< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 12 december 2018 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



202001384/1/V2.

Datum uitspraak: 7 maart 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 30 januari 2020 in zaak nr. 19/4541 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2018 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Bij besluit van 16 mei 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De staatssecretaris heeft de vreemdeling ongewenst verklaard bij besluit van 28 oktober 2011 omdat hij een gevaar vormde voor de openbare orde. Die ongewenstverklaring gold voor onbepaalde tijd. In de huidige procedure heeft de staatssecretaris de ongewenstverklaring aangemerkt als een inreisverbod waarvan de rechtsgevolgen in beginsel niet langer dan vijf jaar mogen worden gehandhaafd. Omdat die termijn nog niet is verlopen, heeft hij het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen. De vreemdeling betoogt echter dat de staatssecretaris het verzoek had moeten inwilligen, alleen al omdat zijn persoonlijke gedrag geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Hierover gaat de enige grief.

2.       Niet in geschil is dat de ongewenstverklaring moet worden aangemerkt als inreisverbod in de zin van artikel 3, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtsgevolgen ervan vallen dan ook binnen de werkingssfeer van die richtlijn (arrest van het Hof van Justitie van 19 september 2013, ECLI:EU:C:2013:569, Filev en Osmani, punten 40 en 41). Dit betekent volgens artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, welk artikel is ge ïmplementeerd in artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 , dat de ongewenstverklaring niet langer dan vijf jaar mag worden gehandhaafd, tenzij de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. De staatssecretaris heeft hieruit afgeleid dat hij de ongewenstverklaring hoe dan ook, ongeacht het bestaan van een ernstige bedreiging voor de openbare orde, vijf jaar mag handhaven. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op dit standpunt heeft gesteld.

3.       De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank dit ten onrechte heeft overwogen. Dat de staatssecretaris de ongewenstverklaring niet langer dan vijf jaar mag handhaven, betekent nog niet dat hij dat gedurende een kortere tijd zonder een nadere beoordeling wel mag. De vreemdeling betoogt terecht dat de ongewenstverklaring destijds is uitgevaardigd op grond van nationaal recht ter bescherming van de openbare orde voordat de Terugkeerrichtlijn daarin was geïmplementeerd, en dat de staatssecretaris daarom nu alsnog aan de hand van het zogenoemde Unierechtelijke openbare-ordecriterium uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:377, Z.Zh. en I.O., moet beoordelen of en hoe lang hij de ongewenstverklaring als inreisverbod mag handhaven. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 4 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1725, r.o. 9.2 en 10.2.

3.1.    Dit betekent dat ook als de staatssecretaris de ongewenstverklaring vijf jaar of korter wil handhaven, hij moet toelichten waarom het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een voldoende werkelijke, voldoende actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt om die termijn te rechtvaardigen en waarom niet met een kortere duur kan worden volstaan. De maximale termijn is afhankelijk van alle relevante omstandigheden van het individuele geval, waaronder de precieze ernst en actualiteit van de bedreiging. Als uit de door de staatssecretaris te verrichten beoordeling blijkt dat het persoonlijke gedrag van de vreemdeling geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, moet de staatssecretaris het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring inwilligen.

3.2.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris dit beoordelingskader onjuist toegepast. In het verweerschrift in beroep heeft de staatssecretaris zich expliciet op het standpunt gesteld dat het persoonlijke gedrag van de vreemdeling geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Gelet op dit standpunt had de staatssecretaris het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring moeten inwilligen. De grief slaagt.

4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 16 mei 2019 wordt vernietigd. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 12 december 2018 gegrond te verklaren, dat besluit te herroepen en de ongewenstverklaring op te heffen met ingang van 27 juli 2018, de datum van het verzoek om opheffing. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 30 januari 2020 in zaak nr. 19/4541;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.      vernietigt het besluit van 16 mei 2019, V-[…];

V.       verklaart het bezwaar gegrond;

VI.      herroept het besluit van 12 december 2018, V-[…];

VII.     bepaalt dat de tegen de vreemdeling uitgevaardigde ongewenstverklaring wordt opgeheven met ingang van 27 juli 2018 en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 16 mei 2019;

VIII.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.036,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Renting, griffier.

w.g. Wissels

voorzitter      

w.g. Renting

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2022

894.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature