldoende oorspronkelijkheid en toepassingsmogelijkheden kent in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c en g, van het Subsidiebesluit. De stellingen van appellante bieden op zichzelf geen grond voor de conclusie dat verweerder ten onrechte tot zijn oordeel is gekomen. Ook de door appellante overgelegde artikelen wijzen niet eenduidig in deze richting.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. Grosheide, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Grosheide w.g. Schuurman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2000

-282.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature