< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 18 januari 2017 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een verklaring van geen bedenkingen verleend. De rechtbank heeft de beroepen tegen het besluit van 30 mei 2018 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zij heeft daarbij ten eerste overwogen dat nu de ten behoeve van het besluit verleende verklaring van geen bedenkingen van 18 januari 2017 is verleend met toepassing van het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021, deze op grond van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) over het PAS, niet in stand kan blijven. Zij heeft vervolgens overwogen dat gelet op de onlosmakelijke samenhang van de toestemming voor de activiteit natuur met de toestemming voor het wijzigen van de inrichting, het besluit van 30 mei 2018 voor vernietiging in aanmerking komt. De Logt betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vvgb niet in stand kan blijven. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte haar gemotiveerde betoog niet heeft gevolgd

Uitspraak



201907144/1/R2.

Datum uitspraak: 20 januari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       De Logt B.V., gevestigd te Boxtel,

2.       De Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg, de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, gevestigd te ’s-Graveland, de Oisterwijkse milieuvereniging, gevestigd te Oisterwijk, de Stichting het Noordbrabants Landschap, gevestigd te Haaren, en de Vereniging B-Team Oisterwijk, gevestigd te Moergestel, (hierna: BMF en anderen),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 augustus 2019 in de zaak nrs. 18/1693, 18/1695 en 18/1712 in het geding tussen:

1.       [partij 1A], [partij 1B] en [partij 1C], gevestigd en wonend te Oirschot, (hierna: [partij 1A] en anderen),

2.       [partij 2A], [partij 2B] en [partij 2C], allen wonend te Oirschot,

3.       BMF en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oirschot.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2017 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een verklaring van geen bedenkingen verleend.

Bij besluit van 30 mei 2018 heeft het college aan De Logt een omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu en natuur verleend ten behoeve van een varkenshouderij op het perceel Logtsebaan 2 te Oirschot (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 19 augustus 2019 heeft de rechtbank de daartegen door [partij 1A] en anderen, [partij 2A] en BMF en anderen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 30 mei 2018 vernietigd, het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak, en bepaald dat het college dit besluit pas mag nemen nadat een nieuw besluit is genomen op het verzoek om intrekking van de geldende bouw- en milieuvergunningen en de geldende natuurvergunning. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft De Logt hoger beroep ingesteld.

Het college en BMF en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

BMF en anderen, [partij 1A] en anderen, [partij 2A] en De Logt hebben nadere stukken ingediend.

BMF en anderen hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft daarop een zienswijze gegeven.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met de zaken met de nummers  201907142/1/R2 en 201907146/1/R2, ter zitting behandeld op 6 juli 2020, waar voor de behandeling van de zaak met zaak nr. 201907144/1/R2 zijn verschenen De Logt, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], vergezeld door [gemachtigde B] en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, BMF en anderen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, vergezeld door [gemachtigde C], [gemachtigde D] en [gemachtigde E], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. van Alphen, vergezeld door ing . J. van den Borne, ing. F. Büchel van Steenbergen, ing. Y. Hommel en ing. W. van Hout. Voorts is daar het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       De Afdeling verwijst voor de inleidende overwegingen naar rechtsoverweging 1 in de uitspraak van heden in de samenhangende procedure met zaak nr. 201907142/1/R2 (ECLI:NL:RVS:2021:69).

Het oordeel van de rechtbank

2.       De rechtbank heeft de beroepen tegen het besluit van 30 mei 2018 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zij heeft daarbij ten eerste overwogen dat nu de ten behoeve van het besluit verleende verklaring van geen bedenkingen van 18 januari 2017 (hierna: de vvgb) is verleend met toepassing van het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: het PAS), deze op grond van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) over het PAS, niet in stand kan blijven. Zij heeft vervolgens overwogen dat gelet op de onlosmakelijke samenhang van de toestemming voor de activiteit natuur met de toestemming voor het wijzigen van de inrichting, het besluit van 30 mei 2018 voor vernietiging in aanmerking komt.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de beroepsgronden die betrekking hebben op de omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu ook worden besproken, omdat dit mogelijk van belang kan zijn voor een eventueel herstelbesluit. Ook in die beroepsgronden heeft de rechtbank aanleiding gezien voor vernietiging van het besluit. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek aan het besluit ten grondslag gelegd wat betreft geur- en geluidhinder en de emissie van endotoxinen. Daarnaast acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom geen milieueffectrapportage noodzakelijk is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien, dan wel de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

Goede procesorde

3.       BMF en Natuurmonumenten betogen dat het door De Logt bij brief van 15 juni 2020 overgelegde advies van R&S wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten.

3.1.    Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb , kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb , nieuwe argumenten worden aangevoerd en stukken, ter motivering van een eerdere beroepsgrond, worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval als die argumenten, gegevens of stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd. Dat is in dit geval aan de orde. De Logt heeft het advies van R&S in alle drie de zaken die op de zitting van 6 juli 2020 behandeld werden overgelegd. Het advies van R&S ‘Aanpassing ivm wijziging Wet natuurbescherming, toelichting geluid Stiltegebied’, gedateerd 27 mei 2020, beslaat inclusief de bijlagen 306 pagina’s. Het advies strekt ertoe dat, uitgaande van de nu geldende toetsingskaders, met een aangepaste veebezetting en het treffen van akoestische maatregelen een natuurvergunning en omgevingsvergunning voor de activiteit milieu zou kunnen worden verkregen. Het advies en de daarbij gevoegde stikstofberekeningen en het akoestisch onderzoek hebben betrekking op een andere bedrijfssituatie en een ander project dan in deze procedure of in één van de andere procedures aan de orde is. De Logt heeft niet gemotiveerd waarom het stuk niet eerder kon worden overgelegd. Het stuk is bovendien overgelegd zonder dat daarbij is aangegeven welke onderdelen van het advies en de daarbij gevoegde onderzoeken relevant zijn voor welke zaak en met welk oogmerk het advies en de onderzoeken in de zaken worden overgelegd. Door het late moment en de wijze van indienen waren BMF en Natuurmonumenten, mede gelet op de omvang en de technische inhoud van het advies en de bijlagen niet in staat uiterlijk ter zitting daarop adequaat te reageren. De Afdeling zal het advies van R&S wegens strijd met een goede procesorde niet in de beoordeling van de beroepen betrekken.

De gronden van het hoger beroep van De Logt

De verklaring van geen bedenkingen (vvgb)

4.       De Logt betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vvgb niet in stand kan blijven. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte haar gemotiveerde betoog niet heeft gevolgd dat door het laten vervallen van 30 varkens het PAS geen toepassing had hoeven vinden. In dat geval zou zich namelijk geen toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied "Kampina en Oisterwijkse Vennen" hebben voorgedaan en had de vvgb in stand kunnen blijven, aldus De Logt.

Zij betoogt in dit verband verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ook al zou geen sprake zijn van een toename van stikstofdepositie, de vvgb niet is gebaseerd op een individuele passende beoordeling, maar op de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Die constatering is niet relevant, aldus De Logt, omdat bij de door haar voorgestelde vermindering met 30 varkens, geheel kon worden afgezien van een passende beoordeling.

4.1     De aanvraag zoals die oorspronkelijk door De Logt is ingediend, is bepalend voor de procedure die moet worden gevolgd en de (procedurele) verplichtingen die daaruit voortvloeien. Ingevolge de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) gold voor het project, zoals dat in de aanvraag was weergegeven, een vergunningplicht.

De Afdeling stelt voorop dat het niet aan de rechtbank is om in de beroepsfase de aanvraag de facto zo te wijzigen dat de uit de aanvraag voortvloeiende (procedurele) verplichtingen en daarmee mogelijk voor het bedrijf samenhangende problemen worden weggenomen. Dat neemt niet weg dat de rechtbank met gebruikmaking van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in beginsel de bevoegdheid heeft om een wijziging aan te brengen in een in beroep bestreden vergunning teneinde een daarin geconstateerd rechtmatigheidsgebrek te herstellen (zelf in de zaak voorzien). Bij de beslissing om van deze bevoegdheid in dit geval geen gebruik te maken heeft de rechtbank het verzoek van De Logt betrokken. De rechtbank heeft in de overwegingen 12.1 tot en met 12.5 gemotiveerd waarom zij in de bereidheid van De Logt om 30 (of meer) vleesvarkens minder te houden in stal 2 geen aanleiding heeft gezien om zelf in de zaak te voorzien door de vergunning te weigeren voor 30 vleesvarkens en voor het overige in stand te laten.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank er terecht van afgezien om op de gevraagde wijze zelf in de zaak te voorzien. Daartoe wordt het volgende overwogen.

In rechtsoverweging 32.5 van de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 over het PAS beoordelingskader, heeft de Afdeling geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Europese Hof van Justitie stelt. Dit heeft gevolgen voor toestemmingen die op basis van dit beoordelingskader zijn verleend, ongeacht of de toestemming betrekking heeft op een project waarvoor een passende beoordeling, of waarvoor een belangenafweging had moeten worden gemaakt. De rechtbank heeft in haar overweging terecht verondersteld dat ook indien in de door De Logt naar voren gebrachte situatie geen sprake zou zijn van een toename van stikstofdepositie en er geen passende beoordeling nodig zou zijn, er ten tijde van het bestreden besluit van 30 mei 2018 nog wel een vvgb nodig was.  Want ten tijde van het bestreden besluit van 30 mei 2018 gold er niet alleen een vergunningplicht voor projecten die significante gevolgen konden hebben, maar ook voor projecten die wel enige maar geen significante gevolgen konden hebben. Voor de laatstgenoemde projecten was een zogenoemde verslechteringsvergunning vereist, waarvan de verlening afhankelijk was gesteld van een belangenafweging. Bij de beantwoording van de vraag of zij zelf in de zaak kon voorzien, uitgaande van 30 vleesvarkens minder, is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat er volgens het ten tijde van haar uitspraak geldende recht een vergunningplicht gold voor projecten die weliswaar geen significante, maar wel enige gevolgen konden hebben (de hiervoor genoemde verslechteringsvergunning). Die vergunningplicht bracht mee dat er ook ten tijde van de uitspraak van de rechtbank een vvgb nodig was om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen. De op dat moment beschikbare vvgb was die welke op 18 januari 2017 was afgegeven voor de verlening van de omgevingsvergunning. Deze vvgb was gebaseerd op de passende beoordeling die voor het PAS was opgesteld. Daarom was die vvgb gebrekkig. Dat gebrek zou niet zijn weggenomen als het aantal vleesvarkens met 30 zou zijn verminderd en dientengevolge geen passende beoordeling meer vereist zou zijn. Dan zou immers nog steeds een vvgb nodig zijn geweest, die in dat geval op een belangenafweging gebaseerd had moeten zijn. Voor die belangenafweging kon niet worden teruggevallen op de vvgb van 18 januari 2017, want die was gebaseerd op een gebrekkige passende beoordeling van het PAS en niet op de vereiste belangenafweging. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank er terecht van afgezien zelf in de zaak te voorzien.

Het betoog faalt.

De activiteit milieu

5.       Wat het hoger beroep van De Logt tegen het oordeel van de rechtbank over de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit milieu betreft, overweegt de Afdeling het volgende.

Het aspect geluid

6.       Tijdens de procedure bij de rechtbank is gebleken dat het college aanvankelijk niet het juiste geluidsonderzoek als bijlage bij het besluit had gevoegd. Na de zitting heeft het college alsnog het geluidsrapport "Akoestisch Onderzoek Industrielawaai Logtstebaan 2 te Spoordonk" van M&A Omgeving B.V. van 26 juli 2017 (hierna: het akoestisch rapport) overgelegd, dat bedoeld was te dienen als onderbouwing van zijn besluit. In de tegen dit akoestisch rapport aangevoerde kritiek van eisers zag de rechtbank voldoende reden om niet zelf in de zaak te voorzien. Hiertegen richt zich het hoger beroep van De Logt, die aanvoert dat dit akoestisch rapport een toereikende onderbouwing van de verleende vergunning biedt wat betreft het aspect geluid.

7.       De Logt betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bepaalde in artikel 5.2.7 van de Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant 2010 (hierna: PMV) niet voor agrarische bedrijven geldt. Het college heeft zich met een beroep op de uitzondering in artikel 5.2.5, tweede lid, onder a, van de PMV, volgens De Logt terecht op het standpunt gesteld dat de geluidsnormen in de PMV niet voor agrarische bedrijven gelden. De rechtbank heeft het beroep op deze uitzondering ten onrechte verworpen, aldus De Logt.

7.1     Niet in geschil is dat de inrichting van De Logt deels binnen het stiltegebied binnen een afstand van 100 m van de grens van het stiltegebied is gelegen.

Het betoog van De Logt dat de rechtbank heeft miskend dat de geluidsnorm voor het stiltegebied als genoemd in de PMV niet voor agrarische bedrijven geldt, slaagt niet. Daargelaten of de door De Logt genoemde uitzondering in artikel 5.2.5, tweede lid, onder a, van de PMV van toepassing is, zou dat blijkens die bepaling, gelezen in verbinding met artikel 5.2.5, eerste lid, van de PMV, uitsluitend betekenen dat de in bijlage 8 van de PMV genoemde regels niet van toepassing zijn. De artikelen 5.2.7 en 5.2.8 van de PMV die gaan over de geluidnormen die gelden in het stiltegebied, gelden in dat geval onverkort voor het bedrijf van De Logt. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen en zij heeft er daarbij ook terecht op gewezen dat de artikelen 5.2.7 en 5.2.8 van de PMV nog niet waren opgenomen in de PMV zoals die gold ten tijde van de omgevingsvergunning voor de milieu activiteit van 3 juli 2012, waaraan de Afdeling bij de uitspraak van 18 december 2013 heeft getoetst. In de PMV zoals die gold met ingang van 16 december 2017 en ten tijde van het besluit van 30 mei 2018, zijn de desbetreffende bepalingen wel opgenomen en diende daaraan dus te worden voldaan.

7.2     Het college heeft zich in het besluit primair op het standpunt gesteld dat volgens de PMV geluid afkomstig van agrarische inrichtingen niet in aanmerking hoeft te worden genomen. Niettemin heeft het in het besluit ook geconstateerd dat, gelet op de bevindingen in het akoestisch rapport (paragraaf 5.5), aan de in de PMV genoemde richtwaarde van 45 dB(A) LAeq, 24uur, op 1,5 meter hoogte op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting wordt voldaan.

BMF en anderen hebben (in beroep en in hoger beroep) naar voren gebracht dat deze conclusie in het akoestisch rapport onvoldoende verifieerbaar is. In paragraaf 5.5 en Bijlage 3f (Rekenresultaten toetsing stiltegebied conform Provinciale milieuverordening) van het akoestisch rapport is een tabel opgenomen waarin op drie immissiepunten, ieder op 50 meter vanaf de grens van de inrichting, op een hoogte van 1,5 m, een LAeq van 44 dB(A) (immissiepunt noord), 35 dB(A) (immissiepunt oost) en 45 dB(A) (immissiepunt west) zijn weergegeven. Deze rekenresultaten lijken volgens BMF en anderen niet in lijn te zijn met andere gemeten geluidswaarden. Want, zo betogen zij, op 100 m afstand zijn in het akoestisch onderzoek voor de dagperiode 40 dB(A) (immissiepunt noord), 35 dB(A) (immissiepunt oost) en 44 dB(A) (immissiepunt west) berekend. BMF en anderen betogen dat op 50 meter afstand een hogere geluidsbelasting moet worden verwacht, omdat normaal bij halvering van een afstand een toename van 6 dB(A) is te verwachten terwijl de verschillen in het akoestisch rapport kleiner zijn.

Het college heeft op deze kritiek in beroep en in hoger beroep geen enkele reactie gegeven. Daarom is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan het in artikel 3:46 van de Awb neergelegde vereiste van een kenbare motivering, hetgeen de rechtbank in overweging 6.4 van de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld.

Het betoog faalt.

8.       De Logt betoogt verder dat de rechtbank in overweging 13.3 van haar uitspraak ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college niet heeft gemotiveerd waarom bij de vergunning op een aantal beoordelingspunten een hogere geluidsbelasting is toegestaan dan de in het akoestisch rapport berekende geluidsbelasting vanwege de inrichting. Voorts voert De Logt aan dat de bestaande rechten ten aanzien van de geluidbelasting moeten worden gerespecteerd.

8.1              Blijkens het besluit en het daaraan ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek heeft het college de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting beoordeeld aan de hand van de op 27 januari 2004 vastgestelde gemeentelijke nota "Geluidsbeleid Industrielawaai Gemeente Oirschot" (hierna: de beleidsnota). In de beleidsnota zijn richtwaarden vastgesteld die binnen een bepaald type gebied gelden. De richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau zijn:

- voor een stiltegebied 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond en nachtperiode, en,

- voor een agrarisch gebied 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

8.2     BMF en anderen wijzen erop dat ingevolge voorschrift 5.2.1 van de verleende vergunning in de representatieve bedrijfssituatie het langtijdsgemiddelde beoordelingsniveau op de beoordelingspunten 100 m westelijk en noordelijk van de inrichting is genormeerd op respectievelijk 46 en 42 dB(A). Deze normen liggen 2 dB(A) hoger dan voor die punten in het akoestisch rapport is berekend (44 en 40 dB(A)). Dit terwijl uit de beleidsnota een richtwaarde van 40 dB(A) wordt afgeleid.

Het maximale geluidsniveau in de representatieve bedrijfssituatie op rekenpunt noord is berekend op 50 dB(A) terwijl toegestaan is 52 dB(A). Uit de beleidsnota (die verwijst naar de Handreiking Industrielawaai) wordt voor het maximale geluidsniveau een richtwaarde afgeleid van 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. In de representatieve bedrijfssituatie wordt op het beoordelingspunt 100 m westelijk van de inrichting deze richtwaarde van 60 dB(A) in de nachtperiode met 5 dB(A) overschreden. Verder wordt voor de incidentele bedrijfssituatie meer toegestaan dan is berekend in het akoestisch rapport. Een voorbeeld daarvan biedt het beoordelingspunt 100 m westelijk, waar volgens het akoestisch rapport (tabel 5.2) op de dag 45 dB(A) is berekend en waar ingevolge voorschrift 5.3.1. een geluidsbelasting van 47 dB(A) wordt toegestaan, terwijl uit de beleidsnota een richtwaarde van 40 dB(A) wordt afgeleid.

8.3     Bij de door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (hierna: Omgevingsdienst) verrichte milieutoetsing is terecht geconstateerd dat volgens de geluidsbeleidsnota van de gemeente Oirschot, indien er woningen binnen 100 meter afstand van de inrichting zijn gesitueerd, aan de in die beleidsnota genoemde geluidsnormen moet worden getoetst ter plaatse van die woningen. Alleen als er geen woningen binnen 100 meter afstand zijn gesitueerd, moet volgens deze beleidsnota aan de richtwaarden worden getoetst ter plaatse van beoordelingspunten op 100 meter afstand. Dit heeft de Afdeling ook overwogen in haar uitspraak van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2432).

8.4     Het college heeft de toegestane geluidsbelasting in zijn besluit als volgt gemotiveerd. In de vergunning is uitgegaan van het beoordelingspunt dat voor de toepassing van de beleidsnota relevant is en van de daar geldende richtwaarden. Dat beoordelingspunt is in dit geval de woning [locatie], gelegen binnen honderd meter afstand van de inrichting. Ter plaatse van die woning wordt blijkens het akoestisch onderzoek voldaan aan alle toepasselijke richtwaarden die kunnen worden ontleend aan de beleidsnota, zowel voor de langtijdgemiddelde geluidsniveaus als voor de maximale geluidsniveaus. Uit hetgeen de Afdeling hierboven in 8.3 heeft overwogen volgt dat het college bij de toetsing aan de geluidsnormen van de beleidsnota het beoordelingspunt terecht heeft beperkt tot deze woning.

Dat in het akoestisch rapport ook berekeningen zijn gemaakt voor  beoordelingspunten op 100 meter afstand van de inrichting, heeft niet tot gevolg dat op die beoordelingspunten moet worden voldaan aan de richtwaarden van de beleidsnota. Het betoog van BMF en anderen dat ter plaatse van drie van deze beoordelingspunten de richtwaarden van de beleidsnota worden overschreden, volgt de Afdeling daarom niet.

Het college heeft in de vergunningvoorschriften echter wel geluidsnormen opgenomen voor onder meer deze drie beoordelingspunten op 100 meter afstand. Voor de bepaling daarvan heeft het college blijkens het advies van de Omgevingsdienst, dat deel uitmaakt van de omgevingsvergunning, "aangesloten bij de berekende waarde". BMF en anderen constateren terecht dat bij die aansluiting een geluidsniveau is toegestaan dat op een aantal punten 2 tot 3 dB(A) hoger is dan de in het akoestisch rapport berekende waarden. Gegeven het feit dat het college heeft aangegeven te willen aansluiten bij de berekende waarde en voor deze verschillen geen enkele verklaring heeft gegeven, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het akoestisch rapport niet zonder meer alsnog ten grondslag kon worden gelegd aan het bestreden besluit.

In haar hogerberoepschrift heeft De Logt in verband met de toegestane hogere geluidsbelasting gesteld dat "sprake is van bestaande rechten bij een gelijkblijvende activiteit die dienen te worden gerespecteerd." De Afdeling overweegt dat bestaande rechten slechts zijdelings van belang zijn bij de vraag welke geluidgrenswaarden bij vergunningverlening moeten worden gesteld. Dat onder de eerdere vergunning toegestane activiteiten als bestaande rechten in beginsel opnieuw moeten worden vergund, betekent niet dat bij die vergunningverlening niet andere of strengere geluidgrenswaarden kunnen worden gesteld. Het betekent alleen dat niet zodanig strenge geluidgrenswaarden mogen worden gesteld dat deze activiteiten de facto onmogelijk zijn, en daarmee impliciet worden geweigerd. In dit geval is van die situatie geen sprake.

8.5     Verder heeft de rechtbank belang gehecht aan de kritiek die BMF en anderen hebben geleverd op de in het akoestisch rapport gehanteerde geluidsbronnen. Deze zijn volgens BMF en anderen niet op een juiste manier in kaart gebracht, met name waar het gaat om het vervoer van kadavers naar de kadaverkoeling, de modellering van het vervoer van zuuropslag en spuiwateropslag, de opstelplaats voor vrachtwagens en coördinaten van de uitlaten van de luchtwassers. Bij de indirecte hinder had volgens BMF en anderen niet voorbijgegaan mogen worden aan het feit dat het verkeer door een stiltegebied rijdt. Deze kritiek is noch door het college noch door De Logt weersproken. Ook in deze kritiek heeft de rechtbank daarom reden mogen zien om niet zelf in de zaak te voorzien.

Het betoog faalt.

Endotoxinen

9.       De Logt betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat omdat de aanvraag in een vergelijkbare bedrijfsvoering voorziet als eerder is vergund bij het besluit van 3 juli 2012, het college bij het nemen van het besluit wat het toetsingskader voor endotoxinen betreft, heeft mogen uitgaan van het eerder reeds vergunde recht. Dit temeer, omdat zich volgens De Logt slechts een afname van de endotoxinenuitstoot voordoet ten opzichte van de eerder vergunde situatie en de afstanden tot gevoelige objecten niet zijn gewijzigd.

9.1     In het besluit is uiteengezet aan de hand van welke onderzoeken en publicaties het college het onderwerp gezondheid bij het besluit heeft betrokken. Het heeft daarbij onder meer het door het RIVM in 2016 uitgebrachte rapport "Veehouderij en gezondheid omwonenden", het eveneens in 2016 verschenen rapport "Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering" van Wageningen University & Research, de "Notitie Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid; endotoxine toetsingskader 1.0" (hierna: het Endotoxine toetsingskader 1.0) van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht van 25 november 2016 en het onderzoek "Endotoxine concentraties rond stallen; indicatieve modelberekeningen" van ErbrinkStacks Consult van 5 september 2016 betrokken. In het besluit is verder vermeld dat op 20 december 2016 in de gemeente de beleidsregel "Omgaan met fijnstof bij vergunningverlening pluimvee- en varkensbedrijven" is vastgesteld, waarbij is ingestemd met het voorstel om aanvragen om omgevingsvergunningen voor de veehouderij (varkens- en pluimveehouderij) te toetsen aan het Endotoxine toetsingskader 1.0.

Het college concludeert in het besluit dat de risico’s voor de volksgezondheid als gevolg van de aangevraagde activiteiten van het bedrijf voldoende worden beperkt en geen aanleiding geven de vergunning te weigeren. Daarbij heeft het blijkens het besluit mede in aanmerking genomen dat in de beoogde situatie de geur- en fijnstofemissie afneemt ten opzichte van de eerder vergunde situatie. Verder wordt volgens het college voldaan aan de geurnormen, en ook, blijkens bij de aanvraag gevoegde luchtkwaliteitsberekeningen, aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden.

Wel wijst het college erop dat uit de door hem gehanteerde afstandsgrafiek, een afstand van 158 m volgt die zou moeten worden aangehouden om aan de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m³ te voldoen. Op een afstand van ongeveer 157 m vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt bevindt zich volgens het college echter het dichtstbijzijnde gevoelige object, de woning [locatie]. Daaruit volgt dat de advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Nu echter de fijnstofemissie ten opzichte van de eerder vergunde activiteiten afneemt en zich ter zake dus een verbetering voordoet, acht het college dit aanvaardbaar.

9.2     De rechtbank heeft samengevat overwogen dat het besluit met betrekking tot het Endotoxine toetsingskader 1.0 onvoldoende is gemotiveerd, omdat het college de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde lijkt te rechtvaardigen in de gedachte dat sprake is van een daling van de fijnstofemissie en met de overweging dat de mate waarin wordt afgeweken van de voorkeursgrenswaarde ook afneemt. Het college heeft daarbij naar het oordeel van de rechtbank echter in de inhoudelijke beoordeling de daling van de fijnstofemissie niet inzichtelijk gemaakt en ook niet inzichtelijk gemaakt of de daling zich wel op alle gevoelige objecten voordoet. Het college heeft zijn toetsing van het Endotoxine toetsingskader 1.0 volgens de rechtbank dan ook niet op een inzichtelijke wijze gemotiveerd. Daarbij is volgens haar ook van belang dat het college, ondanks dat het daartoe uitgebreid in de gelegenheid is geweest, niet heeft gereageerd op de kritiekpunten in beroep op deze beoordeling, zoals onder meer dat zich dichterbij de inrichting gelegen gevoelige objecten dan de woning [locatie] bevinden, dat cumulatie van fijnstofemissie gelet op nabijgelegen andere veehouderijen had moeten worden bezien en dat een afname van fijnstofemissie niet hoeft te betekenen dat de endotoxinebelasting bij een gevoelig object ook daalt. Verder is gesteld dat ook indien juist is dat de fijnstofniveaus zouden dalen, dat nog niet betekent dat voldaan wordt aan het Endotoxine toetsingskader 1.0.

9.3     De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de toets aan het Endotoxine toetsingskader 1.0 in het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

Hoewel het college de aan De Logt reeds vergunde bedrijfsactiviteiten met de bijbehorende emissies bij zijn standpunt op dit punt heeft mogen betrekken, betekent dat niet dat daarvan uitgaande, de toets aan het Endotoxine toetsingskader 1.0 bij de huidige aanvraag minder volledig behoeft te worden gemotiveerd. Nu blijkens de toets van het college zelf, de advieswaarde van de Gezondheidsraad - ook al is dat slechts in beperkte mate - wordt overschreden, had het college beter moeten motiveren waarom het dat aanvaardbaar acht. Het is onvoldoende om er daarbij uitsluitend op te wijzen dat reeds eerder een meer milieubelastende situatie was vergund. Dat aan normen voor geur en luchtkwaliteit wordt voldaan, wat daar ook van zij, kan niet de conclusies van het college over de gevolgen van endotoxinen dragen. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat in beroep de hiervoor onder 9.2 genoemde argumenten tegen de conclusies van het college naar voren zijn gebracht, waarop een reactie had moeten volgen. Dit overigens daargelaten of deze argumenten inhoudelijk aan de juistheid van de conclusies van het college kunnen afdoen.

Het betoog faalt.

10.     Nu uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het besluit ook wat de milieutoestemming betreft niet in stand kan blijven, behoeven de overige aangevoerde hoger beroepsgronden daarover geen bespreking meer. Ten behoeve van een nieuw besluit dient immers een nieuwe beoordeling te worden gemaakt, waarbij het ten tijde van dat besluit geldende recht en de zich dan voordoende feiten en omstandigheden bepalend zijn. In ieder geval met betrekking tot het aspect geur is daarbij de relevante regelgeving gewijzigd. De hoger beroepsgrond tegen het oordeel van de rechtbank over de noodzaak van een milieueffectrapport, wordt vanwege de samenhang met de nu nog onzekere uitkomst van een herstelbesluit met betrekking tot de activiteit milieu, niet besproken.

De door de Afdeling in deze procedure niet beoordeelde gronden kunnen in een eventuele (hoger) beroepsprocedure tegen het nieuwe besluit, bij de beoordeling van dat nieuwe besluit opnieuw ten volle aan de orde komen.

11.     De Logt heeft verder betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college eerst een nieuw besluit mag nemen, nadat nieuwe besluiten zijn genomen op de verzoeken om intrekking van de omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouwen en milieu, en de natuurvergunning.

De Logt heeft bij een oordeel over dat betoog geen belang meer, omdat de uitspraken van de Afdeling van heden met de zaak nummers 201907142/1/R2 (ECLI:NL:RVS:2021:69) en 201907146/1/R2 (ECLI:NL:RVS:2021:71) meebrengen dat de door de rechtbank in die procedures bedoelde nieuwe besluiten niet meer zullen worden genomen.

12.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

13.     Het hoger beroep van De Logt is ongegrond.

14.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het incidenteel hoger beroep van BMF en anderen

15.     Over het incidenteel hoger beroep van BMF en anderen overweegt de Afdeling het volgende.

De gronden die in het incidenteel hoger beroep naar voren zijn gebracht, hebben betrekking op de aspecten geur en milieueffectrapportage, waarover de Afdeling hiervoor onder 10 heeft overwogen dat en waarom daarop in het principaal hoger beroep niet wordt ingegaan. Hetzelfde geldt voor deze gronden in het incidenteel hoger beroep, ook daarop wordt in deze procedure niet ingegaan. Uiteraard geldt ook voor deze gronden dat deze in een eventuele (hoger) beroepsprocedure tegen het nieuwe besluit, bij de beoordeling daarvan opnieuw ten volle aan de orde kunnen komen.

Voor zover BMF en anderen daarnaast over het aspect geluid nog hebben betoogd dat de rechtbank in rechtsoverweging 13.2 van de aangevallen uitspraak hun betoog onjuist heeft weergegeven, nu zij niet hebben betoogd dat uit het geluidsrapport blijkt dat op twee referentiepunten een geluidsbelasting wordt veroorzaakt die hoger is dan in de voorschriften 5.2.1, 5.2.2 en 5.3.1 van de vergunning wordt toegelaten, maar zij juist hebben betoogd dat het veroorzaakte geluid lager is, zodat teveel geluidruimte wordt toegestaan, overweegt de Afdeling het volgende.

Zoals BMF en anderen in het incidenteel hoger beroepschrift ook zelf reeds hebben opgemerkt, blijkt uit rechtsoverweging 13.3 van de aangevallen uitspraak dat de rechtbank dit betoog, ondanks dat het onjuist is weergegeven, wel juist heeft opgevat en het ook naar de juiste inhoud ervan heeft beoordeeld. Het aangevoerde vormt dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbankuitspraak op dit punt niet juist is.

Het betoog faalt.

16.     Het incidenteel hoger beroep van BMF en anderen is eveneens ongegrond.

17.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van Ettekoven

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2021

641.

BIJLAGE

 

Provinciale milieuverordening

Artikel 5.2. 2:

1 Stiltegebieden zijn die gebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6 van deze verordening;

2 De aanwijzing van de gebieden als bedoeld in lid 1 geschiedt in het bijzonder ter voorkoming en beperking van geluidhinder.

3 Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in de bijlage 6 aangegeven grenzen van de stiltegebieden uit te werken.

Artikel 5.2. 5:

1. In een stiltegebied gelden de in bijlage 8 omschreven regels.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de wet;

b. gedragingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting, tenzij in bijlage 8 anders is bepaald.

Artikel 5.2. 7, tweede lid:

Als richtwaarde voor de geluidbelasting vanwege een inrichting gelegen in een stiltegebied op maximaal 100 meter van de grens van het stiltegebied geldt een geluidsniveau van 45 dB(A) LAeq, 24uur, op 1,5 meter hoogte, op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting.

Artikel 5.2. 8

1. Het desbetreffende bevoegd gezag houdt met de richtwaarden, genoemd in de artikelen 5.2. 6 en 5.2.7, rekening:

a. bij gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 3.1, 3.6, 3.26, 3.38, 4.1 en 4.2 van de Wet ruimtelijke ordening;

b. bij gebruik van de bevoegdheden in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet ;

c. bij gebruik van de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet 1994;

d. bij gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, onder e, en 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

e. indien een inrichting onder de bepalingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer valt.

2. Het bevoegd gezag kan bij het gebruik van een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, afwijken van de in de artikelen 5.2. 6 en 5.2.7 genoemde richtwaarden indien sprake is van een gewichtige reden.

3. Onder een gewichtige reden als bedoeld in het tweede lid wordt in ieder geval verstaan een omstandigheid die de voortzetting van de inrichting redelijkerwijs onmogelijk maakt of een omstandigheid waarbij uit onderzoek is gebleken dat er geen alternatieve locaties of tracés voorhanden zijn en waarvoor geldt dat, bij onontkoombaarheid van de afwijking van de richtwaarde, deze zo minimaal mogelijk is.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature