< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 2 augustus 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



202105736/1/V2.

Datum uitspraak: 24 november 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 augustus 2021 in zaak nr. NL21.12879 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 25 augustus 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 augustus 2021 vernietigd voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit en bepaald dat dat besluit voor het overige in stand blijft.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bulthuis, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De vreemdeling komt uit Nigeria en heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en daardoor in Nigeria problemen heeft ondervonden. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet geloofwaardig is. De rechtbank is de staatssecretaris daarin gevolgd. Daarover gaat dit hoger beroep. Dit hoger beroep betreft niet de beslissing van de rechtbank om het terugkeerbesluit te vernietigen.

2.       In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu hij heeft verklaard dat hij enige tijd heeft geworsteld met zijn seksuele geaardheid en al langer in Europa verblijft, de staatssecretaris een duidelijker, concreter en beter onderbouwd relaas had mogen verwachten over zijn proces van ontdekking en de acceptatie van die geaardheid.

2.1.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen, betekent het enkele feit dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij gedurende een periode van vijf jaar heeft geworsteld met de ontdekking van zijn geaardheid en daarna langere tijd in Europa heeft verbleven, niet dat de staatssecretaris alleen al daarom duidelijkere en concretere verklaringen had mogen verwachten over het proces van ontdekking en de acceptatie van zijn geaardheid. De vreemdeling voert terecht aan dat de overweging van de rechtbank onvoldoende is toegespitst op de verklaringen die hijzelf heeft afgelegd en de daarop door de staatssecretaris gebaseerde tegenwerpingen. De rechtbank heeft namelijk niet onderkend dat, hoewel de vreemdeling tijdens het nader gehoor feitelijke antwoorden heeft gegeven op vragen van de staatssecretaris over zijn gevoelens en de worsteling die hij stelt te hebben doorgemaakt, de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom die antwoorden, mede in het licht van de jonge leeftijd waarop de vreemdeling stelt te hebben ontdekt dat hij homoseksueel is, volgens hem tekortschieten. Dat de vreemdeling inmiddels volwassen is, betekent niet dat van hem kan worden gevergd nu beter uit te kunnen leggen hoe de worsteling met zijn geaardheid destijds is geweest. Alleen het tegenwerpen van het tijdsverloop waardoor de vreemdeling volgens de staatssecretaris als volwassene moet reflecteren op zijn jeugd, is daarvoor in dit geval onvoldoende. Het zwaartepunt in lhbti-zaken moet immers juist liggen bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen, zonder daarbij uit te gaan van stereotiepe uitgangspunten (uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885, onder 6.3). Hetzelfde geldt voor de verklaringen van de vreemdeling over de wijze waarop hij zijn seksuele geaardheid heeft geaccepteerd. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat en waarom de vreemdeling concreter of meer nauwkeurig had moet kunnen verklaren dan hij heeft gedaan.

De grief slaagt.

3.       De vreemdeling klaagt in de tweede grief dat de rechtbank had moeten oordelen dat de staatssecretaris de correcties en aanvullingen op het nader gehoor in ogenschouw had moeten nemen.

3.1.    Hoewel de rechtbank terecht overweegt dat de staatssecretaris niet zonder meer wijzigingen of aanvullingen die naar voren worden gebracht in de correcties en aanvullingen, hoeft over te nemen, moet hij, gelet op de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken, wel kenbaar motiveren waarom hij de correcties en aanvullingen niet betrekt bij zijn afweging (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1766). In dit geval heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris in het besluit niet kenbaar heeft gemotiveerd waarom de correcties en aanvullingen op het nader gehoor van 28 juli 2021 niet zijn betrokken bij het besluit.

De grief slaagt.

4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover die ziet op de afwijzing van de asielaanvraag. Het besluit van 2 augustus 2021 wordt ook in zoverre vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 25 augustus 2021 in zaak nr. NL21.12879, voor zover die ziet op de afwijzing van de asielaanvraag;

III.      vernietigt in zoverre ook het besluit van 2 augustus 2021, V-[…];

IV.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Wissels

voorzitter      

w.g. Prins

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2021

915


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature