Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 17 juni 2021 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen het rijbewijs van [appellant] vanaf 24 juni 2021 ongeldig verklaard. [appellant] heeft in een politieverhoor verklaard dat hij een alcohol- en cannabisverslaving heeft en op een wachtlijst staat voor opname in een verslavingskliniek. De politie heeft hiervan mededeling gedaan aan het CBR als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994. Het CBR heeft naar aanleiding van deze mededeling besloten dat [appellant] een medisch onderzoek moet ondergaan. De keurend psychiater, M. Hanoeman, heeft dit onderzoek uitgevoerd en bij [appellant] de diagnose alcohol- en drugsmisbruik in de zin van de wet vastgesteld in zijn rapport van 23 januari 2021. Hanoeman acht het niet aannemelijk dat [appellant] is gestopt met het alcoholmisbruik. Hij acht wel aannemelijk dat [appellant] is gestopt met het drugsmisbruik sinds halverwege september 2020.

Uitspraak



202205227/1/A2.

Datum uitspraak: 1 november 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 juli 2022 in zaak nr. 21/3770 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2021 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] vanaf 24 juni 2021 ongeldig verklaard.

Bij besluit van 18 oktober 2021 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juli 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 augustus 2023, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Helmantel, advocaat te Sappemeer, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] heeft in een politieverhoor verklaard dat hij een alcohol- en cannabisverslaving heeft en op een wachtlijst staat voor opname in een verslavingskliniek. De politie heeft hiervan mededeling gedaan aan het CBR als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994. Het CBR heeft naar aanleiding van deze mededeling besloten dat [appellant] een medisch onderzoek moet ondergaan. De keurend psychiater, M. Hanoeman, heeft dit onderzoek uitgevoerd en bij [appellant] de diagnose alcohol- en drugsmisbruik in de zin van de wet vastgesteld in zijn rapport van 23 januari 2021. Hanoeman acht het niet aannemelijk dat [appellant] is gestopt met het alcoholmisbruik. Hij acht wel aannemelijk dat [appellant] is gestopt met het drugsmisbruik sinds halverwege september 2020.

Besluitvorming

2.       Het CBR heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat [appellant] niet rijgeschikt is vanwege de diagnoses alcohol- en drugsmisbruik in de zin van de wet. Het CBR heeft daarom het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard vanaf 24 juni 2021.

Oordeel van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat Hanoeman de diagnose alcoholmisbruik in de zin van de wet voldoende heeft onderbouwd. Zo is de diagnose gebaseerd op de verklaring die [appellant] tijdens het politieverhoor over zijn alcoholverslaving heeft afgelegd, de antwoorden die hij op de vragen tijdens het onderzoek naar zijn alcoholgebruik heeft gegeven en de omstandigheid dat hij opgenomen is geweest in een verslavingskliniek en daarover geen openheid van zaken heeft gegeven. Hanoeman heeft ook meegewogen dat [appellant] frequent de gedachte heeft gehad minder te moeten drinken. Tegenover deze bevindingen van Hanoeman heeft [appellant] niets gezet. Zo heeft hij geen medisch stuk overgelegd waaruit het tegendeel blijkt en heeft [appellant] het CBR ook niet om een tweede onderzoek gevraagd. Het enkel weerspreken van de bevindingen van Hanoeman is onvoldoende volgens de rechtbank. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat [appellant] ook op de zitting geen openheid van zaken heeft gegeven over zijn opname in de verslavingskliniek.

4.       Ten aanzien van de diagnose drugsmisbruik in de zin van de wet heeft de rechtbank geoordeeld dat de vraag of CBD-wiet tot de psychoactieve middelen behoort niet beantwoord hoeft te worden, omdat de conclusie van Hanoeman dat sprake is van drugsmisbruik al los hiervan logisch volgt uit de door [appellant] omschreven omstandigheden. Zo heeft [appellant] tijdens het politieverhoor onder andere verklaard dat hij een cannabisverslaving heeft en heeft hij tijdens het onderzoek van Hanoeman verklaard dat hij zes à acht joints per dag rookte.

5.       Naar het oordeel van de rechtbank mocht het CBR zich baseren op het rapport van Hanoeman, omdat de conclusie van Hanoeman dat de bevindingen in onderlinge samenhang bezien een suspect voor alcohol- en drugsproblematiek opleveren navolgbaar is. Volgens de rechtbank heeft Hanoeman zich niet te streng opgesteld. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] daarom ongegrond verklaard.

Wettelijk kader

6.       De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Hogerberoepsgronden en de beoordeling ervan

Gronden

7.       [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. In hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Hanoeman de diagnose alcoholmisbruik in de zin van de wet voldoende heeft onderbouwd en dat hij zich niet te streng heeft opgesteld. Volgens [appellant] had het CBR het rapport van Hanoeman niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. [appellant] stelt dat hij er een andere maatstaf op na houdt als het aankomt op alcoholverslaving. Hij meent dat iemand die één glas alcoholhoudende drank per week drinkt al verslaafd is. Vanuit die overtuiging heeft hij aan de politie verklaard verslaafd te zijn aan alcohol. Volgens de gangbare opvattingen over alcoholgebruik stelt [appellant] dat hij niet moet worden aangemerkt als verslaafd. Zijn alcoholgebruik kan dan ook niet worden aangemerkt als alcoholmisbruik. Hiervoor zijn wat hem betreft ook geen aanwijzingen. Volgens [appellant] heeft Hanoeman ten onrechte niet onderzocht wat hij precies bedoelde met de term "verslaafd" en heeft Hanoeman ten onrechte nagelaten te onderzoeken hoeveel alcohol hij dagelijks gebruikt. Hanoeman had volgens [appellant] ook moeten onderzoeken of hij zodanig verslaafd is dat hij geen motorvoertuig meer kan besturen. In dit verband voert hij aan dat het enkel nuttigen van twee à drie alcoholhoudende glazen per dag niet betekent dat hij geen voertuig kan besturen. De rechtbank is aan dit alles ten onrechte voorbijgegaan, aldus [appellant].

8.       [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR Hanoeman heeft kunnen volgen in zijn beoordeling dat sprake is van drugsmisbruik in de zin van de wet. Volgens [appellant] heeft Hanoeman zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat drugsmisbruik in de zin van de wet blijkt uit wat naar voren is gekomen tijdens het politieverhoor en het door hem verrichte onderzoek. [appellant] erkent dat hij CBD gebruikt, maar stelt zich, onder verwijzing naar informatie van verslavingsdeskundige Jellinek, KWF Kankerbestrijding en het Trimbos-instituut, op het standpunt dat CBD geen psychoactieve stof is. Volgens [appellant] heeft Hanoeman niet toegelicht waarom CBD wat hem betreft wel een psychoactieve stof is en dat deze stof het rijgedrag kan beïnvloeden. Het CBR heeft dan ook ten onrechte de bevindingen van Hanoeman over het drugsgebruik van [appellant] aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, aldus [appellant].

Beoordeling

9.       Een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, mag afgaan op het psychiatrisch rapport dat aan hem is uitgebracht, nadat het is nagegaan of dit rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien de belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het rapport afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.

10.     Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het CBR het rapport van Hanoeman aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

11.     Naar het oordeel van de Afdeling heeft Hanoeman de diagnose alcoholmisbruik in de zin van de wet voldoende onderbouwd. Hanoeman heeft in zijn rapport meerdere aanwijzingen benoemd die de door hem gestelde diagnose ondersteunen. Deze aanwijzingen zijn de uitgebreide verklaringen die [appellant] zelf heeft afgelegd tijdens het politieverhoor over zijn alcoholverslaving en de antwoorden die [appellant] heeft gegeven op de vragen die Hanoeman tijdens het onderzoek over zijn alcohol- en drugsgebruik heeft gesteld. Bij het onderzoek door Hanoeman heeft [appellant] benoemd dat hij halverwege september 2020 opgenomen is geweest in een verslavingskliniek voor zijn alcohol- en drugsgebruik, maar hij heeft daarover geen nadere informatie verstrekt. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door Hanoeman gestelde diagnose. Op de zitting heeft [appellant] desgevraagd toegelicht dat hij vier weken opgenomen is geweest in een verslavingskliniek voor zijn alcohol- en drugsgebruik omdat hij dacht verslaafd te zijn. De opname was volgens [appellant] van korte duur omdat hij volgens zijn behandelaars geen alcoholprobleem had en niet verslaafd was. [appellant] stelt ook niet behandeld te zijn voor alcoholproblematiek. Dit verklaart naar het oordeel van de Afdeling niet waarom [appellant] vier weken lang in een verslavingskliniek heeft verbleven. De Afdeling acht de toelichting die [appellant] hierover op de zitting heeft gegeven dan ook niet overtuigend. [appellant] had door het overleggen van objectieve stukken kunnen aantonen waarom hij vier weken in de kliniek is opgenomen. [appellant] is hiertoe meermaals in de gelegenheid gesteld en hij heeft dit steeds nagelaten. De Afdeling ziet in de op de zitting gegeven toelichting dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door Hanoeman gestelde diagnose. Het betoog slaagt in zoverre niet.

12.     Het betoog slaagt ook voor het overige niet. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] verklaard dat hij zich ook heeft laten opnemen in een verslavingskliniek omdat hij meende een drugsverslaving te hebben. Tijdens zijn verblijf ontdekte hij naar eigen zeggen dat hij niet verslaafd was. Hierop heeft hij na vier weken de kliniek verlaten, aldus [appellant]. Ook voor deze stelling geldt dat deze zonder nadere onderbouwing niet een overtuigende verklaring voor een opname van vier weken in een verslavingskliniek is en dat [appellant] heeft nagelaten zijn beschrijving van wat heeft plaatsgevonden te ondersteunen met objectieve stukken. In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het door Hanoeman gestelde diagnose.

13.     Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het CBR op grond van het rapport van Hanoeman het rijbewijs van [appellant] ongeldig mocht verklaren.

Conclusie

14.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

15.     Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. H. Benek en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Borman

voorzitter

w.g. Dijkshoorn

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2023

735-1068

 

BIJLAGE - Wettelijk kader

 

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. (…)

b. (…)

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

Artikel 134

1. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

2. (…)

3. Het CBR deelt, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 27

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:

a. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen;

b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

Regeling eisen geschiktheid rijvaardigheid

Artikel 2

De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000

8.8.

Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)

Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature