< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 28 december 2020 heeft het centraal stembureau het verzoek van de politieke groepering OPRECHT tot opneming van een logo in het register van aanduidingen ten behoeve van de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang gelezen met artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenregeling stembiljetten voor kiezers buiten Nederland , buiten behandeling gelaten. Op 3 december 2020 heeft OPRECHT een verzoek ingediend om een logo op te nemen in het register van aanduidingen voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer. Het centraal stembureau heeft OPRECHT op 10 december 2020 bericht dat het verzoek eerst in behandeling kan worden genomen als aan alle vereisten daarvoor is voldaan. OPRECHT is erop gewezen dat het door haar ingediende logo, en specifiek het bijgevoegde formaat 3, te breed was.

Uitspraak



202007135/1/A2.

Datum uitspraak: 13 januari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging OPRECHT, gevestigd te Zwijndrecht,

appellante,

en

de Kiesraad, handelend als centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (hierna: het centraal stembureau),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2020 heeft het centraal stembureau het verzoek van de politieke groepering OPRECHT tot opneming van een logo in het register van aanduidingen ten behoeve van de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang gelezen met artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenregeling stembiljetten voor kiezers buiten Nederland , buiten behandeling gelaten.

Tegen dit besluit heeft OPRECHT beroep ingesteld.

Het centraal stembureau heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2020, waar OPRECHT, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de Kiesraad, vertegenwoordigd door mr. R.N.A. Al, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op 3 december 2020 heeft OPRECHT een verzoek ingediend om een logo op te nemen in het register van aanduidingen voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer.

    Het centraal stembureau heeft OPRECHT bij e-mail van 10 december 2020 bericht dat het verzoek eerst in behandeling kan worden genomen als aan alle vereisten daarvoor is voldaan. OPRECHT is er, voor zover nu nog van belang, op gewezen dat het door haar ingediende logo, en specifiek het bijgevoegde formaat 3, te breed was.

    OPRECHT heeft naar aanleiding van dat e-mailbericht diezelfde dag een aangepast logo, formaat 3, ingediend.

2.    Aan het besluit van 28 december 2020 heeft het centraal stembureau ten grondslag gelegd dat het op 10 december 2020 toegezonden gewijzigde logo, formaat 3, evenmin voldoet aan de vereisten, omdat deze 150 dpi (dots per inch) bedraagt in plaats van de vereiste 300 dpi. Om die reden heeft het centraal stembureau het verzoek buiten behandeling gelaten.

3.    OPRECHT betoogt dat het centraal stembureau op 15 december 2020 had moeten constateren dat het gewijzigde logo, formaat 3, een onjuist aantal pixels had en haar daarvan in kennis had moeten stellen. OPRECHT heeft naar aanleiding van het bericht van het centraal stembureau dat het logo te breed was, onmiddellijk de breedte aangepast. Daarbij is per ongeluk ook het aantal pixels van de voorgeschreven 300 dpi naar 150 dpi gewijzigd. In de reactie van het centraal stembureau van 15 december 2020 op de toezending van het gewijzigde logo is volgens OPRECHT vermeld dat alles in orde is en dat het verzoek zou worden doorgestuurd voor beoordeling op 28 december 2020. Als het centraal stembureau had vermeld dat de besluitvorming pas op 28 december zou plaatsvinden, dan zou OPRECHT het logo door haar designer hebben laten aanpassen en had het logo de juiste specificaties gehad.

    Verder hanteert het centraal stembureau volgens OPRECHT de regels ten aanzien van haar strikt, maar was het bureau zelf slecht telefonisch bereikbaar en is zij, tegen de afspraak in, niet teruggebeld. Als zij wel was teruggebeld, dan had zij haar designer het logo nog laten aanpassen.

    Tot slot is het centraal stembureau slordig door een onjuist adres te vermelden voor de toezending van het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, aldus OPRECHT.

3.1.    Een politieke groepering die een aanduiding in het register als bedoeld in artikel G 1, eerste lid, van de Kieswet heeft laten registreren, kan op grond van artikel 4, derde lid, van de Tijdelijke experimentenwet stembiljetten en centrale stemopneming (hierna: Tijdelijke experimentenwet) ook een logo laten opnemen in dat register. De wetgever heeft op grond van artikel 4, achtste lid, van de Tijdelijke experimentenwet nadere (technische) eisen aan dat logo gesteld. Deze vereisten zijn in artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenregeling stembiljetten voor kiezers buiten Nederland (hierna: Tijdelijke experimentenregeling) neergelegd.

3.2.    Niet in geschil is dat het door OPRECHT op 10 december 2020 ingediende logo niet voldeed aan de in artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenregeling neergelegde eisen. In geschil is de vraag of het centraal stembureau alvorens te besluiten het verzoek tot registratie van het logo buiten behandeling te laten, OPRECHT erop had moeten wijzen dat ook het gewijzigd ingediende logo niet voldeed aan de indieningsvereisten.

3.3.    De Afdeling stelt voorop dat een indiener van een verzoek er zelf verantwoordelijk voor is dat het verzoek aan alle daarvoor geldende vereisten voldoet. In dit geval voldeed het op 3 december 2020 ingediende verzoek niet. De afmetingen van het daarbij gevoegde logo, formaat 3, overschreden, hoe gering wellicht ook, de maximale afmeting die daarvoor in artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenregeling is voorgeschreven. Omdat OPRECHT daarmee niet voldeed aan een wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb , heeft het centraal stembureau haar in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Zij had daartoe op grond van artikel 4, derde lid, van de Tijdelijke experimentenwet de gelegenheid tot en met de twee ënveertigste dag voor de kandidaatstelling, zijnde 21 december 2021. OPRECHT heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt door een gewijzigd logo in te dienen. Zij heeft daarbij echter wederom een logo ingediend waarvan een afmeting niet voldeed aan het vereiste van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke experimentenregeling. Het centraal stembureau heeft ter zitting toegelicht dat het streven is om indieners waar mogelijk tijdig te wijzen op eventuele formele gebreken in een aanvraag. Vanwege de grote toestroom van aanvragen heeft het centraal stembureau uit het oogpunt van rechtsgelijkheid van indieners prioriteit gegeven aan het ten minste éénmaal controleren van alle ingediende verzoeken op formele gebreken. Daardoor heeft de technische beoordeling van het logo in het tweede, gewijzigde verzoek eerst op 27 december 2020 plaatsgevonden, zodat OPRECHT niet meer opnieuw in de gelegenheid kon worden gesteld om het verzoek in overeenstemming met de wettelijke voorschriften aan te leveren. Naar het oordeel van de Afdeling was het centraal stembureau op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet gehouden om OPRECHT opnieuw in de gelegenheid te stellen om het verzoek aan te vullen. Het wettelijk systeem gaat ervan uit dat de indiener éénmaal in de gelegenheid moet worden gesteld om een verzuim te herstellen. Dat laat onverlet dat denkbaar was geweest dat een medewerker van het centraal stembureau telefonisch contact met OPRECHT zou hebben opgenomen met de mededeling dat het logo nog steeds niet voldeed aan het wettelijk vereiste, maar een wettelijke verplichting is dit niet. Het centraal stembureau mocht de aanvraag derhalve op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb buiten behandeling laten.

    De stelling van OPRECHT, dat zij op grond van het e-mailbericht van 15 december 2020 erop mocht vertrouwen dat alles in orde was, volgt de Afdeling niet. In dat e-mailbericht wordt enkel te kennen gegeven dat het registratieverzoek voor het logo in goede orde is ontvangen. Daaruit kon niet worden afgeleid dat het verzoek ook aan de wettelijk vereisten voor registratie van het logo voldeed.

    Hetgeen OPRECHT tot slot heeft aangevoerd over de gestelde onzorgvuldigheid van het centraal stembureau kan niet leiden tot een ander oordeel. Een mogelijk onjuiste indiening van het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel als gevolg van een vermeend onjuist postadres heeft het centraal stembureau haar niet tegengeworpen. Verder heeft het centraal stembureau toegelicht dat de telefonische vraag van OPRECHT van 10 december per e-mailbericht van diezelfde dag is beantwoord zodat de stelling van OPRECHT dat haar telefonische vraag onbeantwoord is gebleven ook niet kan worden gevolgd. Van onzorgvuldigheden die hebben geleid tot een onjuist besluit is dan ook niet gebleken.

    Het betoog faalt.

3.4.    Overigens is ter zitting komen vast te staan dat het belang van OPRECHT er vooral in is gelegen dat haar logo op de website van de Kiesraad komt te staan. Van de zijde van het centraal stembureau is te kennen gegeven dat als OPRECHT alsnog een verzoek indient, dat aan alle wettelijke voorschriften voldoet, het logo op de website van de Kiesraad kan worden geplaatst. Het logo wordt in dat geval, gelet op het feit dat het bestreden besluit in stand wordt gelaten, alleen niet bij de komende Tweede Kamerverkiezingen op het stembiljet voor kiezers buiten Nederland geplaatst.

4.    Het beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2021

705.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature