< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 19 november 2018 heeft het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas het projectplan "Projectplan Waterwet Leegveld" vastgesteld. Bij besluit van 22 november 2018 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant goedkeuring verleend aan dat besluit. Deze zaak gaat over het projectgebied Leegveld in Deurne, dat wordt gevormd door de Deurnsche Peel, inclusief de Liesselse Peel, en een deel van het binnen het Natuur Netwerk Brabant gelegen gebied ten westen en zuiden daarvan. Een groot deel van het projectgebied maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied "Deurnsche Peel &amp; Mariapeel". In geschil zijn twee besluiten: het goedkeuringsbesluit van het college, waarmee het besluit tot vaststelling van het "Projectplan Waterwet Leegveld" is goedgekeurd, en het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan "PAS Leegveld, Deurne" door provinciale staten.

Uitspraak



201900845/1/R2.

Datum uitspraak: 13 januari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Liessel, gemeente Deurne (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2.    [appellante sub 2], gevestigd te Deurne, waarvan de vennoten [vennoot 2A] en [vennoot 2B] zijn, beiden wonend te Deurne, en anderen,

3.    [appellant sub 3], wonend te Deurne, en anderen,

4.    [appellant sub 4], wonend te Helenaveen, gemeente Deurne,

5.    Dorpsraad Griendtsveen, gevestigd te Griendtsveen, gemeente Horst aan de Maas,

6.    Dorpsraad Helenaveen, gevestigd te Helenaveen, gemeente Deurne,

7.    [appellante sub 7A], gevestigd te Liessel, gemeente Deurne en [appellant sub 7B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 7]),

8.    [appellant sub 8], wonend te Liessel, gemeente Deurne, en anderen,

9.    [appellant sub 9], wonend te Deurne, en anderen,

10.    [appellant sub 10], wonend te Liessel, gemeente Deurne,

11.    [appellant sub 11A] en [appellant sub 11B], beiden wonend te Liessel, gemeente Deurne (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 11]),

12.    [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B], beiden wonend te Liessel, gemeente Deurne (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 12]),

13.    [appellant sub 13A] en [appellant sub 13B], beiden wonend te Liessel, gemeente Deurne,

14.    [appellant sub 14], wonend te Deurne, en anderen,

15.    [appellant sub 15A] en [appellant sub 15B], beiden wonend te Deurne,

16.    [appellante sub 16], gevestigd te Deurne, waarvan de vennoten zijn [vennoot 16A], wonend te Deurne en [vennoot 16B], wonend te Liessel, gemeente Deurne, en anderen,

17.    [appellante sub 17], gevestigd te Deurne, en anderen,

18.    [appellant sub 18A] en [appellant sub 18B], beiden wonend te Deurne,

19.    [appellant sub 19A] en [appellant sub 19B], beiden wonend te Helenaveen, gemeente Deurne,

20.    [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B], beiden wonend te Deurne,

21.    [appellant sub 21], wonend te Helenaveen, gemeente Deurne, en anderen,

22.    [appellant sub 22A] en [appellant sub 22B], beiden wonend te Liessel, gemeente Deurne (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 22]),   

23.    [appellant sub 23], wonend te Helenaveen, gemeente Deurne, en anderen,

24.    [appellant sub 24A] en [appellant sub 24B], beiden wonend te Liessel, gemeente Deurne (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 24]),   

25.    [appellant sub 25], wonend te Deurne, en anderen,

26.    [appellant sub 26], wonend te Liessel, gemeente Deurne, en anderen,

27.    [appellant sub 27], wonend te Deurne, en anderen,

28.    [appellant sub 28A] en [appellant sub 28B], beiden wonend te Liessel, gemeente Deurne (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 28]),

29.    [appellant sub 29], wonend te Liessel, gemeente Deurne, en anderen,

30.    [appellante sub 30], gevestigd te Vlierden, gemeente Deurne, waarvan de vennoten [vennoot 30A] en [vennoot 30B] zijn, beiden wonend te Vlierden, gemeente Deurne, en anderen,

31.    [appellante sub 31], gevestigd te Deurne, waarvan de vennoot [vennoot 31A] is, wonend te Deurne,

32.    [appellant sub 32A] en [appellant sub 32B], beiden wonend te Liessel, gemeente Deurne (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 32]),

33.    [appellante sub 33], gevestigd te Liessel, gemeente Deurne, en anderen, waarvan de vennoten [vennoot 33A] en [vennoot 33B] zijn, beiden wonend te Liessel, gemeente Deurne,

34.    [appellant sub 34], wonend te Liessel, gemeente Deurne,

appellanten,

en

1.    provinciale staten van Noord-Brabant,

2.    het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2018 heeft het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas het projectplan "Projectplan Waterwet Leegveld" vastgesteld. Bij besluit van 22 november 2018 heeft het college van gedeputeerde staten goedkeuring verleend aan dat besluit (hierna: goedkeuringsbesluit).

Tegen dit besluit hebben partijen beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 december 2018 hebben provinciale staten het inpassingsplan "PAS Leegveld, Deurne" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben partijen, behalve [appellant sub 34], beroep ingesteld.

Provinciale staten en gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 en 30 september 2020, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft laten vertegenwoordigen. Ook provinciale staten en het college van gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1.    Artikel 8:51d van de Awb luidt, voor zover nu van belang: "Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen."

Inleiding

2.    Deze zaak gaat over het projectgebied Leegveld in Deurne, dat wordt gevormd door de Deurnsche Peel, inclusief de Liesselse Peel, en een deel van het binnen het Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB) gelegen gebied ten westen en zuiden daarvan. Een groot deel van het projectgebied maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied "Deurnsche Peel & Mariapeel". In geschil zijn twee besluiten: het goedkeuringsbesluit van het college, waarmee het besluit tot vaststelling van het "Projectplan Waterwet Leegveld" is goedgekeurd, en het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan "PAS Leegveld, Deurne" door provinciale staten.

    Het doel van het inpassingsplan en het projectplan is om de achteruitgang van het restant aan hoogveen als gevolg van verdroging en stikstofdepositie te stoppen en het hoogveen te herstellen.

    Het projectplan voorziet in het treffen van hydrologische maatregelen. Deze maatregelen betreffen onder meer demping van drainerende watergangen, het aanleggen van compartimenten om het water in het gebied vast te houden, het vastleggen van een streefpeil voor die compartimenten en het aanleggen van buffergebieden. Daarmee wordt een stabiel waterpeil beoogd dat voldoende hoog is om groei van veenmos op gang te brengen, zodat het Peelgebied een zodanig oppervlak aan veenmos krijgt dat het hoogveen zichzelf in stand kan houden.

    Het inpassingsplan ziet op een klein aantal gronden binnen het gebied Leegveld waar maatregelen ten behoeve van natuurherstel plaatsvinden. Het grootste deel van die gronden heeft in het daarvoor geldende bestemmingsplan een bestemming die agrarisch gebruik toestaat, terwijl dat volgens provinciale staten niet in overeenstemming is met de maatregelen die nodig zijn voor natuurherstel. Aan die gronden is in het inpassingsplan de bestemming "Natuur" toegekend. Aan het gedeelte van het plangebied dat bestaat uit de Siberiëloop en de Soeloop is de bestemming "Water" toegekend. Voor het deel van de gronden in het inpassingsplan dat niet in eigendom is van de provincie of de natuurbeherende instantie, biedt het inpassingsplan, zo nodig, een titel voor onteigening.

Opzet van de uitspraak

3.    De Afdeling zet eerst de toetsingskaders uiteen voor beide besluiten. Daarna zal zij de ontvankelijkheid van de beroepen tegen beide besluiten bespreken. Vervolgens zal de Afdeling de beroepsgronden tegen de MER beoordelen. Daarna zal de Afdeling ingaan op de verhouding van de besluiten met het Landinrichtingsplan, waar verschillende beroepen naar verwijzen. Daarna zal de Afdeling de beroepsgronden behandelen die zijn gericht tegen het goedkeuringsbesluit, gevolgd door de beroepsgronden tegen het inpassingsplan. Dit leidt tot de volgende inhoudsopgave.

Bestuurlijke lus in 1

Inleiding in 2

Opzet van de uitspraak in 3

Toetsingskader projectplan in 4-5

Toetsingskader inpassingsplan  in 6

Ontvankelijkheid in 7-9.2

Ontvankelijkheid [appellant sub 7] in 7

Ontvankelijkheid goedkeuringsbesluit in 8-8.2

Ontvankelijkheid inpassingsplan in 9-9.2

Beroepsgronden tegen de Milieueffectrapportage (hierna: MER) in 10-11.1

Alternatievenonderzoek in 10-10.3

Beschrijving in de MER over muggen- en knuttenoverlast in 11-11.1

Verhouding besluiten met Landinrichtingsplan in 12-13

Goedkeuringsbesluit projectplan  in 14-45.1

Nut van de maatregelen en stikstof in 14-14.1

Geschiktheid van de maatregelen in 15-15.1

Heeft het college de juiste uitgangspunten gebruikt en mocht het college uitgaan van het gebruikte grondwatermodel?

Schaalniveau onderzoek en resultaten grondwatermodel in 16-18

Is het op basis van het grondwatermodel uitgevoerde onderzoek volledig?

Voormalige vuilstort Leegveld in 19-21.2

Voormalige vuilstorten hoek Leegveld/Eikenlaan en Eikenlaan in 22-22.1

Integrale toetsing watersysteem en gevolgen Astense Aa in 23-23.2

Streef- en bufferpeil in 24-24.2

Kades in 25-25.1

Boskap in 26-26.2

Gevolgen van de maatregelen voor bestaand bos in 27-27.1

Muggen- en knuttenoverlast in 28-28.1

Overlast bevers en beverdammen in 29-29.1

Gevolgen voor de landbouw in 30-30.2

Beroepsgronden perceelniveau in 31-43.1

Grondwaterputten [appellant sub 9] en anderen in 31-31.1

Afwatering Griendtsveenseweg in 32-32.1

Wandelpaden [appellant sub 25] en anderen in 33-33.1

Maaiveldhoogtes percelen [appellant sub 25] en anderen in 34-34.1

Gevolgen voor [appellant sub 33] en anderen in 35-35.1

Gevolgen voor [appellant sub 34] in 36-36.1

Gevolgen [appellant sub 29] en anderen in 37-37.1

Gevolgen [appellant sub 11] in 38-38.1

Gevolgen [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 3] in 39-39.1

Gevolgen [appellanten sub 19] in 40-40.1

Gevolgen voor [appellanten sub 18] in 41-41.1

Gevolgen voor [appellant sub 23] en anderen in 42-42.1

Gevolgen voor [appellant sub 1] in 43-43.1

Schaderegeling in 44-44.3

Ophoging van gronden als mitigerende maatregel in 45-45.1

Inpassingsplan in 46-56.3

Algemeen in 46

Zekerheid uitvoering maatregelen uit projectplan in 47-47.2

Bestemmen voor agrarisch grondgebruik in 48-48.1

Beroep [appellant sub 1] tegen inpassingsplan in 49-52.2

Beroep [appellanten sub 18] tegen bestemming gronden in inpassingsplan in 53-53.2

Beroep [appellant sub 33] en anderen tegen inpassingsplan in 54-54.1

Cultuurhistorische waarden in 55-55.1

Bodem in 56-56.3

Financieel-economische uitvoerbaarheid in 57-57.2

Eindconclusies besluiten in 58-65

Goedkeuringsbesluit in 58-59.1

Inpassingsplan in 60-61.1

Tussen- en einduitspraak in 62-63

Proceskosten en griffierecht in 64-65

Toetsingskader projectplan

4.    Een besluit tot vaststelling van een projectplan door het dagelijks bestuur van het waterschap, genomen op grond van artikel 5.5 van de Waterwet, moet op grond van artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet worden goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten. Omdat bij een projectplan algemene belangen betrokken zijn, heeft de wetgever gewild dat het toezicht door het college van gedeputeerde staten ook betrekking heeft op belangen die geen ruimtelijke doorwerking hebben (Kamerstukken II 2006/07, 30 818, nr. 3, blz. 105).

    Het projectplan is vormvrij. In de Waterwet worden aan een projectplan wel inhoudelijke eisen gesteld. Zo moet het projectplan een beschrijving bevatten van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van eventuele nadelige gevolgen van het werk (Kamerstukken II 2006/07, 30 818, nr. 3, blz. 40). Zowel het besluit van het dagelijks bestuur tot vaststelling van een projectplan als het besluit van het college van gedeputeerde staten tot goedkeuring van een dergelijk vaststellingsbesluit is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). In verband daarmee moeten deze besluiten voldoen aan de algemene voor besluiten geldende bepalingen die zijn opgenomen in de afdelingen 3.2 en 3.7 van de Awb. Omdat artikel 5.5 van de Waterwet is geplaatst op de zogenoemde "negatieve lijst" van Bijlage 2 bij de Awb, ligt, gelet op artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, niet de vaststelling van het projectplan, maar alleen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten ter beoordeling aan de Afdeling voor.

    Behalve ambtshalve door de Afdeling te beoordelen aspecten, beoordeelt de Afdeling, gelet op artikel 10:27 van de Awb en artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet, of wat appellanten hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten het projectplan in strijd met het algemeen belang had moeten vinden. Ook beoordeelt de Afdeling of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat het projectplan geen blijkt geeft van een evenwichtige belangenafweging of anderszins in strijd is met het recht.

5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het niet zo dat er geen nadelige gevolgen mogen optreden als gevolg van het projectplan. Evenmin is vereist dat met alle betrokkenen volledige overeenstemming bestaat over de te nemen maatregelen. Voldoende is dat in het projectplan is omschreven welke nadelige gevolgen kunnen optreden, welke voorzieningen worden en kunnen worden getroffen om die nadelige gevolgen ongedaan te maken en welke mogelijkheden er zijn om een financiële vergoeding te krijgen voor schade die niet kan worden voorkomen (vergelijk de uitspraak van 14 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3310, onder 3.2)).

Toetsingskader inpassingsplan

6.    Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten provinciale staten bestemmingen aanwijzen en regels geven die zij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. Provinciale staten hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ontvankelijkheid

Ontvankelijkheid [appellant sub 7]

7.    Ingevolge artikel 3.26, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpinpassingsplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht. Datzelfde geldt mede gelet op artikel 5.9 van de Waterwet ook voor het ontwerpprojectplan.

    Het ontwerpinpassingsplan en het ontwerpprojectplan zijn blijkens de kennisgeving met ingang van 19 mei 2018 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde daarom op 29 juni 2018. De zienswijze van [appellant sub 7] is blijkens het poststempel op 2 juli 2018 ter post bezorgd. [appellant sub 7] heeft daarom niet binnen de gestelde termijn een zienswijze over het ontwerpinpassingsplan en het ontwerpprojectplan naar voren gebracht.

    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een inpassingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpinpassingsplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Mede gelet op artikel 5.13, eerste lid, van de Waterwet, kan tegen het goedkeuringsbesluit geen beroep worden ingesteld als de belanghebbende over het ontwerpprojectplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    Deze omstandigheid doet zich niet voor.

    Het beroep van [appellant sub 7] tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan en het goedkeuringsbesluit is niet-ontvankelijk.

Ontvankelijkheid goedkeuringsbesluit

8.    Het college betoogt dat [appellant sub 30] en anderen geen gevolgen zullen ondervinden van het projectplan. Daarom zijn zij geen belanghebbenden bij het goedkeuringsbesluit in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, aldus het college.

8.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

8.2.    Het is naar het oordeel van de Afdeling niet uitgesloten dat [appellant sub 30] en anderen feitelijke gevolgen zullen ondervinden van het projectplan, dat met het bestreden besluit is goedgekeurd. Het projectplan voorziet in buffergebieden om in tijden van hevige neerslag het water binnen het projectplangebied vast te houden en na enige tijd af te voeren naar de Astense Aa. De gronden van [appellant sub 30] en anderen liggen direct aan de Astense Aa. Omdat de voorziene maatregelen via de afwatering uit de buffergebieden invloed kunnen hebben op de waterstand van de Astense Aa, zijn feitelijke gevolgen niet uit te sluiten.

    Het beroep van [appellant sub 30] en anderen is ontvankelijk. Dit betekent dat hun beroep tegen het goedkeuringsbesluit inhoudelijk kan worden behandeld.

Ontvankelijkheid inpassingsplan

9.    Provinciale staten betogen dat alleen appellanten met gronden binnen het plangebied belanghebbenden zijn bij het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan.

9.1.    Onder verwijzing naar het toetsingskader dat in 8.1 uiteen is gezet overweegt de Afdeling als volgt. Het inpassingsplan voorziet niet zelf in hydrologische maatregelen en ziet op een beperkt aantal percelen ten opzichte van het projectplan. Het inpassingsplan voorziet in een bestemmingswijziging voor een aantal percelen, grotendeels naar de bestemming "Natuur". Het gaat voornamelijk om percelen waaraan in het geldende bestemmingsplan een agrarische bestemming is toegekend maar die zodanig vernatten dat dit gebruik niet langer mogelijk is. Naast de appellanten die gronden binnen het plangebied hebben en appellanten die gronden hebben die direct grenzen aan het plangebied, zijn naar het oordeel van de Afdeling ook de appellanten [appellant sub 27] en anderen, [appellant sub 11], [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B], [appellante sub 16] en anderen, [appellant sub 21] en anderen, [appellant sub 25] en anderen, [appellant sub 26] en anderen, [appellant sub 23] en anderen en [appellant sub 15A] en [appellant sub 15B] belanghebbenden bij het inpassingsplan. Zij hebben gronden die zich weliswaar niet aansluitend aan maar wel op korte afstand van het plangebied bevinden, waardoor feitelijke gevolgen als gevolg van de bestemmingswijziging bij hun gronden niet zijn uitgesloten.

    De percelen van de appellanten [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 8] en anderen, [appellant sub 9] en anderen, [appellant sub 10], [appellant sub 12], [appellanten sub 13], [appellante sub 17] en anderen, [appellant sub 22], [appellant sub 24], [appellant sub 29] en anderen, [appellant sub 30] en anderen, [appellante sub 31] en [appellant sub 32] bevinden zich op een afstand van meer dan 270 m tot het plangebied. De Afdeling acht voor deze appellanten niet aannemelijk gemaakt dat zij feitelijke gevolgen ondervinden van het inpassingsplan. Dat betekent dat zij geen belanghebbenden zijn. Hun beroepen tegen het inpassingsplan zijn niet-ontvankelijk.

9.2.    Dorpsraad Griendtsveen is een vereniging. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

    Het belang dat Dorpsraad Griendtsveen zich blijkens haar statuten ten doel stelt te behartigen, is het belang van het dorp Griendtsveen. Het werkgebied wordt volgens de statuten begrensd tot de dorpsgrenzen van Griendtsveen. Het plangebied ligt op ongeveer 500 m van de dorpsgrens van Griendtsveen. De Afdeling heeft hiervoor onder 9.1 al overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat op een afstand van meer dan 270 m van het plangebied feitelijke gevolgen worden ondervonden van het inpassingsplan. Gelet daarop acht de Afdeling uitgesloten dat het inpassingsplan invloed heeft op het werkgebied van de Dorpsraad Griendtsveen. Zij is daarom geen belanghebbende bij het besluit tot vaststelling van het inpassingplan.

    Het beroep van Dorpsraad Griendtsveen tegen het inpassingsplan is niet-ontvankelijk.

Beroepsgronden tegen de Milieueffectrapportage (hierna: MER)

Alternatievenonderzoek

10.    [appellant sub 4] en Dorpsraad Griendtsveen betogen dat er in de MER ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar alternatieven. Dat is in strijd met de Wet milieubeheer. Dat er in het verleden al onderzoeken zijn gedaan naar eventuele alternatieven is onvoldoende, want die onderzoeken zijn niet gedaan in het kader van deze plannen en zijn bovendien gedateerd.

10.1.    Volgens vaste rechtspraak moeten redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatieven worden beschreven en beoordeeld, rekening houdend met het doel en de geografische werking van het plan.

    Het projectplan en inpassingsplan zijn gericht op het herstel van het hoogveen in het gebied Leegveld, ten behoeve van de wettelijke instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied "Deurnsche Peel & Mariapeel". Gelet hierop vormt het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat geen toereikend onderzoek is verricht naar alternatieve locaties.

10.2.    Het college en provinciale staten hebben toegelicht dat de in het projectplan voorziene maatregelen voortbouwen op het voorkeursscenario uit de GGOR-inrichtingsvisie Deurnsche Peel (hierna: GGOR-inrichtingsvisie) uit 2011, die is opgesteld ten behoeve van het gewenst grondwater- en oppervlaktewaterregime in de Deurnsche Peel. Er is daarom verwezen naar de alternatievenafweging uit de GGOR-inrichtingsvisie, die volgens hen nog steeds actueel is. Er is volgens het college en provinciale staten geen ander of beter alternatief waarbij het doel, namelijk het herstel van het hoogveen binnen de Deurnsche Peel, bereikt kan worden. De bekeken alternatieven leiden volgens hen allemaal tot verslechtering van het doelbereik voor het Natura 2000-gebied "Deurnsche Peel & Mariapeel".

10.3.    De Afdeling stelt vast dat het college en provinciale staten waar het gaat om alternatieven voor de voorziene hydrologische maatregelen hebben verwezen naar de GGOR-inrichtingsvisie. De GGOR-inrichtingsvisie is vastgesteld door het algemeen bestuur van het Waterschap bij besluit van 8 april 2011. [appellant sub 4] en Dorpsraad Griendtsveen veronderstellen dus ten onrechte dat deze niet zou zijn vastgesteld.

    In de GGOR-inrichtingsvisie zijn de effecten van de bestaande waterhuishoudkundige situatie op de Deurnsche Peel in beeld gebracht. Vanuit de natuurdoelen die voortvloeien uit de instandhoudingsdoelstellingen als deel van het Natura 2000-gebied "Deurnsche Peel & Mariapeel" is vervolgens onderzoek gedaan naar de verbetering van de hydrologische situatie in het gebied ten behoeve van hoogveenherstel. In dat verband zijn 9 maatregelenscenario's beschreven en doorgerekend naar hun effect op de hydrologische situatie van het gebied. De 4 scenario's die de meest positieve ecohydrologische score kregen zijn gebruikt om een voorkeursscenario op te stellen, dat in de GGOR-inrichtingsvisie nader is uitgewerkt. De GGOR-inrichtingsvisie is vervolgens gebruikt bij het bepalen van de benodigde maatregelen ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Die maatregelen zijn neergelegd in het Natura 2000-beheerplan "Natura 2000-beheerplan Groote Peel, Deurnsche Peel & Mariapeel" (hierna: Natura 2000-beheerplan) en de daarin opgenomen PAS-gebiedsanalyse. Het projectplan voorziet in de uitvoering van een deel van deze maatregelen.

    Gelet op het voorgaande zijn verschillende inrichtingsalternatieven bekeken in de GGOR-inrichtingsvisie en vormt het voorkeursscenario daaruit de basis voor de in het projectplan voorziene hydrologische maatregelen. Naar het oordeel van de Afdeling mocht onder die omstandigheden voor de inrichtingsalternatieven verwezen worden naar de alternatieven die in GGOR-inrichtingsvisie zijn beschreven. Daarbij betrekt de Afdeling verder dat [appellant sub 4] en Dorpsraad Griendtsveen wel gesteld hebben dat maar niet gemotiveerd hebben waarom de alternatievenafweging niet langer actueel zou zijn.

    Het betoog slaagt niet.

Beschrijving in de MER over muggen- en knuttenoverlast

11.    [appellant sub 4] en Dorpsraad Griendtsveen betogen dat de MER onvolledig is omdat niet is ingegaan op muggen- en knuttenoverlast, rekening houdend met de onderzoeken van Alterra Wageningen UR - nu onderdeel van "Wageningen Environmental Research".

11.1.    In paragraaf 2.1 van de MER staat dat om overlast van muggen en knutten te voorkomen deskundigen op dat gebied worden ingeschakeld bij de voorbereiding en uitvoering van projecten. De Afdeling stelt vast dat in het projectplan staat beschreven dat maatregelen getroffen worden en welke dat zijn, waarbij ook wordt verwezen naar het monitoringsplan. In paragraaf 6.1 van het monitoringsplan staat verder dat de aanpak van muggen- en knuttenoverlast is gebaseerd op eerder door Wageningen Environmental Research uitgevoerde onderzoeken. Dat geen rekening zou zijn gehouden met die onderzoeken volgt de Afdeling daarom niet. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de MER in zoverre onvoldoende is.

    Het betoog slaagt niet.

Verhouding besluiten met Landinrichtingsplan

12.    [appellant sub 4], Dorpsraad Griendtsveen, Dorpsraad Helenaveen en [appellant sub 34] stellen dat het projectplan en inpassingsplan in strijd zijn met de garanties en uitgangspunten van het Landinrichtingsplan. Het projectplan geeft onvoldoende rekenschap van de garanties, en in de MER ontbreekt volgens de Dorpsraad Helenaveen zelfs de garantie over boskap. Volgens de Dorpsraad Griendtsveen en de Dorpsraad Helenaveen mochten zij vertrouwen op de gegeven garanties aan de streek. [appellant sub 34] stelt dat onvoldoende duidelijk is dat andere doelen uit het Landinrichtingsplan, volgens hem onder andere landbouw, recreatie en cultuurhistorie, ook behaald worden, terwijl alle doelen samen de invloed op zijn bedrijf bepalen.

12.1.    De Afdeling stelt voorop dat het projectplan en het inpassingsplan een specifieke doelstelling kennen die verschilt van de doelstellingen van het Landinrichtingsplan. Het Landinrichtingsplan omvat doelstellingen voor een veel groter gebied, onder meer ook de Mariapeel. De voorliggende besluiten zien op het gebied Leegveld. Het Landinrichtingsplan is een op grond van de voormalige Landinrichtingswet vastgesteld plan en kent een brede doelstelling. Het strekt tot verbetering van de inrichting van het gebied waarop het ziet, overeenkomstig de functies van dat gebied zoals deze in het kader van de ruimtelijke ordening zijn aangegeven. Het doel van het inpassingsplan is ingevolge de Wro daarentegen een goede ruimtelijke ordening te bewerkstelligen van het gebied waarover het inpassingsplan zich uitstrekt. Het projectplan, waar het goedkeuringsbesluit over gaat, ziet ingevolge de Waterwet op de aanleg en wijziging van waterstaatswerken binnen het gebied Leegveld met het oog op waterbelangen. Het beleid inzake landinrichting is gezien het voorgaande niet zonder belang voor de inhoud van de bestreden besluiten, maar is niet zonder meer daarvoor bepalend of doorslaggevend. Het enkele feit dat in het Landinrichtingsplan ook doelen voor landbouw, recreatie en cultuurhistorie staan en die ontbreken in het projectplan en inpassingsplan, zoals [appellant sub 34] betoogt, kan daarom niet leiden tot vernietiging van het projectplan en het inpassingsplan. In de nota van zienswijzen van het projectplan (hierna: nota van zienswijzen projectplan) staat dat die doelen nog steeds worden nagestreefd, maar niet in het projectplan en inpassingsplan zijn opgenomen.

    Wel dient naar het oordeel van de Afdeling rekening te worden gehouden met het beleid inzake landinrichting. Appellanten voeren terecht aan dat in het projectplan niet alle in het Landinrichtingsplan zogenoemde "garanties" en uitgangspunten zijn verwerkt. Daarover overweegt de Afdeling als volgt. Het tijdsverloop sinds de vaststelling van het Landinrichtingsplan in 2005 heeft geleid tot nieuwe inzichten over de benodigde hydrologische maatregelen voor de Deurnsche Peel en de visie daarover die in het Landinrichtingsplan beschreven stond. In de GGOR-inrichtingsvisie uit 2011 zijn aanvullende maatregelen onderzocht en is een voorkeursscenario beschreven. Die inrichtingsvisie is vervolgens gebruikt bij het bepalen van de benodigde maatregelen ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen in het Natura 2000-beheerplan en de daarin opgenomen PAS-gebiedsanalyse. De hydrologische maatregelen als voorzien in het projectplan vormen de uitwerking van een deel van die benodigde maatregelen. Bij het bepalen van de maatregelen in het projectplan is groot gewicht toegekend aan het belang van hoogveenherstel zoals dat volgt uit de instandhoudingsdoelstelling voor het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel, waar de Deurnsche Peel onderdeel van uitmaakt. De gewijzigde inzichten hebben tot gevolg gehad dat bij de keuze voor de hydrologische maatregelen het belang van hoogveenherstel zwaarder heeft gewogen dan enkele in het Landinrichtingsplan genoemde garanties en uitgangspunten. De Afdeling acht de keuze in het projectplan en het inpassingsplan om het belang van hoogveenherstel binnen de Deurnsche Peel doorslaggevend te achten niet onredelijk.

    De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat in de gemaakte belangenafweging in algemene zin onvoldoende rekening met die garanties en uitgangspunten is gehouden. In het verlengde daarvan geldt ook dat het niet opnemen van de uit het Landinrichtingsplan afkomstige garantie over boskap in de MER niet maakt dat de belangenafweging onvoldoende is.

    Het goedkeuringsbesluit en het inpassingsplan zijn dan ook niet reeds door het niet opnemen van al deze garanties en uitgangspunten in strijd met het recht.

    Het betoog slaagt in zoverre niet.

13.    De Afdeling zal hierna bij de bespreking van de beroepsgronden, daar waar dat is aangevoerd, ingaan op de vraag of bepaalde specifieke garanties en uitgangspunten uit het Landinrichtingsplan voldoende zijn betrokken.

Goedkeuringsbesluit projectplan

Nut van de maatregelen en stikstof

14.    [appellant sub 1], [appellant sub 4] en Dorpsraad Griendtsveen betogen dat onvoldoende is gemotiveerd waarom er met het oog op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Deurnsche Peel & Mariapeel" aanvullende hydrologische maatregelen genomen moeten worden ten behoeve van herstel van het hoogveen, terwijl uit het Natura 2000-beheerplan blijkt dat de maatregelen uit het Landinrichtingsplan ook al bijdragen aan het functioneel herstel van het hoogveen. Dorpsraad Griendtsveen betoogt onder verwijzing naar de PAS-herstelstrategie dat er geen verplichting bestaat om maatregelen te nemen ten behoeve van herstel van hoogveen. Een aantal appellanten stelt verder dat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van een overschrijding van de kritische depositiewaarde (hierna: KDW) voor het habitattype herstellende hoogvenen. De verwijzing naar de berekening van de huidige stikstofbelasting met het AERIUS is onvoldoende, omdat dit niet is gevalideerd met behulp van metingen.

14.1.    De Deurnsche Peel maakt onderdeel uit van het als Natura 2000-gebied aangewezen "Deurnsche Peel & Mariapeel". Voor Natura 2000-gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. In het Natura 2000-beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse die voor het gebied zijn opgesteld zijn instandhoudings- en passende maatregelen beschreven ten behoeve van deze instandhoudingsdoelstellingen. Daarin zijn onder meer maatregelen opgenomen ten behoeve van de instandhouding en herstel van hoogveen in de Deurnsche Peel. Het college heeft daarover toegelicht dat de kritische depositiewaarde (hierna: KDW) voor het habitattype herstellende hoogvenen in het Natura 2000-gebied "Deurnsche Peel & Mariapeel" ruim is overschreden en dat sprake is van een sterke overbelasting. De KDW voor herstellende hoogvenen ligt op 500 mol N/ha/jaar, terwijl de met het AERIUS Monitor berekende stikstofdepositie op herstellende hoogvenen in het referentiejaar 1.637 mol N/ha/jaar bedraagt. De hydrologische maatregelen als voorzien in het projectplan vormen een uitwerking van een deel van de maatregelen uit dat Natura 2000-beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse en hebben herstel van het hoogveen binnen de Deurnsche Peel tot doel, met het oog op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met het voorgaande de maatregelen voldoende gemotiveerd. De enkele stelling dat de berekening van de huidige stikstofdepositie op het habitattype herstellende hoogvenen is gebaseerd op een berekening met het AERIUS Monitor is onvoldoende voor het oordeel dat de maatregelen onvoldoende gemotiveerd zijn. In dat verband overweegt de Afdeling dat in de nota van zienswijzen projectplan over het AERIUS Monitor is toegelicht dat ook metingen plaatsvinden ter validatie en kalibratie van het model. De appellanten die dit betogen hebben niet gemotiveerd onderbouwd waarom de validatie en kalibratie onvoldoende zijn.

    Dat in de PAS-gebiedsanalyse staat dat de maatregelen zoals omschreven in het Landinrichtingsplan ook een positief ecohydrologisch effect hebben, zoals Dorpsraad Griendtsveen betoogt, betekent niet dat daarom alleen voor die maatregelen gekozen had moeten worden. Zoals onder 12.1 al is overwogen is sprake van nieuwe inzichten wat betreft de benodigde hydrologische maatregelen. De Afdeling wijst er in dat verband op dat in de PAS-gebiedsanalyse weliswaar staat dat de maatregelen uit het Landinrichtingsplan bijdragen aan de vereisten voor hoogveenontwikkeling, maar daar staat ook dat die maatregelen samen met aanvullende maatregelen uit de GGOR-inrichtingsvisie bijdragen aan verbetering van de hydrologische condities op een grotere oppervlakte.

    De betogen slagen niet.

Geschiktheid van de maatregelen

15.    Een aantal appellanten betoogt dat de hydrologische maatregelen die in het projectplan zijn beschreven niet geschikt zijn. Voor het herstel van het hoogveen is een stabiel waterpeil nodig, maar de in het projectplan voorziene maatregelen zullen leiden tot meer fluctuaties. Het projectplan heeft volgens hen tot gevolg dat er een forse toename plaatsvindt van ondiep, open water. Door de snellere verdamping van dat water en omdat bij hevige neerslag dergelijke plassen snel vollopen, zullen meer fluctuaties ontstaan in het waterpeil. Daar komt bij dat vanwege de klimaatverandering vaker periodes met extreme neerslag en periodes van droogte zullen plaatsvinden. Deze appellanten wijzen er ook op dat in het gebied ook de kap van 80 hectare berken gepland staat, wat volgens hen extra zonlicht en wind tot gevolg heeft en daarom zal leiden tot snellere verdamping. Gelet op deze omstandigheden is volgens deze appellanten niet aangetoond dat de maatregelen zullen leiden tot herstel van het hoogveen.

15.1.    In hoofdstuk 3 van het projectplan staat dat voor de ontwikkeling van hoogveen een hoge en stabiele grondwatersituatie noodzakelijk is. In paragraaf 4.3 van het projectplan staat dat ten behoeve daarvan in het plangebied 33 compartimenten worden gerealiseerd. Elk van deze compartimenten heeft één of meer functies, zoals hoogveenkerngebied, voorraadgebied, tegendrukgebied of buffergebied. Met deze compartimentering wordt het waterpeil opgezet in de natuurgebieden en gestabiliseerd in hoogveenkerngebieden. Dit is gunstig voor de kwaliteit van herstellend hoogveen en ontwikkeling van nieuwe arealen actief hoogveen.

    De Afdeling stelt vast dat in hoofdstuk 3 ook de uitgangspunten zijn opgenomen op basis waarvan de geschiktheid van de maatregelen is beoordeeld, waarbij als uitgangspunt juist is opgenomen dat een stabiel waterpeil moet ontstaan en fluctuaties in de grondwaterstand maximaal 30 cm mogen bedragen. Ook is als uitgangspunt opgenomen dat de wegzijging vanuit het veenpakket naar de zandondergrond moet worden beperkt. Daarmee is beoogd om het effect van verdamping als gevolg van droogte te beperken. Verder zijn, om het effect van hevige neerslag tegen te gaan, buffergebieden voorzien met stuwen en kades om het water zo lang mogelijk vast te houden en gecontroleerd af te voeren. Over de kap van berken heeft het college toegelicht dat berken juist water onttrekken, waardoor het grondwaterpeil dieper komt te liggen. Kap daarvan heeft daarom - naast de maatregelen als voorzien in het projectplan - een positief effect op het hooghouden van het grondwaterpeil.

    Wat deze appellanten hebben aangevoerd is gelet op het voorgaande onvoldoende voor het oordeel dat de maatregelen niet geschikt zijn.

    Het betoog slaagt niet.

Heeft het college de juiste uitgangspunten gebruikt en mocht het college uitgaan van het gebruikte grondwatermodel?

Schaalniveau onderzoek en resultaten grondwatermodel

16.    Een aantal appellanten betoogt dat de hydrologische maatregelen uit het projectplan gebaseerd zijn op een theoretisch en onzeker model. Volgens hen zijn de effecten die de maatregelen zullen hebben onderschat en zal veel meer overlast optreden dan uit de berekeningen blijkt. Ook is volgens [appellant sub 4] het grondwatermodel ten onrechte niet opnieuw beoordeeld ("gereviewd").

    Een aantal appellanten betogen verder dat ten onrechte geen onderzoek op perceelniveau heeft plaatsgevonden. Zij betogen onder verwijzing naar de "Respons op reactie projectteam zienswijze 3 augustus 2018 Deurnsche Peel - Geohydrologische effectenstudie" van 30 januari 2019 door bureau Aveco de Bondt (hierna: tegenrapport Aveco de Bondt) dat het model ongeschikt is voor onderzoek op perceelniveau omdat grote afwijkingen kunnen optreden. Verder is ook ten onrechte de bodemopbouw niet in beeld gebracht, terwijl de bodemopbouw wel invloed heeft. Ook betogen deze appellanten onder verwijzing naar het tegenrapport Aveco de Bondt dat de invulling van de te nemen mitigerende maatregelen per perceel ten onrechte niet in het projectplan is vastgelegd en daarmee niet is gerekend. Dit terwijl volgens hen de effecten van ophoging van een perceel als mitigerende maatregel anders zijn dan bij drainage.

    [appellant sub 4] en Dorpsraad Griendtsveen stellen onder verwijzing naar de quickscan "Bevindingen van een quick scan naar de hydrologische effecten van voorgenomen of uitgevoerde maatregelen in het kader van PPWW Leegveld op de hydrologische situatie van het perceel Soemeersingel 149 te Helenaveen" van 28 juni 2018 en het onderzoek "Interpretatie van waarnemingen van grondwaterstanden en stijghoogtes gemeten in 3 waarnemingspunten op de kavel Soemeersingel 149 te Helenaveen" van 31 januari 2019, beide van bureau De Bakelse Stroom, dat het grondwatermodel gebrekkig is als het gaat om de berekende effecten naar het noorden en oosten van het projectplangebied. Volgens [appellant sub 4] en Dorpsraad Griendtsveen zit er een "harde rand" in het model aan de noordkant en oostkant, waardoor op hun grond ten onrechte geen effect wordt berekend van meer dan 5 cm. Dit is onrealistisch. Naar het westen wordt wel uitstraling berekend en bovendien is op de gronden van [appellant sub 4] geen weerstandbiedende laag aanwezig. Op basis van eigen berekeningen wordt een gemiddelde grondwaterstijging van 10 cm berekend en aan de randen 13 cm. Dat is meer dan het dubbele dan wat het grondwatermodel berekent. Verder berekent ook het grondwatermodel voor het naastgelegen natuurgebied Mariapeel een grotere wegzijging dan waar dat grondwatermodel vanuit gaat.

16.1.    Het projectplan is opgesteld vanwege de aanleg en wijziging van waterstaatswerken. Uit de Waterwet volgt dat inzicht moet bestaan in de gevolgen die de aanleg en wijziging van waterstaatswerken hebben. Verder moet ook inzicht bestaan in de maatregelen die genomen kunnen worden om nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken.

16.2.    De Afdeling stelt vast dat voor het in beeld brengen van de gevolgen van de aanleg en wijziging van waterstaatswerken gebruik is gemaakt van een grondwatermodel van bureau Witteveen en Bos. In paragraaf 5.1.1 van het projectplan staat over het grondwatermodel dat het eerder is ontwikkeld en gekalibreerd ten behoeve van de "Verkenning hydrologische maatregelen Deurnsche Peel en Leegveld". Specifiek voor dit projectplan is het grondwatermodel inhoudelijk verder aangepast. Als referentiesituatie voor de effectberekeningen is uitgegaan van de periode van 2006 tot 2014, waarbij ook de gemiddelde neerslag en gemeten referentiegewasverdamping is betrokken. De gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstand (hierna respectievelijk: GHG en GLG) is bepaald door middeling van de jaren 2006 tot 2014. Vervolgens zijn de grondwatereffecten berekend. Dit is toegelicht in bijlage A18 bij het projectplan. Het college heeft verder toegelicht dat het gehanteerde grondwatermodel door de MER-commissie is beoordeeld en dat die in haar advies stelt dat het model een geschikt model is voor het doel waarvoor het wordt ingezet.

    De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het gebruikte grondwatermodel in algemene zin niet geschikt zou zijn. Het grondwatermodel is gebaseerd op een model uit 2010, dat in 2015 opnieuw is beoordeeld door bureau Deltares. Het grondwatermodel is daarna in overleg met Deltares en in overeenstemming met de beoordeling aangepast. Niet gemotiveerd is waarom die aanpassingen onvoldoende zouden zijn.

16.3.    Over het detailniveau van het verrichte onderzoek overweegt de Afdeling dat de kaarten die als bijlage A19 bij het projectplan zijn gevoegd voldoende gedetailleerd zijn om voor specifieke percelen te zien welke effecten op de grondwaterstand het grondwatermodel berekent.

    In het projectplan is onderkend dat er op perceelniveau afwijkingen kunnen optreden van de met het grondwatermodel berekende effecten. Ter verificatie van de effecten van het model is een monitoringsnetwerk met peilbuizen opgezet. Dat netwerk dekt niet alleen het gebied af waar met het grondwatermodel effecten zijn berekend, maar ook een zone daarbuiten, waar het grondwatermodel geen of verwaarloosbare effecten berekent. Zo kan worden gecontroleerd of de daadwerkelijke grondwatereffecten overeenkomen met de effectberekeningen van het model. De Afdeling betrekt verder ook dat het college heeft toegelicht dat de onnauwkeurigheid van het model op perceelniveau als het gaat om de berekende grondwaterstandverandering veel kleiner is dan de modelonnauwkeurigheid van 25 cm in de absoluut berekende grondwaterstanden. De Afdeling acht verder van belang dat in het projectplan staat dat als de effecten anders blijken te zijn dan is berekend, nazorg plaatsvindt. Er wordt dan in overleg met de belanghebbenden bezien of aanvullende maatregelen of schadevergoeding nodig zijn of dat het beheer van de drainage moet worden aangepast.

    Gelet op de monitoring van de effecten en het zo nodig nemen van aanvullende maatregelen acht de Afdeling het ook aanvaardbaar dat de bodem van elk perceel niet verder gedetailleerd in kaart is gebracht met aanvullend bodemonderzoek bij de berekening van de effecten, zoals een aantal appellanten betoogt.

16.4.    De Afdeling is verder van oordeel dat voldoende inzicht bestaat in de gevolgen die de mitigerende maatregelen kunnen hebben. Dat dit inzicht moet bestaan betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat de invulling van alle specifieke mitigerende maatregelen per perceel moet vaststaan.

    De Afdeling overweegt in dit verband het volgende. Op de maatregelenkaart die hoort bij het projectplan zijn de percelen aangeduid waar mitigerende maatregelen nodig zijn. Bij de berekening van de effecten van de maatregelen met het grondwatermodel is gerekend met de mitigerende maatregelen voor die percelen. Eerst is voor deze percelen gerekend met drainage als mitigerende maatregel. Uit gesprekken met eigenaren van percelen waar mitigerende maatregelen nodig zijn bleek vervolgens dat veel van hen voorkeur hadden voor ophoging als mitigerende maatregel. Daarom is na het ontwerpprojectplan een aanvullende verificatieberekening gemaakt, waarbij is uitgegaan van de voorkeuren van deze perceeleigenaren. In de toelichting op deze berekening in bijlage A29 bij het vastgestelde projectplan staat dat deze verificatieberekening is vereist, omdat deze wijziging in mitigerende maatregelen kan zorgen voor een ander uitstralingseffect. In paragraaf 2.1 van deze bijlage staat een overzicht van de percelen waarvoor alsnog is gerekend met ophoging en is de voorziene ophoging in cm aangegeven. Uit die verificatieberekening bleek dat ophoging als mitigerende maatregel op een aantal percelen tot gevolg had dat op 5 andere percelen ook mitigatie nodig is. Die 5 percelen zijn alsnog opgenomen in de maatregelenkaart bij het projectplan. Als bijlage A19 zijn ook de gewijzigde hydrologische kaarten opgenomen. Gelet hierop is onder ogen gezien dat ophoging als mitigerende maatregel een ander effect heeft dan drainage en is daarmee gerekend. Verder worden de daadwerkelijke effecten gemonitord en worden zo nodig aanvullende mitigerende maatregelen genomen. Gelet op het verrichte onderzoek bestaat geen grond voor het oordeel dat er onvoldoende inzicht is in de te nemen mitigerende maatregelen.

    Gezien het voorgaande acht de Afdeling het ook aanvaardbaar dat na vaststelling van het projectplan nog nader onderzoek zal plaatsvinden naar de invulling van specifieke mitigerende maatregelen per perceel. Met dat aanvullend onderzoek wordt beoogd zorg te dragen dat op elk perceel waar mitigerende maatregelen zijn voorzien ook daadwerkelijk effectieve mitigerende maatregelen worden getroffen.

16.5.    Naar het oordeel van de Afdeling leidt ook wat [appellant sub 4] en de Dorpsraad Griendtsveen hebben aangevoerd niet tot het oordeel dat het gebruikte grondwatermodel gebrekkig is. Zoals hiervoor onder 16.3 is overwogen, acht de Afdeling het aanvaardbaar dat het grondwatermodel afwijkingen op perceelniveau niet uitsluit. Dat het model een "harde rand" zou hebben aan de noord- en oostkant en dat daardoor de effecten in de richting van het noorden en oosten in algemene zin niet juist zouden zijn berekend heeft het college gemotiveerd weersproken. Het college heeft erop gewezen dat ten zuiden van het perceel van [appellant sub 4] wel effect naar het oosten berekend wordt. Ook heeft het college toegelicht dat effecten van minder dan 5 cm niet zichtbaar zijn op de effectkaarten. De Afdeling betrekt verder dat ook op het perceel van [appellant sub 4] peilbuizen zijn geplaatst om de effecten te monitoren, zodat alsnog maatregelen getroffen kunnen worden als de effecten anders zijn dan berekend.

17.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat kon worden uitgegaan van het gebruikte grondwatermodel. De hiertegen aangevoerde betogen slagen niet.

18.    De Afdeling zal hierna beoordelen of het op basis van het grondwatermodel uitgevoerde onderzoek volledig is.

Is het op basis van het grondwatermodel uitgevoerde onderzoek volledig?

Voormalige vuilstort Leegveld

19.    Een aantal appellanten betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met de voormalige vuilstort aan het Leegveld ter hoogte van de Roggeweg. Volgens hen is ten onrechte niet de voorziening getroffen om deze vuilstort te saneren of om verstrekkende maatregelen te treffen, terwijl daar in het verleden sterk verontreinigd materiaal is gestort. Ook heeft het onderzoek zich beperkt tot een diepte van 10 m, terwijl er tot een diepte van 20 m gestort is. Verder is de deklaag van de voormalige vuilstort op sommige plekken niet meer aanwezig. Door de verhoging van het grondwaterpeil zal er meer verontreinigd materiaal in het grondwater terecht komen, dat zich vervolgens in de omgeving zal verspreiden.

    Een aantal appellanten betoogt onder verwijzing naar het rapport Aveco de Bondt dat het onderzoek naar de nadelige gevolgen van de maatregelen onvoldoende is. In het projectplan wordt gesteld dat de grondwaterstand onder de stortplaats maximaal 5 cm omhooggaat, maar uit het bestand met effectberekeningen blijkt dat de verhoging van de GHG kan oplopen tot 20 cm. Verder zijn het effect van verontreiniging van de stroombanen in combinatie met oppervlaktewater en de beïnvloeding van de grondwaterstroming door grondwateronttrekkingen onvoldoende betrokken.

19.1.    Het college heeft toegelicht dat onderzoek is gedaan naar onder meer de voormalige vuilstort Leegveld. Dit onderzoek, "Gebiedsontwikkeling Leegveld Deurne. Grondwatermonitoring drie voormalige stortplaatsen" van 31 oktober 2017 door bureau Royal HaskoningDHV, is als bijlage A24 bij het projectplan gevoegd (hierna: rapport voormalige stortplaatsen). Het onderzoek heeft uitgewezen dat in de bestaande situatie sprake is van een stabiele verontreiniging en dat deze voormalige vuilstort niet met spoed gesaneerd hoeft te worden. Deze conclusie is geformaliseerd in een beschikking op grond van de Wet Bodembescherming van 29 augustus 2018. Dit besluit is onherroepelijk. In dit besluit heeft het college van gedeputeerde staten vastgesteld dat op de locatie Leegveld te Deurne een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is, waarvoor geen spoedige sanering noodzakelijk is. Ook is bij dit besluit ingestemd met het saneringsplan van de gemeente Deurne.

    Op basis van dit onderzoek heeft het college bij het bepalen van de voorgenomen hydrologische maatregelen als uitgangspunt genomen dat nadelige gevolgen worden voorkomen als de voorgenomen peilverhoging niet tot een verhoging van de grondwaterstand onder de voormalige vuilstort leidt. Daarbij is een marge van 0-5 cm in het met het grondwatermodel berekende effect aanvaardbaar, zodat de met het grondwatermodel berekende verhoging van het grondwaterstand maximaal 5 cm mag bedragen.

19.2.    De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure niet de vraag voorligt of er noodzaak bestaat om deze voormalige vuilstort te saneren. In het kader van het goedkeuringsbesluit komt aan de orde of er voldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen die de maatregelen uit het projectplan kunnen hebben vanwege de voormalige vuilstort en of in het projectplan voldoende is beschreven wat gedaan wordt om eventuele nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken.

19.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college kunnen uitgaan van de conclusie uit de beschikking op grond van de Wet bodembescherming. Daarin staat dat in de bestaande situatie sprake is van een stabiele verontreiniging die niet met spoed gesaneerd hoeft te worden. De Afdeling ziet ook geen aanknopingspunten dat het uitgevoerde onderzoek zich heeft beperkt tot 10 m diepte. Bij bodemonderzoek dat in het verleden heeft plaatsgevonden, het zogenoemde VAMOS-onderzoek, is volgens het college onderzoek gedaan tot een diepte van 20 m. Verder reiken meerdere peilbuizen tot een diepte van 20 m. De resultaten van de metingen van het grondwater tot die diepte zijn in paragraaf 2.3.1 van het rapport voormalige stortplaatsen beschreven. Dat de deklaag op sommige plekken ontbreekt heeft het college erkend, maar dat is geen gevolg van het projectplan en verandert ook niet als gevolg van het projectplan.

    In zoverre bestaat geen grond voor het oordeel dat het onderzoek naar de voormalige vuilstort onvolledig is. Het betoog slaagt niet.

19.4.    De Afdeling stelt vast dat het college zich op basis van het uitgevoerde onderzoek op het standpunt stelt dat nadelige gevolgen kunnen worden voorkomen als de voorgenomen peilverhoging in het gebied niet tot een verhoging van de grondwaterstand onder de vuilstort van meer dan 5 cm leidt, de marge op basis van het grondwatermodel in aanmerking genomen, en dat beperking van de verhoging van de grondwaterstand ter plaatse tot maximaal 5 cm noodzakelijk is. De Afdeling is van oordeel dat het college zich onder verwijzing naar het uitgevoerde onderzoek in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als er voorzieningen worden getroffen zodat de verhoging van de grondwaterstand onder de vuilstort beperkt blijft tot maximaal 5 cm nadelige gevolgen kunnen worden voorkomen.

    De Afdeling sluit niet uit dat het mogelijk is voorzieningen te treffen waardoor de grondwaterstand wordt beperkt tot maximaal 5 cm. De toelichting van het college ter zitting dat een slotenstelsel is voorzien rondom de vuilstort acht de Afdeling echter onvoldoende. Dat slotenstelsel staat niet als voorziening ter voorkoming van nadelige gevolgen in het projectplan of op de maatregelenkaart beschreven. Bovendien is door alleen te wijzen op het slotenstelsel als voorziening nog niet inzichtelijk dat deze voorziening effectief is om de berekende verhoging van de GHG te beperken tot maximaal 5 cm, zodat nadelige gevolgen worden voorkomen.

    Het besluit tot goedkeuring van het projectplan berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

    Het betoog slaagt.

19.5.    De Afdeling gaat er bij de bespreking van de verdere beroepsgronden vanuit dat het hiervoor geconstateerde gebrek is hersteld.

20.    Over de verwijzing van een aantal appellanten naar het effect van verontreiniging van de stroombanen in combinatie met oppervlaktewater en de beïnvloeding van de grondwaterstroming door grondwateronttrekkingen overweegt de Afdeling als volgt.

    Zoals hiervoor is overwogen mocht het college uitgaan van de conclusie uit de beschikking op grond van de Wet bodembescherming dat in de bestaande situatie sprake is van een stabiele verontreiniging die niet met spoed gesaneerd hoeft te worden. Verder is bij het bepalen van de maatregelen als uitgangspunt genomen dat de verhoging van de grondwaterstand onder de vuilstort beperkt blijft tot maximaal 5 cm, zodat nadelige gevolgen worden voorkomen. In de nota van zienswijzen projectplan staat dat de verontreiniging onder de stort zich in het verleden heeft verplaatst tot maximaal 180 m van de voormalige stort en dat zich binnen de verontreinigingscontour geen tuinen of beregeningsputten bevinden.

    De Afdeling stelt vast dat in paragraaf 5.1.6 van het projectplan staat dat met behulp van het grondwatermodel stroombaanberekeningen zijn uitgevoerd voor de referentiesituatie en voor de situatie met de hydrologische maatregelen. In de situatie met de hydrologische maatregelen neemt de stroomsnelheid af, blijft de stroomrichting westelijk maar krijgt het een iets noordelijkere richting. In het monitoringsplan staat dat door het aflezen van peilbuizen ook de stroomrichting van het grondwater wordt gemonitord. Als toch effecten optreden, zullen maatregelen worden getroffen, zo blijkt uit het monitoringsplan. Gezien het voorgaande zijn de effecten van de maatregelen op de stroombanen onderzocht, vindt monitoring plaats en worden maatregelen getroffen als blijkt dat de effecten anders zijn dan is berekend. De aanwezige peilbuizen zorgen ervoor dat tot een diepte van 20 m kan worden gemonitord welke gevolgen de hydrologische maatregelen hebben.

    De Afdeling zal in de einduitspraak concluderen of, gezien het geconstateerde gebrek in 19.4, er grond bestaat voor het oordeel dat de gestelde gevolgen voldoende zijn onderzocht.

21.    Een aantal appellanten betoogt dat de monitoring van de voormalige vuilstort onvoldoende is. Volgens hen is de monitoring ten onrechte beperkt tot 5 jaar. Ook volgt uit het projectplan niet welke maatregelen worden getroffen als toch negatieve effecten optreden en is geen termijn opgenomen waarbinnen de maatregelen moeten worden getroffen.

21.1.    In hoofdstuk 7 van het monitoringsplan is de controle van het grondwater nabij de voormalige vuilstort Leegveld nader uitgewerkt. Daarin staat dat de monitoring zich richt op het controleren van veranderingen in de grondwaterstanden en de omvang van de grondwaterverontreiniging rondom de stortplaatsen. Dit wordt gedaan door het monitoren van de kwaliteit van het grondwater in de peilbuizen zowel bovenstrooms als benedenstrooms van de stort. Tevens zal door de stijghoogten van het grondwater periodiek te bepalen, de stromingsrichting worden gecontroleerd. Op basis van de uitkomsten van de modellering en de berekende stroombanen over een periode van 25 jaar zouden eventuele effecten van de vernatting binnen een periode van 5 jaar merkbaar moeten zijn in de geselecteerde monitoringspeilbuizen, zo staat in paragraaf 7.3 van het monitoringsplan. Op het gedefinieerde ijkmoment, 5 jaar na de vernatting, wordt bezien of sprake is van een stabiele situatie of dat deze binnen afzienbare tijd bereikt zal worden. Dit zal worden beschreven in een evaluatierapport. Indien een stabiele eindsituatie is bereikt, kan de monitoring worden afgerond. Is er nog geen stabiele situatie bereikt, dan zal een nieuwe strategie worden bepaald hoe de verontreinigingssituatie in beeld te houden, zo staat in het monitoringsplan.

21.2.    De Afdeling acht, gelet op het voorgaande, de monitoring van 5 jaar zoals beschreven in het monitoringsplan niet onredelijk. Daarbij betrekt de Afdeling dat in het monitoringsplan staat dat de effecten na 5 jaar merkbaar zouden moeten zijn en dat na 5 jaar wordt bekeken of een stabiele situatie is bereikt en de monitoring kan worden afgerond. Verder acht de Afdeling van belang dat het college heeft toegelicht dat, ook als de monitoring in het kader van het projectplan is afgerond, reguliere monitoring plaatsvindt.

    De Afdeling volgt appellanten ook niet in hun betoog dat in het projectplan onvoldoende is beschreven welke maatregelen in het geval er nadelige gevolgen optreden worden getroffen en op welke termijn. In het monitoringsplan staat dat afhankelijk van de uitkomsten locatiespecifieke maatregelen worden bepaald om eventuele risico’s weg te nemen of te beheersen. Het college heeft daarover ter zitting toegelicht dat bij verspreiding van de verontreiniging moet worden gekeken op welke diepte de oorzaak zit en of het trendmatig is. Vervolgens moet aan de hand daarvan een saneringswijze worden bepaald. De meest voor de hand liggende methode om verspreiding van verontreinigingen uit de stort tegen te gaan, is volgens het college het aanpassen van het peilbeheer van het grondwater rondom de stort. De Afdeling acht gelet op het voorgaande de monitoringsregeling niet onredelijk.

    Het betoog slaagt niet.

Voormalige vuilstorten hoek Leegveld/Eikenlaan en Eikenlaan

22.    Een aantal appellanten voert aan dat de gevolgen van de voormalige stortplaats die op de hoek van Leegveld en de Eikenlaan ligt (hierna: hoek Leegveld/Eikenlaan) en de voormalige stortplaats aan de Eikenlaan onvoldoende zijn onderzocht. In beide gevallen is geen sluitend onderzoek gedaan waaruit blijkt dat er geen nadelige gevolgen als gevolg van de peilopzet zijn te verwachten, zo stellen zij. Volgens hen is de conclusie dat het grondwater ter plaatse van de voormalige vuilstort op de hoek Leegveld/Eikenlaan "niet sterk" verontreinigd is onvoldoende, omdat daarmee dus wel sprake is van verontreinigd grondwater. Voor de voormalige vuilstort aan de Eikenlaan geldt volgens deze appellanten dat de conclusie uit het rapport voormalige stortplaatsen dat naar alle waarschijnlijkheid de bodem niet zal verslechteren onvoldoende is.

22.1.    In paragraaf 5.1 van het rapport voormalige stortplaatsen staat dat is vastgesteld dat er rond de voormalige vuilstort Leegveld/Eikenlaan geen sprake is van een ernstige grondwaterverontreiniging, dat de kwaliteit van het grondwater rondom de stort in de afgelopen 10 jaar niet of nauwelijks is veranderd en dat de stort geen noemenswaardige invloed heeft op de milieu-hygiënische kwaliteit van het grondwater.

    Over de voormalige vuilstort Eikenlaan staat in paragraaf 5.1 dat de milieu-hygiënische kwaliteit van de afdeklaag aangeeft dat deze mogelijk beïnvloed is door het aanwezige stortmateriaal vanwege licht verhoogde gehaltes cadmium, zink en PAK maar dat de resultaten geen aanleiding geven om een vervolgonderzoek in te stellen. De milieu-hygiënische kwaliteit van het grondwater is als gevolg van het aanwezige stortmateriaal niet beïnvloed, zo staat in het rapport voormalige stortplaatsen.

    In de nota van zienswijzen projectplan staat dat uit het rapport voormalige stortplaatsen geconcludeerd kan worden dat voor beide stortplaatsen geldt dat de kwaliteit van het instromend grondwater gelijk is aan de kwaliteit van het uitstromend grondwater en er dus geen negatieve beïnvloeding op de kwaliteit van het grondwater als gevolg van infiltrerend hemelwater optreedt. Dit betekent dat het stortmateriaal inert/immobiel is en dus niet oplost in en zich niet verplaatst via (grond)water. Vanuit milieu-hygiënisch oogpunt is er daarom geen noodzaak om voor deze stort maatregelen te treffen, ook niet wanneer het waterpeil wordt verhoogd. Door monitoring wordt desondanks geverifieerd dat er geen effect op verspreiding van verontreiniging optreedt, zo staat in de nota van zienswijzen projectplan.

    Gelet op het voorgaande is onderzoek gedaan naar de voormalige vuilstorten aan de Eikenlaan en Leegveld/Eikenlaan, en is geconcludeerd dat maatregelen ter voorkoming van nadelige gevolgen niet noodzakelijk zijn, maar dat ter verificatie monitoring zal plaatsvinden. Deze conclusies zijn niet gemotiveerd betwist. Gelet hierop en gegeven de monitoring van de vuilstorten bestaat geen grond voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de voormalige vuilstorten hoek Leegveld/Eikenlaan en Eikenlaan.

    Het betoog slaagt niet.

Integrale toetsing watersysteem en gevolgen Astense Aa

23.    Een aantal appellanten betoogt dat ten onrechte geen integrale toetsing van de gevolgen van de hydrologische maatregelen voor het hele oppervlaktewatersysteem heeft plaatsgevonden in de vorm van toetsing aan de normen uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (hierna: NBW-normen). Deze integrale NBW-toetsing voor het hele beheergebied wordt door het waterschap elke 6 jaar uitgevoerd. Omdat het oppervlaktewatersysteem onder grote druk staat, had deze integrale toetsing tegelijk met het projectplan moeten plaatsvinden, zo stellen deze appellanten.

    [appellant sub 30] en anderen betogen dat specifiek onderzoek had moeten worden gedaan naar de afwatering vanuit het projectplangebied in de richting van de Astense Aa. In het verleden is er wateroverlast geweest. Door de hogere waterstanden in de Astense Aa als gevolg van de toevoer van het water uit het projectplangebied zal opnieuw wateroverlast ontstaan.

23.1.    In de nota van zienswijzen projectplan staat dat op dit moment in het gebied geen knelpunten met betrekking tot de NBW-normen bekend zijn. Voor de nieuwe waterlopen zijn de afmetingen bepaald aan de hand van de NBW-norm, wat inhoudt dat de kans op overstroming 1 keer per 25 jaar is. Nieuwe NBW-knelpunten zijn als gevolg van het projectplan niet te verwachten. Mogelijk is zelfs afname van piekafvoeren te verwachten. Binnen het projectplangebied zijn buffercompartimenten gepland voor tijdelijke opvang van water in geval van hevige regenval, zo stelt het college.

    Het college heeft toegelicht dat het Waterschap Aa en Maas één keer per zes jaar voor het gehele beheergebied een integrale NBW-toetsing uitvoert. In deze toetsing worden de maatregelen zoals opgenomen in het projectplan meegenomen. Er is niet voor gekozen om de integrale NBW-toetsing tegelijkertijd met het projectplan uit te voeren. Dit omdat het uitgangspunt voor het projectplan is dat het watersysteem niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Er mag dus geen toename zijn van het aantal locaties waar niet aan de norm voor wateroverlast wordt voldaan, aldus het college.

    De Afdeling acht het uitgangspunt van het college dat het watersysteem als gevolg van het projectplan niet mag verslechteren niet onredelijk. Daarbij betrekt zij de toelichting dat geen knelpunten bekend zijn en ook geen nieuwe NBW-knelpunten te verwachten zijn. Het college heeft dan ook in redelijkheid geen integrale toetsing van de NBW-normen hoeven te eisen vanwege dit projectplan.

    Het betoog slaagt niet.

23.2.    Over de gevolgen voor de Astense Aa overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de hydrologische maatregelen geen negatieve gevolgen hebben op de Astense Aa, zodat in zoverre geen sprake is van een verslechtering van het watersysteem. Daarbij heeft het college toegelicht dat het projectplan voorziet in buffercompartimenten om het water tijdelijk vast te houden. Afvoer van water uit het projectplangebied richting de Astense Aa kan dus geleidelijk en gecontroleerd plaatsvinden, anders dan in de huidige situatie waarin die buffercompartimenten er niet zijn.

    Gezien het voorgaande is onderzoek verricht waaruit geconcludeerd is dat het projectplan niet leidt tot negatieve gevolgen in de Astense Aa. Mogelijk vindt door de geleidelijke en gecontroleerde afvoer op de Astense Aa zelfs verbetering plaats. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van de maatregelen voor de Astense Aa.

    Het betoog slaagt niet.

Streef- en bufferpeil

24.    Een aantal appellanten voert aan dat de streef- en bufferpeilen ten onrechte niet zijn vastgelegd. Daardoor kunnen de bufferpeilen ook voor lange tijd of zelfs structureel worden ingezet, met meer schade tot gevolg.

24.1.    Het college heeft toegelicht dat de bufferpeilen tijdelijk worden ingezet in tijden van extreme neerslag. In het projectplan is opgenomen dat het bufferpeil maximaal 2 weken wordt vastgehouden en dat het buffergebied daarna gecontroleerd wordt geleegd. Er komt een waterbergingsprotocol waarin verder wordt uitgewerkt wanneer en hoe de buffergebieden worden ingezet, aldus het college.

24.2.    Op de maatregelenkaart "Maatregelenkaart PPWW met plangebied PIP" is per compartiment of deel daarvan een streefpeil en - als dit van toepassing is - een bufferpeil opgenomen. In paragraaf 4.4 van het projectplan wordt ingegaan op buffering van neerslagpieken. Daarin staat dat de buffergebieden en bijbehorende bufferpeilen zodanig zijn bepaald, dat neerslagpieken tot een herhalingstijd van eens per 25 jaar tijdelijk kunnen worden opgevangen binnen het natuurgebied. Afhankelijk van de hoogte en lengte van de neerslagpiek wordt het water enkele dagen tot maximaal 2 weken vastgehouden in de buffercompartimenten, zo staat in deze paragraaf.

    Gelet hierop blijkt uit het projectplan naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk wat het streefpeil en wat het bufferpeil is, waar het bufferpeil voor is bedoeld en dat het bufferpeil maximaal 2 weken wordt aangehouden.

    Het betoog slaagt niet.

Kades

25.    Een aantal appellanten betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de kades die zijn voorzien in het projectplan. Door de peilopzet zal grondwater onder de kades door stromen. De kades zitten volgens hen niet in het model. Ook ontbreekt een waarborg dat het grondwater niet op de gronden van [appellanten sub 18] en [appellant sub 27] en anderen terecht komt. De kades rond het projectplangebied hebben verder tot gevolg dat water minder goed kan worden afgevoerd. Volgens [appellant sub 27] en anderen moet in het projectplan worden vastgelegd hoe de kades worden aangelegd. Dit omdat de kades worden aangelegd ten behoeve van het voorkomen van natschade en het behouden van het waterpeil in het natuurgebied.

25.1.    In het projectplan staat dat de kades worden aangelegd om het gebied te vernatten. Binnen deze kades wordt het grondwater stabiel hooggehouden, zodat het hoogveen kan gaan groeien. In paragraaf 3.1 van het projectplan wordt ingegaan op de aanleg van de kades en staan schetsen weergegeven van de verschillende kades. In bijlage A3 bij het projectplan is een kaart met de kades opgenomen. In bijlage A4 is een kaart opgenomen met een overzicht van de aan te leggen kades. In bijlage A5 is een tabel opgenomen waarin per kade - onder meer - staat aangegeven welke hoogte deze moet hebben en of daarvoor een nieuwe kade nodig is, de bestaande kan worden gehandhaafd of verhoging van de bestaande kade nodig is. In de nota van zienswijzen projectplan staat dat de klei in de kades niet is bedoeld om compartimenten waterdicht te maken, maar als functie heeft om de waterstroming door de kade beperkt te houden, zodat de kade stabiel blijft. Dat grondwaterstroming onder de kades optreedt is meegenomen in het grondwatermodel. Het berekende effect op grondwaterstanden buiten de compartimenten is inclusief deze grondwaterstroming.

    Gelet op het voorgaande zijn de kades in het projectplan beschreven en is de grondwaterstroming onder de kades onderzocht met behulp van het grondwatermodel. Gelet hierop en gezien de toelichting dat ook niet is beoogd om de compartimenten waterdicht te maken, bestaat geen grond voor het oordeel dat de kades onvoldoende zijn beschreven of dat er onvoldoende onderzoek zou zijn verricht. Op hetgeen [appellanten sub 19] specifiek hebben aangevoerd over kades die grenzen aan hun percelen, zal de Afdeling als specifieke beroepsgrond onder 40.1 ingaan.

    Wat betreft het betoog dat als gevolg van de kades het water op de aangrenzende landbouwpercelen mogelijk minder goed weg kan, zoals geldt voor [appellanten sub 18] en [appellant sub 27] en anderen, overweegt de Afdeling als volgt. De kades kunnen mogelijk gevolgen hebben voor de afwatering van de genoemde percelen. Om zorg te dragen dat afwatering mogelijk blijft, worden landbouwpercelen niet geheel omsloten door kades. Als de verminderde afwatering tot schade leidt, kan een beroep worden gedaan op de nadeelcompensatieregeling. Naar het oordeel van de Afdeling is gelet op het voorgaande voldoende rekening gehouden met de gevolgen van kades voor de afwatering van de genoemde landbouwpercelen.

    Het betoog slaagt niet.

Boskap

26.    [appellant sub 4], Dorpsraad Griendtsveen en Dorpsraad Helenaveen betogen dat de kap van 80 hectare bos ten onrechte als maatregel in het projectplan is opgenomen. Ten onrechte is het bos aangeduid als "berkenopslag". De kap van bestaand bos is in strijd met de afspraak (garantie) uit het Landinrichtingsplan dat het bestaande bos behouden blijft. Het projectplan kan ook niet de grondslag bieden voor deze maatregel. Anders dan het college stelt, volgt de maatregel niet uit het Natura 2000-beheerplan.

26.1.    Het college stelt dat de verwijdering van de berkenopslag is genoemd om te laten zien dat er een ecohydrologische samenhang is tussen de voorgenomen hydrologische maatregelen en de voorgenomen verwijdering van de berkenopslag. De verwijdering van de berkenopslag vindt zijn grondslag in het Natura 2000-beheerplan, aldus het college.

26.2.    De Afdeling overweegt dat een projectplan op grond van de Waterwet vormvrij is. De Waterwet staat er dan ook niet aan in de weg dat in een projectplan een maatregel uit een Natura 2000-beheerplan genoemd wordt om de samenhang daarvan met het projectplan aan te geven. De Afdeling stelt vast dat in het projectplan de kap van 80 ha berkenopslag genoemd staat in een aparte subparagraaf 4.5.2 die "Onderhoudsmaatregelen beheerplan N2000" heet. Gelet daarop is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk dat de kap van 80 ha berkenopslag niet zijn grondslag vindt in het projectplan. De Afdeling komt daarom niet toe aan de bespreking van deze beroepsgrond.

    Het betoog slaagt niet.

Gevolgen van de maatregelen voor bestaand bos

27.    Volgens Dorpsraad Griendtsveen en Dorpsraad Helenaveen is ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen van de maatregelen zijn voor het bestaande bos in het gebied. Volgens hen blijkt uit de notitie "Analyse bossterfte Leegveld" van 30 maart 2018 van Royal HaskoningDHV (hierna: notitie analyse bossterfte) dat het projectplan - naast de 80 ha te kappen bomen - veel bossterfte en kaalslag tot gevolg heeft. Bossterfte is volgens hen in strijd met de garantie uit het Landinrichtingsplan dat bestaand bos behouden blijft.

27.1.    Als bijlage C bij de nota van zienswijzen projectplan is een aantal kaarten gevoegd. Daarop staat ingetekend wat de verwachte ontwikkeling van het bos in het gebied is voor de periode 2018 tot 2050. Het bosareaal dat als gevolg van de vernatting zal verdwijnen is ingetekend op deze kaarten. Naar het oordeel van de Afdeling is daarmee voldoende inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen van de hydrologische maatregelen zijn voor het bestaande bos in het gebied.

    Over de strijd met het Landinrichtingsplan overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt vast dat in de nota van zienswijzen projectplan is opgenomen dat de garantie aan de streek van behoud van het bestaande bos is afgewogen tegen het belang van behoud en herstel van hoogveen, zoals volgt uit de wettelijke en beleidsmatige randvoorwaarden vanuit het Natura 2000-beheerplan, de PAS-gebiedsanalyse en de GGOR-inrichtingsvisie. Bij de afweging van belangen is ook betrokken dat berken van nature niet in een hoogveengebied thuishoren, maar het gevolg zijn van de verdroging en stikstofdepositie waar de Peelvenen onder lijden. Aan het belang van het herstel van het hoogveen, waarvoor een stabiel hoog waterpeil noodzakelijk is, is doorslaggevend gewicht toegekend. De Afdeling is van oordeel dat deze belangenafweging in redelijkheid gemaakt kon worden.

    Het betoog slaagt niet.

Muggen- en knuttenoverlast

28.    Appellanten betogen dat als gevolg van het projectplan onaanvaardbare overlast van muggen en knutten zal ontstaan. Volgens hen zijn er onvoldoende maatregelen getroffen om de overlast tegen te gaan. Ook is ten onrechte niet verzekerd dat de maatregelen worden uitgevoerd. [appellant sub 4] en Dorpsraad Griendtsveen betogen dat Wageningen Environmental Research onderzoek heeft verricht dat ten onrechte niet is betrokken. In dat verband wijzen zij op de notities "Stekende insecten Griendtsveen. Situatie 2015", van november 2015, "Stekende insecten Griendtsveen 2016" van februari 2017, "Stekende insecten Griendtsveen 2017", van februari 2018 en "Stekende insecten Griendtsveen. Stand van het onderzoek".

28.1.    Het college heeft erkend dat muggen- en knuttenoverlast kan ontstaan en dat daarom maatregelen getroffen moeten en zullen worden. Het college heeft ter zitting toegelicht dat met name van belang is dat er zo weinig mogelijk tijdelijke plassen ontstaan. Voor de randen van het projectplangebied is van belang om ervoor zorg te dragen dat er altijd predatoren in het water aanwezig kunnen zijn, door stijging van het waterpeil integraal te laten plaatsvinden. Volgens het college wordt hier in het bestek rekening mee gehouden en wordt bij de uitvoer Wageningen Environmental Research betrokken.

    De Afdeling stelt vast dat in het projectplan staat beschreven dat maatregelen ter beheersing van muggen en knutten getroffen worden, zowel bij de inrichting van het gebied als in de aanleg- en beheerfase. In paragraaf 3.2.3 staan de maatregelen die getroffen worden bij de inrichting. Op maatregelen voor de aanleg- en beheerfase wordt in paragraaf 6.5.6 van het projectplan ingegaan. In deze paragraaf staat ook dat vanaf 2018 tot aan de realisatie van de maatregelen onderzoek wordt gedaan naar de verspreiding van muggen en knutten in en rondom het plangebied. Met deze nulmeting kan de ontwikkeling van muggen en knutten na realisatie van de maatregelen worden vergeleken met de huidige situatie. Verdere uitwerking van de monitoring staat in hoofdstuk 6 van het monitoringsplan. Zoals de Afdeling hiervoor onder 11.1 al heeft vastgesteld staat in paragraaf 6.1 hiervan dat de aanpak van muggen- en knuttenoverlast is gebaseerd op het eerder door Wageningen Environmental Research uitgevoerde onderzoeken.

    Gezien het verrichte onderzoek, de in het projectplan en monitoringsplan beschreven inrichting en monitoring bestaat geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan of onvoldoende maatregelen zijn voorzien gericht op het voorkomen van onaanvaardbare muggen- en knuttenoverlast.

    Het betoog slaagt niet.

Overlast bevers en beverdammen

29.    Een aantal appellanten betoogt dat de aanwezigheid van bevers en beverdammen in het projectplangebied onvoldoende is betrokken bij het onderzoek naar de gevolgen van de hydrologische maatregelen. Daardoor zijn de effecten van de maatregelen onderschat. De verwijzing naar het Beverprotocol Noord-Brabant 2017 (hierna: Beverprotocol) als er effecten zouden optreden is volgens hen onvoldoende. De bever is een beschermde soort die op grond van de Wnb alleen met ontheffing mag worden verstoord. Een mogelijke ontheffing wordt verleend aan de faunabeheereenheid en niet aan het provincie- of waterschapsbestuur, zodat niet vaststaat dat er zal worden opgetreden.

29.1.    In de nota van zienswijzen projectplan staat dat het mogelijk is dat de bever in de toekomst het watersysteem zal beïnvloeden. Als beveractiviteiten leiden tot ongewenste peileffecten kunnen overeenkomstig het Beverprotocol verschillende soorten maatregelen worden getroffen om de schade te voorkomen en op te heffen. Het college heeft ter zitting toegelicht dat wanneer de veiligheid in het geding is overeenkomstig het Beverprotocol snel kan worden ingegrepen. De mate van beïnvloeding van de betreffende beveractiviteit op het watersysteem bepaalt binnen welke termijn en hoe wordt ingegrepen.

    Gelet op het voorgaande is erkend dat beveractiviteiten invloed kunnen hebben op de hydrologische effecten. Als er beïnvloeding optreedt, wordt echter ingegrepen overeenkomstig het Beverprotocol. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek onvoldoende is. Dat de Faunabeheereenheid op voorhand geen medewerking zou willen verlenen aan de uitvoer van maatregelen overeenkomstig het Beverprotocol is ook niet gebleken.

    Het betoog slaagt niet.

Gevolgen voor de landbouw

30.    Een aantal appellanten betoogt dat de gevolgen van de maatregelen voor landbouwgronden onvoldoende inzichtelijk zijn. Ook zijn de gevolgen onderschat. Er is uitgegaan van de huidige teelt op landbouwgronden, terwijl de maatregelen ervoor kunnen zorgen dat bepaalde gewassen - zoals lelies - niet langer kunnen worden geteeld. Volgens [appellant sub 34] is het schadebedrag voor gewassen als aardappelen en suikerbieten anders dan dat van gras of snijmais en is daar ten onrechte geen nader onderzoek naar gedaan. Volgens een aantal appellanten is verder onvoldoende gedaan om nadelige gevolgen voor de landbouw te voorkomen dan wel te mitigeren. In dat verband wijst een aantal appellanten onder meer op de gevolgen van de maatregelen als het gaat om kwel.

30.1.    In paragraaf 6.5.2 van het projectplan staat dat de grondwaterstandsveranderingen op omliggende landbouwpercelen mogelijk gevolgen hebben voor de opbrengsten van landbouwgewassen. Op basis van de berekende grondwaterstandsveranderingen zijn de effecten op landbouwopbrengsten berekend in de vorm van de procentuele opbrengstderving als gevolg van wateroverlast en droogte. Daarbij is volgens het college ook rekening gehouden met kwel. Deze zijn berekend op basis van gras en snijmais. De berekening is als bijlage A19 bij het projectplan gevoegd. Als bijlage A26 is aanvullend onderzoek opgenomen naar de teelten die voorkomen - anders dan gras en snijmais, namelijk de notitie "Effectbepaling bijzondere teelten rondom project Leegveld" van 14 maart 2018 door Royal HaskoningDHV, (hierna: Notitie effectbepaling bijzondere teelten). De conclusie is dat voor de meeste percelen met andere gewassen de schadefunctie, dus de procentuele opbrengstderving, overeenkomt met die van snijmais. Voor negen percelen wijken de schadefuncties af van die van gras of snijmais en is de schade alsnog berekend, zo staat in de nota van zienswijzen projectplan.

    Gelet op het voorgaande heeft onderzoek plaatsgevonden naar de effecten op landbouwopbrengsten als gevolg van de maatregelen. Met dit onderzoek zijn naar het oordeel van de Afdeling de effecten van de maatregelen voor de landbouw voldoende onderzocht. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het onderzoek is verricht aan de hand van de door agrariërs in de werkgroep Leegveld gedane - uitvoerige - opgave van andere teelten, waaronder bloemen, die voorkomen in de zone rondom Leegveld. Dat daarbij ten onrechte bepaalde teelten niet zijn meegenomen is de Afdeling niet gebleken. Het gestelde over de omvang van de schade, omdat andere teelten dan de huidige teelt niet langer mogelijk zijn en het schadebedrag per gewas, gaan over de uitvoering van de schaderegeling en de hoogte van de uit te keren vergoeding van schade. Deze stellingen kunnen niet in deze procedure maar alleen in de specifieke procedure over de vergoeding van schade aan de orde komen.

    Waar [appellant sub 34] stelt dat de te verwachten schade voor aardappelen en suikerbieten anders is dan die van gras en snijmais stelt de Afdeling vast dat hier in de Notitie effectbepaling bijzondere teelten op is ingegaan. In tabel 1 van die notitie staat dat de schadefunctie van beide overeenkomt met die van snijmais. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat hier niet van had mogen worden uitgegaan.

    Het betoog slaagt niet.

30.2.    De Afdeling ziet ook geen grond voor het oordeel dat onvoldoende is gedaan om nadelige gevolgen voor de landbouw te voorkomen of te mitigeren. Het college heeft toegelicht dat mitigerende maatregelen voor landbouw zijn opgenomen in het projectplan als de berekende landbouwschade op basis van grasland of mais meer bedraagt dan 5% én als de berekende GHG-stijging meer dan 5 cm bedraagt. Bij minder dan 5% schade staat de investering in mitigerende maatregelen niet in verhouding tot de schade en kan een beroep worden gedaan op de nadeelcompensatieregeling van Waterschap Aa en Maas. GHG-stijgingen van minder dan 5 cm zullen waar nodig door het waterschap worden opgelost door aanpassingen van de stuwpeilen binnen de beheermarge. De Afdeling acht deze keuze niet onredelijk. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat er monitoring van de effecten plaatsvindt en zo nodig aanvullende maatregelen worden getroffen of schade wordt vergoed als de effecten anders zijn dan berekend.

    Het betoog slaagt niet.

Beroepsgronden perceelniveau

Grondwaterputten [appellant sub 9] en anderen

31.    [appellant sub 9] en anderen betogen dat een grondwaterput die zij gebruiken voor de beregening van hun percelen ten onrechte niet is ingetekend. Het gevolg van het projectplan voor de kwaliteit van het grondwater is volgens hen niet duidelijk als het gaat om de vuilstort in de directe omgeving.

31.1.    In de nota van zienswijzen projectplan staat dat het projectplan geen betrekking heeft op het handhaven van grondwaterputten. Het projectplan leidt mogelijk wel tot verhogingen van grondwaterstanden en stijghoogten ter plaatse van de grondwaterputten. Effecten op het doorlaatvermogen, de watervoerendheid en de waterkwaliteit van het onttrokken water zijn echter niet te verwachten, zo staat in de nota van zienswijzen projectplan. [appellant sub 9] en anderen hebben dit niet gemotiveerd betwist, op de verwijzing naar de voormalige vuilstorten na.

    Over de relatie tussen het water in de grondwaterputten en de voormalige vuilstorten overweegt de Afdeling dat zij hiervoor in 19.4 het standpunt van het college niet onredelijk heeft geacht dat als de verhoging van de grondwaterstand onder de voormalige vuilstort Leegveld beperkt blijft tot maximaal 5 cm nadelige gevolgen worden voorkomen. De Afdeling zal in de einduitspraak concluderen of, gezien het geconstateerde gebrek in 19.4, er grond bestaat voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van die vuilstort voor de grondwaterputten.

Afwatering Griendtsveenseweg

32.    [appellanten sub 15] en [appellant sub 27] en anderen betogen dat in het projectplan niet duidelijk is vastgelegd hoe de waterafvoer geregeld zal gaan worden. Afwatering in De Vlier is niet langer mogelijk, maar onduidelijk is hoe de nieuwe afwatering eruit zal gaan zien. In de nota van zienswijzen projectplan staat dat met deze appellanten een overleg wordt ingepland over de varianten van de watergangen, maar dat overleg heeft nog niet plaatsgevonden. In paragraaf 4.2.1 van het projectplan staan tekeningen van drie varianten, maar daarbij is geen toelichting gegeven. Ook is niet gemotiveerd waarom niet langer een ringdrainage voor de percelen van [appellanten sub 15] is opgenomen.

32.1.    In paragraaf 4.2.1 van het projectplan staat dat er in de zone tussen compartiment 1 en de Griendtsveenseweg, waar de percelen van [appellanten sub 15] en [appellant sub 27] en anderen liggen, een nieuwe afwaterende watergang moet worden aangelegd om te zorgen dat er geen vernatting optreedt. De nieuwe watergang komt langs de noordzijde van compartiment 1 te liggen. Er zijn 3 varianten mogelijk voor de locatie van de inlaat vanuit het Kanaal van Deurne en het eerste deel van het tracé voor de watergang na de inlaat. Na overleg met en instemming van de omwonenden en grondeigenaren maken waterschap Aa en Maas en de provincie uiteindelijk een keuze voor een van de drie mogelijkheden.

    Gelet op het voorgaande staat in het projectplan dat een nieuwe afwaterende watergang nodig is en zijn drie specifieke varianten van die nieuwe afwatering omschreven. Anders dan deze appellanten betogen, is in paragraaf 4.2.1 wel een toelichting gegeven bij de tekeningen. Gelet op de opgenomen tekeningen van de varianten en de toelichting bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorziene afwatering onvoldoende duidelijk is.

    De Afdeling verwijst naar haar oordeel in 16.4 dat het aanvaardbaar is dat na vaststelling van het projectplan nog nader onderzoek zal plaatsvinden naar de invulling van specifieke mitigerende maatregelen en de effecten daarvan per perceel. Ook in dit geval ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat had moeten worden gemotiveerd waarom ringdrainage voor de gronden niet langer is opgenomen. Er kon worden volstaan met de algemene motivering wanneer mitigerende maatregelen worden getroffen, namelijk alleen als met het grondwatermodel effecten worden berekend en die nadelige gevolgen met mitigerende maatregelen kunnen worden voorkomen of beperkt. Als daar geen sprake van is, hoeft dat niet per geval specifiek te worden gemotiveerd.

    Het betoog slaagt niet.

Wandelpaden [appellant sub 25] en anderen

33.    [appellant sub 25] en anderen betogen dat in het projectplan onvoldoende rekening is gehouden met aanwezige wandelpaden in de omgeving, die van belang zijn voor hun bedrijfsvoering. Uit bijlage A10 blijkt dat er een pad wordt opgeheven, wat invloed kan hebben op hun bedrijfsvoering. Verder is een wandelpad nabij de Natuurpoort De Peel recent vergund. In de nota van zienswijzen projectplan staat dat het wandelpad verhoogd wordt, maar uit bijlage A10 bij het projectplan blijkt dat niet, laat staan dat tot welke hoogte ophoging plaatsvindt. Bovendien is de bereikbaarheid van de wandelpaden niet in het projectplan verzekerd. Ter plaatse van het pad ter hoogte van Leegveld 22 wordt een kade opgenomen. Uit de tekening is echter niet te herleiden in hoeverre het pad geschikt blijft in het bestaande routenetwerk van fietsen, ruiterpaden en wandelpaden. Hetzelfde geldt voor het pad ter hoogte van de Eikenlaan. Onduidelijk is of het huidige gebruik mogelijk blijft.

33.1.    In paragraaf 1.1 van het projectplan staat dat de in het gebied aanwezige recreatieve paden behouden blijven, maar dat enkele paden een iets ander tracé krijgen om te zorgen dat deze paden voldoende droog en begaanbaar blijven. In paragraaf 6.5.4 van het projectplan staat dat wandelpaden die als gevolg van de maatregelen onvoldoende droog en begaanbaar blijven worden omgeleid, bijvoorbeeld via de nieuw te realiseren kades. In bijlage A10 bij het projectplan zijn de te nemen maatregelen wat betreft recreatieve routes opgenomen. Voor het vergunde wandelpad waar [appellant sub 25] en anderen naar verwijzen stelt de Afdeling vast dat deze is opgenomen op de kaart met recreatieve routes in bijlage A10 bij het projectplan. De Afdeling stelt vast dat op die kaart dit pad niet is aangeduid als pad dat wordt omgelegd of opgeheven. Het pad blijft dus behouden. Voor het pad ter hoogte van Leegveld 22 en het pad ter hoogte van de Eikenlaan acht de Afdeling van belang dat die paden op kades liggen die volgens bijlagen A4 en A5 van het projectplan worden opgehoogd. Over de verwijzing naar een pad dat volgens bijlage A10 wel wordt opgeheven, terwijl in het projectplan staat dat de bestaande paden behouden blijven, overweegt de Afdeling het volgende. Uit bijlage A10 blijkt dat het opheffen van dit pad volgt uit het recreatieve zoneringsplan van de beheerder van het gebied. Gelet hierop is het opheffen geen gevolg van de maatregelen uit het projectplan. Naar het oordeel van de Afdeling is voldoende duidelijk waarom dit pad, anders dan andere bestaande paden, niet behouden blijft.

    Naar het oordeel van de Afdeling is gelet op het voorgaande voldoende rekening gehouden met de belangen van [appellant sub 25] en anderen. Daaraan doet de verwijzing van [appellant sub 25] en anderen naar een bestekschets waarin prikkeldraad over paden liep niet af. Daarover heeft het college namelijk toegelicht dat die schets onjuist was en dat bestaande wandelpaden behouden blijven. Er komen op sommige plekken wel hekwerken, maar daar zullen wandelaars doorheen kunnen.

    Het betoog slaagt niet.

Maaiveldhoogtes percelen [appellant sub 25] en anderen

34.    [appellant sub 25] en anderen stellen dat voor hun percelen aan [locatie 1] is uitgegaan van verkeerde maaiveldhoogtes. Volgens hen is ten onrechte gerekend met het Actueel Hoogtebestand Nederland (hierna: AHN2-bestand) met de opmerking dat eigen metingen kunnen worden ingestuurd. [appellant sub 25] en anderen hebben concreet toegelicht dat de percelen lager gelegen zijn dan het natuurgebied. Volgens hen is hierdoor gerekend met onjuiste gegevens en zal er vernatting optreden.

34.1.    In wat [appellant sub 25] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het projectplan niet had mogen goedkeuren. Het college heeft toegelicht dat het AHN2-bestand is geverifieerd met lokale opnames en algemeen gezien goed bleek te kloppen. De percelen van [appellant sub 25] en anderen zijn volgens het college niet als problematisch naar voren gekomen. De Afdeling acht het uitgangspunt om uit te gaan van het AHN2-bestand niet onredelijk en stelt vast dat [appellant sub 25] en anderen geen eigen metingen hebben ingestuurd. Verder betrekt de Afdeling dat monitoring plaatsvindt en dat, als de effecten blijken af te wijken van de te verwachten effecten, zo nodig aanvullende maatregelen worden getroffen of schade wordt vergoed.

    Het betoog slaagt niet.

Gevolgen voor [appellant sub 33] en anderen

35.    [appellant sub 33] en anderen betogen dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door in het verleden oprichting en uitbreiding van het recreatiebedrijf en de paardenhouderij ter plaatse van de [locatie 2] en [locatie 3] te Liessel te stimuleren, terwijl de voorziene maatregelen grote gevolgen hebben voor deze percelen. Als gevolg van het projectplan treedt vernatting op, terwijl al is geïnvesteerd in het eerder aangekondigde natuurdoeltype, namelijk droog schraal grasland. De gronden bieden ook minder exploitatiemogelijkheden voor recreanten en voor het houden van paarden. Ook blijkt volgens [appellant sub 33] en anderen uit nader onderzoek dat er aanvullende maatregelen nodig zijn.

35.1.    Het college heeft erkend dat als gevolg van de hydrologische maatregelen effecten optreden op de gronden van [appellant sub 33] en anderen en dat daarvoor maatregelen moeten worden getroffen. Er lopen nog steeds gesprekken om de gronden op basis van vrijwilligheid aan te kopen. Ook de mogelijkheid voor ruilkavels wordt onderzocht. Op een deel van de gronden zijn in het projectplan mitigerende maatregelen voorzien. Een ander deel van de gronden wordt zo drassig dat deze gronden niet meer geschikt zijn voor het bestaand landbouwkundig gebruik. Deze gronden zijn opgenomen in het inpassingsplangebied en zullen - als vrijwillige verwerving niet mogelijk is - worden onteigend.

    Dat uit nader onderzoek blijkt dat nadere maatregelen genomen worden en dus afwijkingen optreden van de met het grondwatermodel berekende effecten betekent, naar het oordeel van de Afdeling, niet dat het onderzoek gebrekkig is. Het college heeft namelijk ook erkend dat afwijkingen op perceelniveau kunnen optreden. Er is een monitoringsnetwerk opgezet om de effecten te verifiëren en zo nodig aanvullende maatregelen te treffen als de effecten anders zijn dan is berekend. De Afdeling heeft onder 16.4 al overwogen dat deze keuze van het college aanvaardbaar is. In dit geval worden aanvullende mitigerende maatregelen genomen, in overeenstemming met de beschrijving in het projectplan dat monitoring plaatsvindt en zo nodig aanvullende maatregelen worden getroffen. Er bestaan, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, mogelijkheden om de gevolgen te beperken of te compenseren, waarnaar onderzoek wordt gedaan en waarover onderhandelingen worden gevoerd.

    Gelet op het voorgaande zijn naar het oordeel van de Afdeling de belangen van [appellant sub 33] en anderen voldoende betrokken. Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten niet op grond van het belang van [appellant sub 33] en anderen van goedkeuring van het projectplan hoeven afzien.

    Het betoog slaagt niet.

Gevolgen voor [appellant sub 34]

36.    [appellant sub 34] betoogt dat het optreden van kwel en de effecten daarvan onvoldoende zijn betrokken in het projectplan. Dit terwijl hij in zijn zienswijze wel heeft gewezen op het optreden van kwel op het perceel dat dicht bij compartiment 10 ligt. Ten onrechte zijn maar twee boringen gedaan op zijn percelen om het bodemprofiel in beeld te krijgen, terwijl het oppervlak van zijn gronden 9 ha bedraagt. Er zouden meer boringen worden verricht, maar onduidelijk is om hoeveel boringen het gaat en wat daaruit blijkt.

36.1.    Het college heeft toegelicht dat op de gronden schade wordt verwacht. Daarom zijn op een deel van de gronden mitigerende maatregelen getroffen. Er zijn ongeveer 13 boringen uitgevoerd. Er lopen gesprekken over de specifieke mitigatie en schadeafwikkeling, aldus het college. Gelet op het voorgaande heeft het college onderzoek gedaan naar de gevolgen en heeft het college erkend dat de maatregelen nadelige gevolgen hebben. Daarmee is rekening gehouden door mitigerende maatregelen te treffen. Gelet hierop en omdat voor schade beroep kan worden gedaan op de nadeelcompensatieregeling op grond van de Waterwet ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de gevolgen van de maatregelen voor de gronden van [appellant sub 34] onvoldoende zijn betrokken.

    Het betoog slaagt niet.

Gevolgen [appellant sub 29] en anderen

37.    [appellant sub 29] en anderen betogen dat het projectplan leidt tot wateroverlast op hun percelen rond de [locatie 4] vanwege de afwatering van de Peelloop. Er wordt een compartiment aangelegd waardoor het water in de toekomst naar het noorden stroomt en afwatert via het noorden van de huiskavel. Het water van de omliggende gronden moet afstromen richting de Peelloop. Daarnaast zal de grondwaterstijging invloed hebben op de waterstand in de watergang.

37.1.    In de nota van zienswijzen projectplan staat dat de Peelloop in de toekomstige situatie wordt gestremd door compartiment 8. Daarom is in het projectplan een omleiding opgenomen van de Peelloop naar het noorden. De onderbouwing van deze omleiding is opgenomen in bijlage A16 van het projectplan. Het peil van de Peelloop ter plaatse van de percelen van [appellant sub 29] en anderen wordt gehandhaafd met een nieuw gemaal. Het peil van dit gemaal zal zodanig worden ingesteld dat de ontwatering van de percelen geborgd is en vergelijkbaar is met de huidige situatie. Voor delen van de percelen en voor de bebouwing van [appellant sub 29] en anderen is met behulp van modelonderzoek vastgesteld dat mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Deze maatregelen zijn in het projectplan opgenomen. In overleg wordt bepaald welke concrete maatregelen worden uitgevoerd, zo staat in de nota van zienswijzen projectplan.

    Gelet op het uitgevoerde onderzoek en de maatregelen die zijn beschreven ter beperking van de gevolgen bestaat geen grond voor het oordeel dat het projectplan onvoldoende is ingegaan op de gevolgen voor [appellant sub 29] en anderen. Dat de invulling van de mitigerende maatregelen nog niet vaststaat is, zoals de Afdeling onder 16.4 heeft overwogen, geen vereiste.

    Het betoog slaagt niet.

Gevolgen [appellant sub 11]

38.    [appellant sub 11] betoogt dat er ten onrechte geen drainage als mitigerende maatregel is voorzien voor het deel van de langgevelboerderij aan de [locatie 5] in Liessel, waar hij woont. Voor het andere deel van de langgevelboerderij is wél drainage voorzien.

38.1.    Het college heeft toegelicht dat de voorzieningen die worden getroffen gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor bebouwing in paragraaf 6.5.3 van het projectplan zijn beschreven. Om wateroverlast voor bebouwing te voorkomen zijn alle woonpercelen getoetst aan de in die paragraaf opgenomen uitgangspunten. Daarin staat dat ter plaatse van bebouwing zonder kelders of souterrains na uitvoering van het plan een GHG van minimaal 1 m beneden maaiveld wordt geborgd. Als de GHG in de referentiesituatie ondieper is dan 1 m beneden maaiveld, wordt na uitvoering van het plan een GHG van minimaal 70 cm beneden maaiveld geborgd of de huidige GHG gehandhaafd. In dit geval bleek de ontwatering rond de woning voldoende en bleken mitigerende maatregelen uitsluitend nodig als een kelder aanwezig is. Omdat in het deel van de langgevelboerderij van [appellant sub 11] geen kelder aanwezig is, was aanvullend onderzoek volgens het college niet nodig.

    Gelet op het voorgaande is onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de bebouwing van [appellant sub 11] en is op basis van de uitgangspunten daarvoor geconcludeerd dat mitigerende maatregelen niet nodig zijn. Hij heeft deze conclusie niet gemotiveerd betwist, anders dan met een verwijzing naar het andere deel van de langgevelboerderij. Daarover heeft het college echter toegelicht dat daar wel een kelder aanwezig is. Die verwijzing is daarom onvoldoende voor het oordeel dat ook drainage had moeten worden toegepast ten behoeve van het deel van de langgevelboerderij van [appellant sub 11].

    Het betoog slaagt niet.

Gevolgen [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 3]

39.    [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 3] betogen dat de te verwachten schade op hun percelen rondom [locatie 6] is onderschat. Door een hogere grondwaterstand in de winter zullen hun percelen later kunnen worden gebruikt, wat voor een lagere opbrengst zorgt. Omdat deze gewassen van groot belang zijn om te voorzien in veevoer, moet schade worden voorkomen door mitigerende maatregelen. Ook is niet inzichtelijk wat de gevolgen van de maatregelen zijn voor de gebouwen op hun gronden. Door niet op voorhand maatregelen te nemen, is onvoldoende rekening gehouden met hun belangen. Dat is in strijd met het eigendomsrecht, neergelegd in artikel 1 van het Eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Volgens [appellante sub 2] en [appellant sub 3] en anderen is ook de monitoring van hun percelen onvoldoende, omdat maar één peilbuis geslagen is. Dit is volgens hen niet representatief voor al hun percelen.

39.1.    In de nota van zienswijzen projectplan staat dat uit de uitgevoerde analyses is gebleken dat de percelen rondom [locatie 6] geen natschade zullen ondervinden waarvoor mitigerende maatregelen moeten worden getroffen. Tijdens de nazorgperiode van 5 jaar, de periode na aanleg van de voorzieningen, vindt er proactief monitoring van de grond- en oppervlaktewaterstanden plaats. Er wordt bekeken of het, op basis van de monitoringsgegevens of signalen van eigenaren, nodig is om aanvullende maatregelen te treffen om de schade te voorkomen.

    De Afdeling heeft hiervoor onder 17 al geoordeeld dat van het grondwatermodel kon worden uitgegaan. Zij ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de schade is onderschat vanwege het gebruikte model. Dat het monitoringsnetwerk voor de percelen van [appellante sub 2] en [appellant sub 3] niet representatief zou zijn, volgt de Afdeling niet. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de nota van zienswijzen projectplan staat dat de effecten op de overige en tussenliggende percelen te bepalen zijn op basis van de interpolatie tussen peilbuizen. [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 3] hebben dit niet gemotiveerd betwist. Het college heeft ter zitting nader toegelicht dat het onderzoeksbureau dat de monitoring op basis van de peilbuizen verzorgt opnieuw heeft onderzocht of het monitoringsnetwerk voldoende is. Uit dat onderzoek volgt dat dit het geval is, aldus het college.

    Gezien het voorgaande worden geen nadelige gevolgen verwacht de percelen rondom [locatie 6], zodat geen maatregelen hoeven te worden getroffen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat door het niet opnemen van mitigerende maatregelen onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Als toch gevolgen optreden, worden alsnog aanvullende maatregelen getroffen of schade vergoed. Bovendien is daarnaast voorzien in een nadeelcompensatieregeling. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de belangen van [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 3] niet op voldoende evenwichtige wijze heeft afgewogen bij de besluitvorming. Onder deze omstandigheden bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat als gevolg van het besluit het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM beschermde eigendomsrecht is geschonden.

    Het betoog slaagt niet.

Gevolgen [appellanten sub 19]

40.    [appellanten sub 19] wonen aan de [locatie 7]. Zij betogen dat in het projectplan onvoldoende is gemotiveerd waarom op een deel van hun gronden wel, en op een ander deel geen mitigerende maatregelen worden getroffen, terwijl de maaiveldhoogte gelijk is. Volgens hen houdt de kleilaag van de kades de onderwaterstroom niet tegen, wat leidt tot meer wateroverlast op hun landbouwpercelen. Ook in het deel van de Peel dat in de provincie Limburg ligt is hetzelfde gebeurd. Dat leidde tot schade voor de landbouw.

40.1.    De Afdeling stelt op basis van de maatregelenkaart vast dat voor de gronden waarop de bebouwing staat mitigerende maatregelen worden getroffen, maar niet voor de daaromheen liggende landbouwpercelen. Daarover is in de nota van zienswijzen projectplan opgenomen dat er op de percelen schade is berekend. Omdat deze percelen liggen binnen het Natuurnetwerk Brabant zullen op deze percelen geen mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Er zal worden onderzocht wat de invloed is van de maatregelen op het bedrijf. Schade zal op basis van de nadeelcompensatieregeling van het waterschap worden afgekocht, zo staat in de nota van zienswijzen projectplan. Gelet hierop is erkend dat er nadelige gevolgen optreden, maar is gemotiveerd dat gelet op de ligging in Natuurnetwerk Brabant geen mitigerende maatregelen worden getroffen. Wel zal de schade worden vergoed.

    De Afdeling acht met deze motivering voldoende omschreven welke nadelige gevolgen in zoverre kunnen optreden en welke voorzieningen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken.

    Het betoog slaagt niet.

Gevolgen voor [appellanten sub 18]

41.    [appellanten sub 18] stellen dat het uitgevoerde onderzoek naar de gevolgen voor hun perceel onvoldoende is geweest. Uit nader onderzoek op perceelniveau dat is uitgevoerd in opdracht van het waterschap blijkt dat het kantoor op het perceel van appellanten niet eerder is opgemerkt en dat mitigerende maatregelen nodig zijn. Ook is een peilbuis geplaatst, en uit de resultaten daarvan blijkt dat het waterpeil bij de peilopzet zoals voorzien in het projectplan zal leiden tot een verhoging die niet is onderkend. Er is inmiddels geconstateerd dat mogelijk ook rondom de bedrijfswoning mitigerende maatregelen getroffen moeten worden.

41.1.    Zoals de Afdeling onder 35.1 heeft overwogen, betekent de omstandigheid dat er afwijkingen optreden van de met het grondwatermodel berekende effecten niet dat het onderzoek gebrekkig is. Het college heeft namelijk ook erkend dat afwijkingen op perceelniveau kunnen optreden. Er is een monitoringsnetwerk opgezet om de effecten te verifiëren en zo nodig aanvullende maatregelen te treffen als de effecten anders zijn dan is berekend. De Afdeling heeft onder 16.4 al overwogen dat deze keuze van het college aanvaardbaar is. In dit geval worden aanvullende mitigerende maatregelen genomen, in overeenstemming met de beschrijving in het projectplan dat monitoring plaatsvindt, nadelige gevolgen voor bebouwing worden voorkomen en zo nodig aanvullende maatregelen worden getroffen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het projectplan niet kon goedkeuren.

    Het betoog slaagt niet.

Gevolgen voor [appellant sub 23] en anderen

42.    [appellant sub 23] en anderen wonen aan de [locatie 8] te Helenaveen. Volgens hen is ten onrechte geen rekening gehouden met een gliedelaag, een slechtdoorlatende laag in de bodem, die op zijn gronden aanwezig is. Als gevolg van de maatregelen zullen volgens hen meer kwelwaterstromingen plaatsvinden richting zijn woning en op zijn landbouwgronden. Ten onrechte ontbreekt nader onderzoek naar de bodem. Ook zijn ten onrechte geen mitigerende maatregelen voorzien voor de landbouwgronden en is niet duidelijk welke mitigerende maatregelen worden voorzien voor de woonkavel.

42.1.    In de nota van zienswijzen projectplan is opgenomen dat afwatering van de percelen via de perceelsloten richting de leggerwaterloop moet geschieden. Zolang er verbinding is van de perceelsloten naar de leggerwaterloop is er een deugdelijke afwatering. Dat de huidige situatie niet optimaal is, is geen gevolg van de peilverhoging. Verder staat daar dat de aanwezige gliedelaag lokaal mogelijk zorgt voor stagnerend neerslagwater en de doorwerking van de effecten van peilverhoging in De Peel naar de omgeving beperkt. Het model berekent een stijging, maar niet zodanig dat dit leidt tot meer dan 5% vernattingsschade. Daarom zijn geen mitigerende maatregelen getroffen voor de landbouwpercelen.

    De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat voor [appellant sub 23] en anderen de nadelige gevolgen en de mogelijkheden om die te voorkomen of te beperken onvoldoende zijn betrokken. Er is onderzoek gedaan waarbij ook de gliedelaag ter plaatse is betrokken. Dat de bodemsamenstelling niet nader is onderzocht is, zoals de Afdeling onder 16.2 al heeft overwogen, niet vereist. Verder bestaat geen grond voor het oordeel dat mitigerende maatregelen voor de landbouwpercelen hadden moeten worden getroffen. De Afdeling heeft onder 30.2 al overwogen dat de keuze om bij vernattingsschade van minder 5% geen mitigerende maatregelen te treffen niet onredelijk is. Verder betrekt de Afdeling dat in overleg met [appellant sub 23] en anderen een aanvullende peilbuis is geplaatst om de effecten te kunnen monitoren. In het projectplan is opgenomen dat op basis van de monitoring, als de effecten anders zijn dan is berekend, alsnog aanvullende maatregelen worden genomen. Dat de specifieke invulling van de mitigerende maatregel voor de woonkavel nog niet bekend is, is zoals onder 16.4 is overwogen, niet vereist.

    Het betoog slaagt niet.

Gevolgen voor [appellant sub 1]

43.    [appellant sub 1] betoogt dat onvoldoende rekening wordt gehouden met zijn paardenhouderij. Op de gronden ten noorden van de Wilgenroosweg staat zijn woning en bedrijfsbebouwing van zijn varkenshouderij en paardenhouderij. De gronden ten zuiden van de Wilgenroosweg worden nu gebruikt als weide voor de paarden, maar zullen als gevolg van de maatregelen niet langer kunnen worden gebruikt. Dat betekent dat andere gronden gezocht moeten worden voor de paarden, terwijl er wel een vergunning is voor 35 paarden. Bovendien komt er nog een volgend project, een tweede fase, waarin ook zijn gronden aan de Vuurlinie onderwerp van bestemmingswijziging zijn. Deze belangen zijn onvoldoende betrokken, zo stelt [appellant sub 1].

43.1.    Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen grond voor het oordeel dat de belangen van [appellant sub 1] onvoldoende zijn betrokken bij de maatregelen als voorzien in het projectplan. Daarover overweegt de Afdeling dat het college heeft erkend dat [appellant sub 1] een vergunning heeft voor het houden van 35 paarden en dat de gronden ten zuiden van de Wilgenroosweg daarvoor niet meer gebruikt kunnen worden. De Afdeling stelt vast dat dit belang erkend is en dat daarmee rekening is gehouden. In dat kader is een ruilkavel aangeboden.

    Voor de gronden aan de Vuurlinie overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft toegelicht dat nog niet duidelijk is of de zogenoemde tweede fase gevolgen heeft voor [appellant sub 1] en welke dat zouden zijn. Volgens het college is nog onduidelijk welke maatregelen daar getroffen worden, of dat hydrologische maatregelen zullen zijn en of agrarisch gebruik op die gronden niet langer mogelijk zal zijn. Gelet hierop is nog niet duidelijk of de tweede fase effect heeft op de bedrijfsvoering van [appellant sub 1]. Het college hoefde gelet op het voorgaande de gronden aan de Vuurlinie niet te betrekken.

    Het betoog slaagt niet.

Schaderegeling

44.    Een aantal appellanten betoogt dat de schaderegeling die volgt uit het projectplan onvoldoende is. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 33] en anderen is ten onrechte niet voorzien in volledige schadeloosstelling. [appellant sub 4] en Dorpsraad Griendtsveen betogen dat de schaderegeling in strijd is met het Landinrichtingsplan. [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 3] betogen dat niet vaststaat dat natschade financieel wordt gecompenseerd, gelet op eerdere ervaringen bij het waterschap na schade in 2016.

    Volgens een aantal appellanten kan het causaal verband tussen de maatregelen en geleden schade moeilijk worden aangetoond, omdat de voorziene bouwopnames onvoldoende zijn. Volgens hen hadden meer maatregelen moeten worden getroffen, zoals de Afdeling beschrijft in de uitspraak van 3 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3225). Dorpsraad Griendtsveen wijst in dat verband op de peilverhoging die op korte termijn in de Mariapeel, het Limburgse gedeelte van het Peelgebied, zal plaatsvinden.

44.1.    De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet inzichtelijk dient te zijn welke mogelijkheden er zijn om een financiële vergoeding te krijgen voor schade die niet kan worden voorkomen. Gelet hierop is niet vereist dat wordt voorzien in volledige schadeloosstelling of dat de schaderegeling uit het Landinrichtingsplan wordt overgenomen.

44.2.    De Afdeling stelt vast dat in paragraaf 6.5.1 van het projectplan staat hoe wordt omgegaan met schade. Het uitgangspunt is dat schade voorkomen wordt. Als nadelige effecten optreden, wordt voorzien in technische maatregelen om die effecten te mitigeren. Als de mitigerende, technische maatregelen onvoldoende effectief blijken omdat vernattingsschade technisch niet of slechts deels oplosbaar blijkt, dan wordt overgegaan tot het vergoeden van de resterende schade. Voor het bepalen van de hoogte van een dergelijke schade wordt een onafhankelijke deskundige ingeschakeld. Het college heeft toegelicht dat de vijf jaar na het opleveren van het werk en instellen van streefpeilen een nazorgperiode vormen waarin het waterschap actief monitort. Als dan blijkt dat er na uitvoering toch extra vernatting optreedt die schade veroorzaakt of in de toekomst kan veroorzaken kunnen er in overleg aanvullende mitigerende maatregelen genomen worden. Als dat niet mogelijk is dan volgt schadevergoeding. Tijdens deze nazorgperiode wordt uitgegaan van volledige schadeloosstelling, aldus het college. In het geval dat na de uitvoering van het projectplan schade blijkt te zijn ontstaan die tijdens de planuitwerking niet onderkend is, kan een verzoek om vergoeding van schade worden ingediend op basis van de nadeelcompensatieregeling van artikel 7.14 van de Waterwet. Dit verzoek moet worden ingediend bij het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas, dat het verzoek behandelt met inachtneming van de Verordening schadevergoeding 2015 Waterschap Aa en Maas, zo staat in het projectplan.

    Naar het oordeel van de Afdeling is gelet op de hiervoor beschreven paragraaf voldoende inzichtelijk gemaakt welke mogelijkheden er zijn om een financiële vergoeding te krijgen voor schade die niet kan worden voorkomen. De Afdeling volgt de stelling niet dat de nadeelcompensatieregeling in de Waterwet tot gevolg heeft dat volledige schadeloosstelling niet mogelijk is, terwijl het college wel heeft beoogd om hier tijdens de nazorgperiode vanuit te gaan. De Waterwet sluit volledige schadeloosstelling niet uit (uitspraak van 19 juni 2013 onder 4 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3668)). In het projectplan is in aanvulling op de verwijzing naar de nadeelcompensatieregeling beschreven dat tijdens de nazorgperiode van 5 jaar wordt uitgegaan van volledige schadeloosstelling. Dit is ter zitting ook bevestigd.

    Het betoog slaagt niet.

44.3.    Over het betoog dat het causaal verband tussen de maatregelen en geleden schade moeilijk kan worden aangetoond vanwege gebrekkige bouwopnames overweegt de Afdeling als volgt.

    In de nota van zienswijzen projectplan staat dat van de huizen in het gebied waar een grondwaterstijging wordt verwacht alsmede huizen in een zone hier aangrenzend, een inventarisatie wordt gemaakt voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. In hoofdstuk 3 van het "Monitoringsplan Leegveld" van 22 december 2017, dat als bijlage A12 bij het projectplan is gevoegd, is de monitoring van bebouwing nader toegelicht. Daarin staat dat deze bouwkundige opnames plaatsvinden vlak voor de realisatie van de maatregelen, om een zo zuiver mogelijk verband te kunnen leggen met het project. Het college heeft nader toegelicht dat de bouwopnames worden uitgevoerd door een deskundig bureau, dat langs alle gebouwen in en rond het gebied gaat waar grondwaterstijging wordt verwacht en zowel de binnen- als de buitenkant, de kelder en de kruipruimte bekijkt en de staat met foto's vastlegt. Deze bouwopnames vinden plaats overeenkomstig de NIVRE-norm en KOMO-beoordelingsrichtlijn BRL5024, aldus het college.

    De betreffende appellanten hebben niet gemotiveerd bestreden waarom de bouwopnames onvoldoende zijn, ondanks de hierboven beschreven maatregelen door middel van een inventarisatie en bouwkundige opname vlak voor realisatie van de maatregelen. Dat de bouwopnames afwijken van de in de uitspraak van 3 oktober 2018 beschreven bouwopnames, betekent niet dat deze alleen al daarom gebrekkig zouden zijn. Het college heeft over de daar gebruikte methode van meetboutjes toegelicht dat het plaatsen van meetboutjes vooral bij grondwaterverlagingen wordt toegepast, maar dat in een geval als dit de hier gekozen methode van een uitgebreide opname met fotomateriaal het meest geschikt is. De Afdeling ziet gelet op het monitoringsplan en de toelichting van het college geen grond voor het oordeel dat de bouwopnames onvoldoende zijn.

    Het betoog slaagt niet.

Ophoging van gronden als mitigerende maatregel

45.    Volgens een aantal appellanten is de als mitigerende maatregel opgenomen ophoging van gronden niet uitvoerbaar. Er is uitgegaan van ophoging met zand afkomstig uit het projectgebied, maar inmiddels is duidelijk dat er een tekort bestaat van 100.000 m3 aan zand. Onduidelijk is hoe het tekort zal worden opgelost.

45.1.    Het college heeft toegelicht dat het de voorkeur heeft om zand voor de ophoging van gronden uit het projectplangebied zelf te halen, maar dat het zo nodig kan worden aangevuld met zand van daarbuiten. De Afdeling ziet gelet hierop geen grond voor het oordeel dat ophoging van gronden niet uitvoerbaar zou zijn.

    Het betoog slaagt niet.

Inpassingsplan

Algemeen

46.    Zoals in 2 al is beschreven, ziet het inpassingsplan op een klein aantal percelen uit het projectplangebied. De Afdeling stelt vast dat het inpassingsplan aan die percelen de bestemming "Natuur" toekent of - aan een klein deel - de bestemming "Water". Het inpassingsplan voorziet zelf niet in hydrologische maatregelen, maar maakt deze wel mogelijk op de gronden binnen het inpassingsplangebied.

    De Afdeling gaat er bij de beoordeling vanuit dat provinciale staten zich konden baseren op het projectplan.

Zekerheid uitvoering maatregelen uit projectplan

47.    Een aantal appellanten betoogt dat in het inpassingsplan onvoldoende is verzekerd dat de hydrologische maatregelen als voorzien in het projectplan worden uitgevoerd. Volgens hen is de verwijzing naar het projectplan in de planregels onvoldoende. Op grond van artikel 3.1, onder b, van de planregels zijn de gronden waaraan in het inpassingsplan de bestemming "Natuur" is toegekend wel bestemd voor hydrologische herstelmaatregelen, maar daaruit blijkt niet dat hier de maatregelen uit het projectplan worden bedoeld.

    Ook is volgens deze appellanten ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting opgenomen binnen de bestemming "Natuur" die verzekert dat de maatregelen worden getroffen in overeenstemming met het projectplan.

47.1.    Artikel 3.1, luidt:

"De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

b. hydrologische herstelmaatregelen in het kader van het Projectplan Waterwet ten behoeve van het behoud, herstel en ontwikkeling van het hoogveengebied in het nabijgelegen natura 2000 gebied De Deurnsche Peel;

[…]"

    De in artikel 1.20, van de planregels opgenomen definitie van "Projectplan Waterwet" luidt: "Projectplan in de zin van artikel 5.4. lid 1 Waterwet, zijnde het Definitief Projectplan Waterwet Leegveld, inhoudende de Inrichtingsmaatregelen Leegveld, Liesselse Peel en Deurnsche Peel, vastgesteld op 19 november 2018 door het Waterschap Aa en Maas."

47.2.    De Afdeling stelt vast dat artikel 3.1, onder b, van de planregels de gronden bestemt voor hydrologische herstelmaatregelen in het kader van het Projectplan Waterwet. In artikel 1.20, van de planregels is een definitie van het "Projectplan Waterwet" opgenomen, die verwijst naar de titel en de vaststellingsdatum van het projectplan. Het projectplan is ook als bijlage bij de plantoelichting opgenomen. Omdat in de planregels naar het projectplan wordt verwezen en uit de definitiebepaling de titel en de vaststellingsdatum van het projectplan blijkt, is naar het oordeel van de Afdeling de verwijzing in de planregels naar de hydrologische maatregelen uit het projectplan voldoende duidelijk.

    De Afdeling volgt de appellanten ook niet in hun betoog dat er een voorwaardelijke verplichting in het inpassingsplan had moeten worden opgenomen binnen de bestemming "Natuur" voor de maatregelen als voorzien in het projectplan. De hydrologische maatregelen vinden in dit geval hun grondslag in het projectplan op grond van de Waterwet. Door het vaststellen van het projectplan is naar het oordeel van de Afdeling uitvoering van de hydrologische maatregelen voldoende gewaarborgd in het publiekrechtelijke spoor.

    Het betoog slaagt niet.

Bestemmen voor agrarisch grondgebruik

48.    [appellanten sub 18] en [appellant sub 27] en anderen betogen dat het inpassingsplan ten onrechte agrarisch medegebruik niet langer toestaat op gronden die in het inpassingsplan de bestemming "Natuur" hebben gekregen. Ter zitting hebben zij toegelicht dat hun betoog over de verwerving van gronden zo begrepen moet worden, dat zij wensen dat agrarisch gebruik op die gronden mogelijk blijft.

48.1.    Provinciale staten hebben toegelicht dat de percelen die de bestemming "Natuur" hebben gekregen als gevolg van de hydrologische maatregelen zodanig vernatten, dat die niet meer geschikt zijn voor agrarisch gebruik. Daarom zijn die percelen niet langer bestemd voor agrarisch medegebruik. Gelet op deze motivering hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen afzien van het bestemmen van de gronden voor agrarisch medegebruik.

    Het betoog slaagt niet.

Beroep [appellant sub 1] tegen inpassingsplan

49.    [appellant sub 1] heeft ter zitting de beroepsgrond dat provinciale staten ten onrechte niet hebben gewacht met de vaststelling van het inpassingsplan totdat de Afdeling een oordeel heeft gegeven over de juridische houdbaarheid van de Programmatische Aanpak Stikstof, ingetrokken.

50.    [appellant sub 1] betoogt dat aan een gedeelte van zijn gronden aan de Wilgenroosweg 1 ten onrechte de aanduiding "waterberging" is toegekend. In paragraaf 7.3 van de plantoelichting is opgenomen dat de gronden ter plaatse van die aanduiding worden ingezet als buffergebied, maar niet is onderbouwd waarom juist deze gronden daarvoor moeten worden gebruikt.

50.1.    Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de als "Natuur" bestemde gronden waaraan ook de aanduiding "waterberging" is toegekend overeenkomstig het Projectplan Waterwet, tevens bestemd voor het vasthouden, bergen en vervolgens vertraagd afvoeren van (hemel)water in perioden van hevige neerslag.

    In de plantoelichting staat dat het projectplangebied is opgedeeld in 33 afzonderlijke compartimenten. Door deze compartimentering wordt het mogelijk het waterpeil en de grondwaterstanden op te zetten en te stabiliseren, ten gunste van de kwaliteit van het herstellend hoogveen en de ontwikkeling van nieuwe arealen actief hoogveen. De diverse compartimenten hebben verschillende functies. De bufferfunctie is ingebouwd om ervoor te zorgen dat bij grote hoeveelheden neerslag het water tijdelijk kan worden vastgehouden. Hiermee wordt voorkomen dat bij hevige neerslag het watersysteem van het omliggende gebied nog eens extra zwaar belast wordt met regenwater vanuit de natuurgebieden. Gelet hierop is toekenning van de aanduiding waarmee dat deel van de gronden van [appellant sub 1] is bestemd als waterbuffer onderbouwd aan de hand van de compartimentering die is neergelegd in het projectplan. Provinciale staten hebben naar het oordeel van de Afdeling onder verwijzing naar de compartimentering uit het projectplan in redelijkheid deze gronden kunnen bestemmen voor waterberging.

    Het betoog slaagt niet.

51.    [appellant sub 1] betoogt dat aan de gronden ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend. Volgens hem hebben de gronden in de voorgaande bestemmingsplannen nooit een bestemming voor archeologie gekend. Er wordt verwezen naar een archeologische cultuurhistorische quickscan en een nader bureauonderzoek van adviesbureau RAAP. Niet gemotiveerd is echter waarom in tegenstelling tot de voorheen geldende bestemmingsplannen nu opeens wél archeologische verwachting bestaat.

51.1.    Provinciale staten hebben toegelicht dat de dubbelbestemming is toegekend op basis van een archeologische verwachtings- en advieskaart die in paragraaf 6.4 van de plantoelichting staat. Deze kaart is opgesteld voor het hele projectgebied Leegveld, waaronder het plangebied. In deze paragraaf staat verder dat de kaart is gebaseerd op basis van archeologisch onderzoek door bureau RAAP in de vorm van een archeologische cultuurhistorische quickscan in april 2017 en een nader bureauonderzoek in maart 2018. Omdat de gronden van [appellant sub 1] op deze kaart deels een hoge archeologische verwachting hebben, is ter bescherming daarvan een dubbelbestemming opgenomen.

    Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten met het voorgaande voldoende onderbouwd waarom de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend aan een deel van de gronden van [appellant sub 1]. Dat in het voorheen geldende bestemmingsplan geen dubbelbestemming voor archeologie was opgenomen, maakt dat niet anders. Voor het projectgebied Leegveld heeft opnieuw onderzoek plaatsgevonden. Dat heeft geleid tot een archeologische verwachtings- en advieskaart waarop onder meer een deel van de gronden van [appellant sub 1] een hoge archeologische verwachting hebben. [appellant sub 1] heeft de conclusies van het onderzoek niet betwist. Provinciale staten hebben zich gelet hierop kunnen baseren op de resultaten van het verrichte onderzoek.

    Het betoog slaagt niet.

52.    [appellant sub 1] betoogt dat een deel van zijn gronden ten onrechte is opgenomen in het inpassingsplan en een natuurbestemming heeft gekregen. Deze grond gebruikt hij nu voor zijn paarden, maar de natuurbestemming maakt dat niet meer mogelijk. Als gevolg van de hydrologische maatregelen is de grond daarvoor ook niet langer bruikbaar. Volgens [appellant sub 1] ontbreekt de benodigde belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

52.1.    De Afdeling overweegt dat provinciale staten hebben toegelicht waarom in het inpassingsplan aan bepaalde gronden een natuurbestemming is toegekend. De methodiek die hiervoor is gehanteerd is opgenomen in de notitie "Toelichting van de urgentie, nut en noodzaak voor "verwerving" t.b.v. PAS-Natura2000 gebied Deurnsche Peel & Mariapeel Deelgebieden Deurnsche Peel, Liesselse Peel en Leegveld", die als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd (hierna: notitie Toelichting verwerving gronden). Wanneer als gevolg van teveel natschade het huidige grondgebruik of het regulier landbouwkundig grondgebruik niet meer mogelijk is, zijn deze gronden opgenomen in het inpassingsplan, zo staat in de notitie. Als op basis van de selectiecriteria slechts een gedeelte van een perceel hydrologisch noodzakelijk is voor het gewenste natuurherstel en de hieruit voortkomende splitsing van het betreffende perceel mogelijk en realistisch wordt geacht is dat als zodanig op de verbeelding van het inpassingsplan opgenomen, aldus provinciale staten.

    De Afdeling acht de methodiek zoals opgenomen in de notitie Toelichting verwerving gronden op zichzelf niet onredelijk. Ook het uitgangspunt van provinciale staten om alleen de gronden die benodigd zijn voor de uitvoering van het projectplan op te nemen in het inpassingsplan acht de Afdeling niet onredelijk.

    Het voorgaande doet echter niet af aan de verplichting van provinciale staten om te beoordelen of de gevolgen van het inpassingsplan in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening, met name als maar een deel van een perceel in het inpassingsplan wordt opgenomen.

52.2.    De Afdeling heeft hiervoor onder 43.1 al geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de belangen van [appellant sub 1] onvoldoende zijn betrokken bij de vaststelling van het projectplan.

    De Afdeling ziet ook geen grond voor het oordeel dat de belangen van [appellant sub 1] bij de vaststelling van het inpassingsplan onvoldoende zijn betrokken. Alleen de gronden van [appellant sub 1] ten zuiden van de Wilgenroosweg zijn in het inpassingsplan opgenomen. Weliswaar is grond die nu wordt gebruikt voor paarden niet langer beschikbaar voor zijn bedrijf, maar dat gevolg is betrokken in de afweging en daarvoor is een ruilkavel aangeboden. Dat betekent dat de gronden ten noorden van de Wilgenroosweg, waar hij woont en waar de bebouwing staat voor de varkenshouderij en paardenhouderij, beschikbaar blijven voor de uitoefening van zijn agrarische activiteiten. Gelet hierop kan de agrarische bedrijfsvoering worden voortgezet.

    Het betoog slaagt niet.

Beroep [appellanten sub 18] tegen bestemming gronden in inpassingsplan

53.    [appellanten sub 18] betogen dat ten onrechte alleen hun onbebouwde gronden aan Leegveld 7 in het inpassingsplan zijn opgenomen en het deel van de gronden waar hun bedrijfsbebouwing op staat niet. Omdat de gronden die horen bij de agrarische bebouwing niet langer gebruikt kunnen worden voor agrarische doeleinden, is het niet meer mogelijk om ter plaatse een grondgebonden agrarisch bedrijf uit te oefenen. Dit terwijl het deel van de gronden waar de bedrijfsbebouwing staat wel voor een grondgebonden agrarisch bedrijf is bestemd. Omschakeling naar een woonbestemming is niet mogelijk vanwege de agrarische bedrijven in de omgeving.

53.1.    De Afdeling stelt vast dat het inpassingsplan het overgrote deel van de onbebouwde gronden van [appellanten sub 18] bestemt als "Natuur", waardoor agrarisch medegebruik niet is toegestaan. Het overige deel van de gronden, grotendeels de gronden waar de bebouwing op staat, ligt buiten het inpassingsplangebied. Aan het deel waar de bebouwing staat is in het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied" de bestemming "Agrarisch met waarden" en een bouwvlak met onder meer de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - overige veehouderij" toegekend. Gelet hierop is ter plaatse op grond van artikel 4.1, onder a, gelezen in samenhang met de definitiebepalingen zoals opgenomen in artikel 1.11, van de planregels geen intensieve veehouderij toegestaan, maar alleen een veehouderij met een bedrijfsvoering die niet geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt.

53.2.    De Afdeling heeft onder 52.1 al overwogen dat de omstandigheid dat alleen een deel van een perceel of percelen nodig is voor het projectplan, niet afdoet aan de verplichting van provinciale staten om te beoordelen of de gevolgen van het inpassingsplan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zijn.

    Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten in dit geval onvoldoende gemotiveerd waarom het bouwvlak en een klein noordelijk deel bestemd blijven voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, terwijl de bij het bedrijf behorende agrarische gronden niet langer voor agrarische doeleinden kunnen worden gebruikt. Provinciale staten hebben bijvoorbeeld niet kunnen aangeven welke alternatieve agrarische gebruiksmogelijkheden er zijn voor de resterende gronden. Ook hebben zij niet betwist dat vanwege omliggende agrarische bedrijven een woonbestemming niet mogelijk is.

    Gelet op het voorgaande is niet deugdelijk gemotiveerd dat de gevolgen van het inpassingsplan voor de gronden van [appellanten sub 18] in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog slaagt.

Beroep [appellant sub 33] en anderen tegen inpassingsplan

54.    [appellant sub 33] en anderen betogen dat provinciale staten met het opnemen van een deel van hun gronden in het inpassingsplan onvoldoende rekening hebben gehouden met hun bedrijfsbelangen, namelijk die van het recreatiebedrijf en de paardenhouderij aan de [locatie 2]/[locatie 9].

54.1.    Provinciale staten hebben toegelicht dat aan de hand van de in de notitie Toelichting verwerving gronden opgenomen criteria is besloten om een deel van de lager gelegen gronden op te nemen in het inpassingsplan. De Afdeling heeft deze methodiek onder 52.1 op zichzelf niet onredelijk geacht, maar heeft wel overwogen dat dit niet afdoet aan de verplichting van provinciale staten om te beoordelen of de gevolgen van het inpassingsplan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zijn.

    In dat verband overweegt de Afdeling dat onder 35.1 al is overwogen dat op het resterende deel van de gronden mitigerende maatregelen worden getroffen. Verder worden er gesprekken gevoerd over vrijwillige verwerving van de gronden en wordt gesproken over ruilkavels. Wat betreft het projectplan heeft de Afdeling overwogen dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 33] en anderen. Gezien het voorgaande geldt naar het oordeel van de Afdeling ook voor het inpassingsplan dat provinciale staten bij de vaststelling daarvan de belangen van [appellant sub 33] en anderen voldoende hebben betrokken. Provinciale staten hebben de gevolgen van het plan, gelet op de mitigerende maatregelen voor de percelen buiten het plangebied, in redelijkheid in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten.

    Het betoog slaagt niet.

Cultuurhistorische waarden

55.    Een aantal appellanten betoogt dat in het inpassingsplan onvoldoende rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden die als gevolg van de voorgenomen maatregelen verloren gaan. Uit paragraaf 11.7 van de MER blijkt dat mitigerende maatregelen niet afdoen aan de conclusie dat het effect op landschappelijke en cultuurhistorische structuren licht negatief scoort.

55.1.    Deze appellanten hebben desgevraagd ter zitting bevestigd dat hun beroep wat betreft cultuurhistorische waarden is gericht tegen het inpassingsplan. In paragraaf 6.4 van de plantoelichting van het inpassingsplan staat dat wat betreft cultuurhistorische waarden in maart 2018 een bureauonderzoek is verricht door bureau RAAP. Hieruit is geconcludeerd dat met de voorgenomen mitigerende maatregelen en aanvullende optimalisatiemaatregelen geen negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden binnen dit plangebied te verwachten zijn. Gelet hierop zijn de gevolgen voor de cultuurhistorische waarden onderzocht en is daar rekening mee gehouden. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat in het inpassingsplan onvoldoende rekening is gehouden met cultuurhistorische waarden.

    Het betoog slaagt niet.

Bodem

56.    Een aantal appellanten betoogt dat in het inpassingsplan ten onrechte is geconcludeerd dat er geen veranderingen zullen plaatsvinden in de bodem door het verhogen van het grondwater. In dat verband wijzen zij op de aanwezige voormalige vuilstorten in de directe omgeving.

56.1.    De Afdeling overweegt dat het inpassingsplan niet voorziet in hydrologische maatregelen en dat de voormalige vuilstorten buiten het plangebied liggen. Over de voormalige vuilstorten is in het rapport voormalige stortplaatsen geconcludeerd dat de voorgestelde maatregelen in het kader van het projectplan niet leiden tot verandering in de bodem of verslechtering van de kwaliteit van grondwater en dat er geen saneringsmaatregelen van de vuilstortlocaties met spoed getroffen behoeven worden. De Afdeling heeft over de voormalige vuilstorten hoek Leegveld/Eikenlaan en Eikenlaan geoordeeld dat, gelet op het onderzoek, geen grond bestaat voor het oordeel dat de gevolgen van de maatregelen uit het projectplan onvoldoende zijn onderzocht.

    Het betoog slaagt niet.

56.2.    Voor de voormalige vuilstort Leegveld geldt dat de Afdeling in 19.4 heeft overwogen dat het college onder verwijzing naar het uitgevoerde onderzoek in redelijkheid zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat als er voorzieningen worden getroffen zodat de verhoging van de grondwaterstand onder de vuilstort beperkt blijft tot maximaal 5 cm nadelige gevolgen kunnen worden voorkomen. De Afdeling heeft echter geoordeeld dat niet verzekerd is dat de verhoging van de grondwaterstand onder de vuilstort beperkt blijft tot maximaal 5 cm.

56.3.    De Afdeling zal daarom in de einduitspraak concluderen of er gezien het hiervoor omschreven geconstateerde gebrek grond bestaat voor het oordeel dat ten onrechte is geconcludeerd dat geen veranderingen zullen plaatsvinden in de bodem door het verhogen van het grondwater.

Financieel-economische uitvoerbaarheid

57.    Volgens een aantal appellanten is de financieel-economische uitvoerbaarheid van het projectplan en inpassingsplan niet duidelijk. De onderzoeken die zijn verricht zijn van beperkte omvang, zodat niet alle mogelijke schade is ondervangen. Met name als gevolg van de voormalige vuilstorten zijn ten onrechte niet de maatregelen betrokken die op de lange termijn nodig zijn. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de kosten voor verwerving van gronden door onteigening en vergoeding van planschade.

57.1.    In paragraaf 8.4 van de plantoelichting staat dat bij de raming van de kosten voor dit plan niet alleen rekening is gehouden met de realisatie van het inpassingsplan, maar ook met de kosten van maatregelen in het kader van archeologie, grondverwerving, het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen en de eventuele financiële consequenties van bijvoorbeeld planschade. Geconcludeerd is dat uit de beschikbare budgetten het bereik van het project zoals dat in dit inpassingsplan ruimtelijk is gedefinieerd kan worden uitgevoerd. Verder hebben provinciale staten toegelicht dat er een bestuursovereenkomst is afgesloten tussen de provincie en het waterschap, waarin afspraken zijn gemaakt over de financiële dekking van het project. De appellanten die dit betogen hebben dit niet gemotiveerd betwist.

57.2.    De Afdeling zal in de einduitspraak concluderen of, gezien het geconstateerde gebrek wat betreft de voormalige vuilstort Leegveld, er grond bestaat voor het oordeel dat de uitvoerbaarheid, waaronder het financieel-economische aspect, onvoldoende zeker is.

Eindconclusies besluiten

Goedkeuringsbesluit

58.    Het beroep van [appellant sub 7] tegen het goedkeuringsbesluit is niet-ontvankelijk.

59.    Gelet op overweging 19.4 is het goedkeuringsbesluit genomen in strijd met artikel 3:46, van de Awb.

59.1.    Wat betreft de beroepen van [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 8] en anderen, [appellant sub 9] en anderen, [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellanten sub 13], [appellant sub 14] en anderen, [appellanten sub 15], [appellante sub 16] en anderen, [appellante sub 17] en anderen, [appellanten sub 18], [appellanten sub 19], [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B], [appellant sub 21] en anderen, [appellant sub 22], [appellant sub 24], [appellant sub 25] en anderen, [appellant sub 26] en anderen, [appellant sub 27] en anderen, [appellant sub 28], [appellant sub 29] en anderen, [appellante sub 31], [appellant sub 32] en [appellant sub 33] en anderen zal de Afdeling met het oog op een spoedige beslechting van het geschil het college op grond van artikel 8:51d van de Awb opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak het gebrek genoemd onder 19.4 in het bestreden besluit te herstellen. Het college dient daartoe met inachtneming van de uitspraak alsnog:

- zich ervan te verzekeren dat de verhoging van de grondwaterstand onder de voormalige vuilstort Leegveld beperkt blijft tot maximaal 5 cm en dat toereikend te motiveren in aanvulling op het goedkeuringsbesluit.

Inpassingsplan

60.    De beroepen van Dorpsraad Griendtsveen, [appellant sub 7], [appellante sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 8] en anderen, [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 12], [appellanten sub 13], [appellante sub 17] en anderen, [appellant sub 22], [appellant sub 24], [appellant sub 29] en anderen, [appellant sub 30] en anderen, [appellante sub 31] en [appellant sub 32] tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan zijn niet-ontvankelijk.

61.    Gelet op overweging 53.2 is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

61.1.    Wat betreft het beroep van [appellanten sub 18] zal de Afdeling met het oog op een spoedige beslechting van het geschil provinciale staten op grond van artikel 8:51d van de Awb opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak het gebrek genoemd onder 53.2 in het bestreden besluit te herstellen. Provinciale staten dienen daartoe met inachtneming van de uitspraak alsnog:

- toereikend te motiveren dat het opnemen van een deel van de gronden van [appellanten sub 18] in het inpassingsplangebied in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, mede gelet op de gevolgen daarvan en de gebruiksmogelijkheden voor de gronden, dan wel een gewijzigd besluit te nemen.

    Bij wijziging van het bestreden besluit hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast. Provinciale staten dienen een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Tussen- en einduitspraak

62.    Voor [appellant sub 7] is deze uitspraak de einduitspraak, wat betekent dat de procedure voor hem is afgelopen.

63.    Voor de overige appellanten is deze uitspraak een tussenuitspraak, wat inhoudt dat pas in een volgende uitspraak definitief op hun beroepen zal worden beslist.

    Over de volgende beroepsgronden zal, samen met het hierboven genoemde gebrek, in de einduitspraak definitief worden geoordeeld:

- De overige beroepsgronden over de voormalige vuilstort Leegveld, waarvan de afdoening afhankelijk is van het eindoordeel over de grondwaterstand. Het gaat dan om het effect van verontreiniging van de stroombanen in combinatie met oppervlaktewater en de beïnvloeding van de grondwaterstroming door grondwateronttrekkingen (overweging 20);

- De specifieke beroepsgrond van [appellant sub 9] en anderen over de gevolgen van het projectplan voor de grondwaterputten op zijn gronden, mede gelet op vuilstort Leegveld (overweging 31.1);

- De conclusie in het inpassingsplan dat wat betreft de bodem geen veranderingen plaatsvinden (overweging 56.3);

- De financieel-economische uitvoerbaarheid van het projectplan en het inpassingsplan, voor zover gerelateerd aan die gronden waarover geen einduitspraak is gedaan in deze tussenuitspraak (overweging 57.2).

Proceskosten en griffierecht

64.    Voor het beroep van [appellant sub 7] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

65.    Voor de overige beroepen zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B] tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 22 november 2018 tot goedkeuring van het besluit van het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas van 19 november 2018 tot vaststelling van het projectplan "Projectplan Waterwet Leegveld" niet-ontvankelijk;

II.    draagt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met inachtneming van overweging 59.1 het daarin omschreven gebrek te herstellen door een toereikende motivering en de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen;

III.    verklaart de beroepen van:

a. [appellante sub 2] en anderen;

b. [appellant sub 3];

c. [appellant sub 4];

d. Dorpsraad Griendtsveen;

e. [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B];

f. [appellant sub 8] en anderen;

g. [appellant sub 9] en anderen;

h. [appellant sub 10];

i. [appellant sub 12A] en [appellant sub 12B];

j. [appellant sub 13A] en [appellant sub 13B];

k. [appellante sub 17] en anderen;

l. [appellant sub 22A] en [appellant sub 22B;

m. [appellant sub 24A] en [appellant sub 24B];

n. [appellant sub 29] en anderen;

o. [appellante sub 30] en anderen;

p. [appellante sub 31];

q. [appellant sub 32A] en [appellant sub 32B];

tegen het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant van 7 december 2018 tot vaststelling van het inpassingsplan "PAS Leegveld, Deurne" niet-ontvankelijk;

IV.    draagt provinciale staten van Noord-Brabant op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met inachtneming van overweging 61.1 het daarin omschreven gebrek te herstellen door een toereikende motivering dan wel een gewijzigd besluit te nemen en de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. A. ten Veen en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2021

45-865.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature